Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3400

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201600071/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2014 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor een zeugenstal, biggenstal en een uitbreiding van een vleesvarkensstal op het perceel [locatie] te Saasveld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3986
JOM 2017/1214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600071/1/A1.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dinkelland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 november 2015 in zaak nr. 15/1534 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2014 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor een zeugenstal, biggenstal en een uitbreiding van een vleesvarkensstal op het perceel [locatie] te Saasveld.

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en R.A. Klein Severt, en het college, vertegenwoordigd door F.M.J. Engbers-Poort en ing. A.W. Holtkamp, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 28 februari 2011 heeft het college [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een zeugenstal en een biggenstal. [appellant] heeft een zeugenstal en een biggenstal gebouwd die afwijkt van de verleende vergunning. Hij heeft onder meer ter legalisering van deze stallen een omgevingsvergunning aangevraagd. Die aanvraag is bij het besluit van 25 september 2014 afgewezen.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan, nu het college niet tijdig op zijn vergunningaanvraag heeft beslist. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij heeft ingestemd met een opschorting van de beslistermijn tot 1 oktober 2014, en bovendien dat het college hierover geen besluit heeft genomen.

2.1. Ingevolge artikel 4:15 tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd.

Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, is indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

2.2. Het college heeft [appellant] bij e-mailbericht van 7 juli 2014 voorgesteld te verzoeken om de termijn voor het geven van een beschikking op te schorten tot 1 oktober 2014. [appellant] heeft aan dit voorstel gevolg gegeven door op 10 juli 2014 het college te verzoeken de beslistermijn op te schorten tot deze datum. Nu [appellant] aldus met uitstel heeft ingestemd, is de termijn voor het geven van een beschikking ingevolge artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb tot 1 oktober 2014 opgeschort. Dat het college hierover geen besluit heeft genomen, maakt dit niet anders. Voor opschorting op grond van artikel 4:15, tweede lid, van de Awb is een besluit niet vereist.

Omdat het college op de vergunningaanvraag heeft beslist vóór 1 oktober 2014 heeft het tijdig op de aanvraag beslist. Dat brengt mee dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college, op advies van de Brandweer Twente van 19 september 2014, aan de weigering om omgevingsvergunning te verlenen ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat de kunststof binnenwanden van de stallen niet voldoen aan de ingevolge het Bouwbesluit 2012 vereiste rookklasse s2. Daartoe voert hij aan dat dit vereiste ten tijde van de indiening van de omgevingsvergunningaanvraag nog niet gold. Bovendien was hem reeds bij besluit van 28 februari 2011 omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een zeugenstal en biggenstal uitgevoerd met kunststofonderdelen, aldus [appellant]. Voorts voert hij aan dat de kunststof binnenwanden voldoen aan rookklasse s2, maar niet zijn gecertificeerd.

3.1. Ingevolge artikel 9.1, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 blijven op een aanvraag om vergunning voor het bouwen gedaan voor het tijdstip waarop een wijziging van dit besluit in werking treedt, alsmede met betrekking tot enig bezwaar of beroep, de voorschriften van dit besluit van toepassing die golden op het tijdstip waarop de aanvraag werd gedaan. De aanvraag is gedaan op 13 december 2013, zodat dient te worden getoetst aan de bepalingen zoals deze destijds golden.

Voor zover hier van belang golden de volgende bepalingen:

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, wordt onder industriefunctie verstaan: gebruiksfunctie voor bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden.

Ingevolge artikel 2.66, eerste lid, is een te bouwen bouwwerk zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.66 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepaling gegeven voorschriften.

In tabel 2.66 is voor de industriefunctie artikel 2.67, eerste lid, aangewezen.

Ingevolge artikel 2.67, eerste lid, voldoet een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

3.2. Uit artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 volgt dat onder industriefunctie ook gebruiksfunctie voor agrarische doeleinden wordt verstaan. De industriefunctie is daarom van toepassing op de veehouderij. Omdat voor industriefunctie artikel 2.67, eerste lid, is aangewezen, waarin de eis van rookklasse s2 is vermeld, mist het betoog van [appellant] dat deze eis voor zijn varkensbedrijf nog niet gold bij het doen van de aanvraag feitelijke grondslag. Het college heeft dan ook terecht aan deze eis getoetst. Het heeft overigens ook bij verlening van de door [appellant] genoemde in 2011 verleende vergunning aan die eis getoetst, en in verband daarmee voorgeschreven dat de toe te passen materialen moeten voldoen aan rookklasse s2.

Het standpunt van [appellant] dat de kunststof binnenwanden voldoen aan rookklasse s2 volgt de Afdeling niet, reeds omdat in het bij de aanvraag om vergunning behorende rapport "Rapportage beheersbaarheid van Brand 2007" van Efectus van augustus 2014 expliciet is vermeld dat de kunststof binnenwanden weliswaar voldoen aan de vereiste brandklasse, maar niet aan de vereiste rookklasse s2.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt verder dat het besluit op bezwaar in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte onbesproken gelaten dat zijn situatie gelijk is aan die van andere varkensbedrijven, terwijl in voor die bedrijven verleende omgevingsvergunningen niet is geëist dat wordt voldaan aan rookklasse s2.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 22 augustus 1996 in zaak nr. H01.95.0524 (JB 1996, 243) kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet leiden tot het in strijd met de wet verlenen van een vergunning voor het bouwen. Nu het bouwplan niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012, zou verlening van een omgevingsvergunning in strijd zijn met artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Reeds gelet hierop kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel [appellant] niet baten.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Slump w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

262-757.