Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201601888/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Ter Borch, crematorium" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2017/7685 met annotatie van G. van den End
AR 2017/86
JOM 2017/1147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601888/1/R4.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Eelderwolde, gemeente Tynaarlo,

2. [appellant sub 2], wonend te Eelderwolde, gemeente Tynaarlo,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tynaarlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Ter Borch, crematorium" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Re-spectrum Crematoria B.V. (hierna: Re-spectrum) heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en Re-spectrum hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2016, waar [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door B. Dijkstra, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. P. Vos, werkzaam bij Petra Vos Juridisch Advies, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Re-spectrum, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, gehoord.

Overwegingen

Het plan en het geschil

1. Het plan voorziet in de realisatie van een crematorium ten noorden van de woonwijk Ter Borch in de gemeente Tynaarlo. Het plangebied ligt ten zuidwesten van de stad Groningen. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] wonen beiden in de wijk Ter Borch en kunnen zich niet verenigen met deze ontwikkeling. Zij vrezen onder meer een toename van de verkeersdruk in hun wijk. Verder stellen zij dat te weinig behoefte bestaat aan een crematorium.

Ontvankelijkheid

2. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

[appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 1] te Eelderwolde op een afstand van ongeveer 2,3 kilometer tot het plangebied. [appellant sub 1] heeft vanaf zijn perceel geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, acht de Afdeling de genoemde afstand te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Dat [appellant sub 1]’ kinderen op een school zitten die grenst aan de Borchsingel, een weg waarvan volgens [appellant sub 1] verkeer van en naar het crematorium gebruik zal maken, maakt dat niet anders. Nog daargelaten of het plan effecten heeft voor de hoeveelheid verkeer dat gebruik maakt van deze weg, onderscheidt dit hem onvoldoende van andere ouders met kinderen op die school. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat het verkeer op de Borchsingel als gevolg van het plan zal toenemen en dit tevens leidt tot een toename van het verkeer op de Woltsingel, de ontsluitingsweg van het deel van de wijk waar [appellant sub 1] woont, heeft hij dit naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Zoals Re-spectrum onderbouwd heeft gesteld, is de Woltsingel bedoeld voor bestemmingsverkeer. Evenmin acht de Afdeling aannemelijk dat bij een aardbeving schadelijke stoffen van het crematorium in de lucht terecht komen, welke stoffen zich daarna binnen de invloedssfeer van de woning van [appellant sub 1] zullen bevinden. [appellant sub 1] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van het plan hinder van enige betekenis zal ondervinden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014; ECLI:NL:RVS:2014:4434). Dat de raad niet alle zienswijzen zou hebben weerlegd, wat daar ook van zij, maakt [appellant sub 1] evenmin belanghebbende.

3.1. De conclusie is dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zijn beroep niet-ontvankelijk is.

[appellant sub 2]

4. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 2] te Eelderwolde. De afstand van zijn perceel tot het plangebied bedraagt ongeveer 900 meter en de afstand van zijn perceel tot de Borchsingel is ongeveer 25 meter. De raad heeft ter zitting toegelicht dat tussen het perceel van [appellant sub 2] en het plangebied gronden bouwrijp worden gemaakt voor het realiseren van woningen met een hoogte van ongeveer 8 meter. Het crematorium mag op grond van artikel 3, lid 3.2, onder a, sub 5, van de planregels ook niet hoger worden dan 8 meter. De Afdeling acht onder deze omstandigheden niet aannemelijk dat [appellant sub 2] vanaf zijn perceel rechtstreeks zicht zal hebben op het crematorium. Bovendien zou de enkele omstandigheid dat niet zou zijn uitgesloten dat hij vanaf zijn perceel enig zicht zal hebben op het plangebied nog niet betekenen dat zijn belang reeds hierom rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Hiervoor is nodig dat de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling gelet op de aard en omvang daarvan zodanig is, dat [appellant sub 2] daarvan naar objectieve maatstaven gemeten hinder van enige betekenis ondervindt. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat hij hinder zal ondervinden van het verkeer van en naar het crematorium dat gebruik zal maken van de Borchsingel die achter zijn woning ligt, omdat hij door het zien van dit verkeer regelmatig geconfronteerd zal worden met de dood. De raad heeft toegelicht dat de route door de wijk Ter Borch ten opzichte van de route via de rijksweg A7 veel minder geschikt is, omdat zich in dat tracé verkeersdrempels bevinden en langs die route scholen staan, terwijl de afspraken tussen uitvaartondernemers inhouden dat bij voorkeur niet langs scholen wordt gereden. Verder is de route uit zuidelijke richting via de wijk volgens de raad voor veel bezoekers van het crematorium geen logische route, omdat zij uit het gebied ten noorden van het crematorium zullen komen. De Afdeling acht gelet op de verwachte herkomst van de bezoekers niet onaannemelijk dat de route via het zuidelijke deel van de Borchsingel niet logisch is en dat die route door de inrichting en het karakter van de weg minder voor de hand ligt dan de route waarbij men via een rotonde direct op de A7 komt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad terecht gesteld dat slechts een beperkt deel van het te verwachten verkeer van en naar het crematorium - volgens de plantoelichting is de verkeersgeneratie in totaal 243 voertuigbewegingen per dag - gebruik zal maken van het deel van de Borchsingel dat achter de woning van [appellant sub 2] ligt. Daarnaast is de door [appellant sub 2] gestelde hinder van dat verkeer, te weten de ongewenste confrontatie met rouwverkeer, niet objectief meetbaar. Gezien de subjectiviteit van de gestelde hinder als gevolg van het plan ter plaatse van het perceel van [appellant sub 2], heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van het plan hinder van enige betekenis zal ondervinden. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd zijn geen feiten en omstandigheden gelegen in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks de afstand van 900 meter tot het plangebied een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 2] rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

4.1. De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zijn beroep niet-ontvankelijk is.

Conclusie

5. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Poppelaars, griffier.

w.g. Helder w.g. Poppelaars

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

780.