Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201600510/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2015 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard vanaf 17 april 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600510/1/A1.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ridderkerk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2015 in zaak nr. 15/3699 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2015 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard vanaf 17 april 2015.

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door L. Flohr, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft het rijbewijs van [appellant] vanaf 17 april 2015 ongeldig verklaard, omdat uit onderzoek zou blijken dat hij vanwege alcoholmisbruik ongeschikt is om te rijden. [appellant] bestrijdt dat sprake is van alcoholmisbruik en vindt dat zijn rijbewijs ten onrechte ongeldig is verklaard.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3. [appellant] is op 14 oktober 2014 aangehouden voor het rijden onder invloed waarbij bij hem een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 850 µg/l. Dit gaf de korpschef aanleiding om op 15 oktober 2014 aan het CBR een mededeling in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) te doen van het vermoeden dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van het motorrijtuig waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Op basis van de mededeling heeft het CBR bij besluit van 22 oktober 2014 aan [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 opgelegd en de werking van zijn rijbewijs geschorst.

Op 22 november 2014 heeft het eerste onderzoek plaatsgevonden.

Op 21 februari 2015 heeft op verzoek van [appellant] een tweede onderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van beide onderzoeken zijn neergelegd in aparte rapportages.

Naar aanleiding van deze onderzoeken heeft het CBR besloten om het rijbewijs van [appellant] ongeldig te verklaren.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het CBR zijn rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard, heeft miskend dat het CBR de rapportages niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Daartoe voert hij aan dat er geen sprake is van alcoholmisbruik. Hij geeft toe dat hij in de periode voorafgaand aan het eerste onderzoek wegens privéomstandigheden alcohol nuttigde in huiselijke kring, maar dat rechtvaardigt de conclusie alcoholmisbruik niet. Hij voert verder aan dat de conclusies uit de rapportages zijn gebaseerd op aannames en dat de psychiaters toewerken naar een voor het CBR gunstige uitkomst. Voor zover er sprake was van alcoholmisbruik, staat vast dat het gebruik op 23 november 2014 was gestopt. Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank merkt hij verder op dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen tegenadvies heeft ingebracht. Gelet op de kosten die hij al heeft gemaakt voor het tweede onderzoek, heeft hij hiervan afgezien. Hij merkt verder op dat de rechtbank de namen van de psychiaters heeft verwisseld en derhalve ook de onderzoeken door elkaar heeft gehaald.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:213) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

4.2. In het eerste onderzoek is vastgesteld dat onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn om te concluderen dat ten tijde van de aanhouding op 14 oktober 2014 sprake is geweest van alcoholmisbruik volgens de DSM-IV-TR criteria, maar dat op basis van alle relevante gegevens wel de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld. De psychiater Barbier is tot de conclusie gekomen dat het alcoholgebruik niet is gestopt.

In het tweede onderzoek is vastgesteld dat onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn om te concluderen dat ten tijde van de aanhouding op 14 oktober 2014 sprake is geweest van alcoholmisbruik volgens de DSM-IV-TR. Volgens het tweede onderzoek kan wel de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin worden vastgesteld. De psychiater Hanoeman is tot de conclusie gekomen dat het aannemelijk lijkt dat [appellant] sinds 23 november 2014 is gestopt met het alcoholmisbruik. De psychiater heeft geen commentaar op de rapportage van het eerste onderzoek.

4.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de aan het besluit ten grondslag gelegde rapportages naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen als bedoeld in overweging 4.1 dat het CBR zich daar niet op mocht baseren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld op basis van een volledig onderzoek en de daaruit verkregen relevante medische en niet-medische gegevens, in onderling verband bezien. In dit kader is van belang dat, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2092, het niet aan het CBR of de bestuursrechter is om te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat. De rechtbank heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat [appellant] de bevindingen in beide rapportages niet met objectieve gegevens heeft weerlegd. Dat [appellant] om hem moverende redenen na het tweede onderzoek heeft besloten niet nog meer onderzoeken op zijn kosten te laten verrichten, doet er niet aan af dat hij geen onderzoek heeft overgelegd. Dat in de uitspraak van de rechtbank abusievelijk de verkeerde naam is genoteerd, leidt er niet toe dat de rechtbank de onderzoeken heeft verwisseld. Gelet op de weergave van de onderzoeken in de uitspraak van de rechtbank is duidelijk dat het eerste onderzoek ook als zodanig door de rechtbank is beoordeeld. Voor het oordeel dat de psychiaters werken naar een voor het CBR gunstig resultaat bestaat geen aanleiding. De psychiater is een onafhankelijk medisch specialist die geen belang heeft bij het opnemen van onjuistheden in het verslag.

Zoals [appellant] op zich terecht stelt, wordt in het tweede onderzoek geconcludeerd dat het aannemelijk is dat het alcoholmisbruik na het eerste onderzoek is gestopt. Dit betekent echter niet dat het CBR in dit geval ten onrechte het rijbewijs wegens alcoholmisbruik in ruime zin ongeldig heeft verklaard. In het tweede onderzoek wordt onderzocht of het eerste onderzoek juist is uitgevoerd en of de keurend arts tot de door hem getrokken conclusie heeft kunnen komen. Onder verwijzing naar de uitspraak van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:277, overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat na het eerste onderzoek een tweede onderzoek heeft plaatsgevonden, niet zonder meer betekent dat daarmee de resultaten en conclusies van het eerste onderzoek zijn komen te vervallen. Dit zou anders zijn indien uit het tweede onderzoek zou zijn gebleken dat het eerste onderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd of dat de keurend arts op grond van de resultaten van het door hem verrichte onderzoek niet tot de door hem getrokken conclusie heeft kunnen komen. Hiervan is hier geen sprake zodat het CBR zich terecht op de resultaten uit het eerste onderzoek heeft gebaseerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit beide onderzoeken volgt dat in de periode voorafgaand aan het eerste onderzoek sprake was van alcoholmisbruik in ruime zin. Dat het alcoholmisbruik op 23 november 2014 zou zijn gestopt, leidt niet tot een ander oordeel omdat in dit geval van belang is of in de periode voorafgaand aan het eerste onderzoek sprake was van alcoholmisbruik in ruime zin.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR terecht het rijbewijs van [appellant] ongeldig heeft verklaard.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voor het eerst in hoger beroep dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het CBR ondanks de rapportages niet tot ongeldig verklaring van zijn rijbewijs mocht overgaan. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dat niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellant] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. De Koning

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

712.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In de Bijlage is in hoofdstuk 8 "Psychiatrische stoornissen" in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring — op basis van een specialistisch rapport — geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.