Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201601392/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2014 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601392/1/A2.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 januari 2016 in zaak nr. 15/5304 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2014 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 15 juni 2015 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.D. Autar, advocaat te Delft, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1. [appellant] heeft met tussenkomst van zijn gemachtigde een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ingediend voor het voeren van een bezwaarprocedure tegen het besluit van de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) van 2 oktober 2014. Met dit besluit is aan [appellant] de verplichting opgelegd mee te werken aan een rijvaardigheidsonderzoek, in verband waarmee de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst. De raad heeft de aanvraag afgewezen omdat het volgens haar een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten. [appellant] bestrijdt dit en betoogt dat een juridisch complex verweer wordt gevoerd, waarvoor de bijstand van een advocaat noodzakelijk is.

Uitspraak van de rechtbank

2. Onder verwijzing naar artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) en onder verwijzing naar het beleid van de raad, waarin is vermeld dat voor zaken tegen de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna:CBR) in beginsel geen toevoegingen worden verleend, heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een zodanig feitelijk en/of juridisch complex probleem dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Dat een beroep wordt gedaan op het zogenoemde ne bis in idem-beginsel, maakt dit volgens de rechtbank niet anders omdat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een onderzoek naar de rijgeschiktheid en schorsing van de geldigheid van het rijbewijs niet als een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raad de aanvraag van [appellant] om een toevoeging in redelijkheid kunnen afwijzen, zodat het beroep ongegrond is.

Hoger beroep van [appellant]

3. De wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4. [appellant] betoogt dat de omstandigheid dat de Afdeling het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid en de schorsing van het rijbewijs thans niet aanmerkt als een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM en daardoor het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing is, niet dragend kan zijn voor het oordeel dat geen sprake is van een juridisch complexe zaak waarvoor bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Daartoe wijst [appellant] erop dat niet is uitgesloten dat met een juridisch onderbouwd betoog de Afdeling tot een ander oordeel kan komen. Als voorbeeld noemt [appellant] het recent gewijzigde oordeel van de Afdeling over het zogenoemde alcoholslotprogramma, dat thans wel als punitieve maatregel wordt aangemerkt. Omdat bij het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek niet wordt gekeken naar de draagkracht en de achterliggende persoonlijke omstandigheden, terwijl de kosten van dit onderzoek hoog zijn en bij weigering het rijbewijs wordt ingetrokken, is deze maatregel volgens [appellant] ook punitief.

Dat de raad op voorhand een inhoudelijk standpunt inneemt over de slagingskans van het verweer, als gevolg waarvan de benodigde rechtsbijstand niet kan worden verkregen, acht [appellant] onaanvaardbaar. Een dergelijke handelwijze komt volgens hem in strijd met het beginsel van equality of arms, inhoudende een volledige gelijkheid van proceskansen.

Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat hij op grond van het bepaalde in artikel 6, derde lid, onder c, van het EVRM recht heeft op kosteloze rechtsbijstand door een advocaat.

5. De raad heeft aan de afwijzing van de aanvraag artikel 12, tweede lid, onder g, van de Wrb ten grondslag gelegd alsmede artikel 28, eerste lid, onder c en d, van de Wrb. Ter invulling van de vraag of sprake is van een belang waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, heeft de raad beoordelingsvrijheid. Voor de aanwending daarvan heeft de raad criteria ontwikkeld. Voor zaken tegen het CBR is in de zogenoemde ‘Werkinstructie B010 Bestuursrecht’ (gepubliceerd op www.kenniswijzer.rvr.org) vermeld dat hiervoor in beginsel geen toevoeging wordt verleend. Bij hoge uitzondering kan een toevoeging worden verstrekt. De advocaat dient dan bij de aanvraag gemotiveerd aan te geven dat de zaak zodanig feitelijk en/of juridisch complex is dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is.

6. In de aanvraag om een toevoeging is vermeld dat [appellant] terzake reeds is veroordeeld door de strafrechter en dat sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel. Daarbij is verwezen naar artikel 6 van het EVRM en artikel 14, zevende lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR).

In bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag heeft [appellant] aangevoerd dat de bezwaargronden zijn gestoeld op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het IVBPR ten aanzien van het ne bis in idem-beginsel. Het betreft volgens [appellant] een bezwaar met een hoog juridisch gehalte omdat opgelegde maatregelen binnen de Nederlandse rechtsorde in toenemende mate gezien worden als punitieve sancties. In dat verband heeft [appellant] erop gewezen dat de verwachting bestaat dat ook het alcoholslot zal worden aangemerkt als een punitieve sanctie en dat het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek en schorsing van het rijbewijs in het verlengde hiervan ligt.

7. Om in aanmerking te komen voor een toevoeging voor het voeren van een bezwaarprocedure tegen een besluit van het CBR wordt op grond van het beleid van de raad van de advocaat verlangd dat wordt gemotiveerd dat en waarom de zaak zodanig juridisch complex is dat bijstand door een advocaat noodzakelijk is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een beroep op het ne bis in idem-beginsel onvoldoende is om de zaak als juridisch complex aan te merken gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling. Onder meer in haar uitspraken van 23 februari 2011 en 7 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2011:BP5465 en ECLI:NL:RVS:2013:2838) heeft de Afdeling overwogen dat een onderzoek naar de rijgeschiktheid niet als een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM kan worden aangemerkt, en dit evenzo geldt voor een besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs die hiermee verband houdt.

Het vorenstaande neemt evenwel niet weg dat inhoudelijke bezwaren kunnen bestaan tegen het volgen van een vaste lijn van de Afdeling, dan wel dat naar het oordeel van een belanghebbende aanleiding kan bestaan in zijn geval anders te oordelen, waardoor de zaak juridisch complex is en de bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Voor zover [appellant] in bezwaar heeft verwezen naar (een ophanden zijnde wijziging van de) jurisprudentie van de Afdeling omtrent het opleggen van een zogenoemd alcoholslot, overweegt de Afdeling dat dit, bij het ontbreken van een nadere onderbouwing die is toegespitst op de procedure waarvoor in dit geval een aanvraag om een toevoeging wordt gedaan, onvoldoende is om de zaak als juridisch complex aan te merken. Daartoe is van belang dat in het geval van [appellant] geen sprake is van het opleggen van een alcoholslot. De stelling van [appellant] dat de maatregel hoge kosten met zich brengt en een grote impact heeft op het persoonlijke leven van de betrokkene en daarom punitief is, kan evenmin leiden tot het oordeel dat sprake is van een juridisch complexe zaak. Dit zijn omstandigheden die de Afdeling bij het doen van voornoemde uitspraken heeft betrokken bij de vraag of sprake is van een criminal charge.

8. Het betoog van [appellant] dat de raad met het geven van een inhoudelijk oordeel over de slagingskans van de bezwaarprocedure vooruitloopt op de uitkomst daarvan, heeft de rechtbank terecht niet gevolgd. De raad heeft immers beoordeeld of hetgeen ter motivering van de aanvraag is aangedragen ertoe leidt dat sprake is van een zodanig juridisch complexe zaak dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Daarbij heeft de raad kunnen betrekken dat het juridisch verweer betrekking heeft op een geval waarover de Afdeling in eerdere uitspraken reeds een (gelijkluidend) oordeel heeft gegeven. Van een schending van het beginsel van equality of arms is evenmin sprake, reeds omdat dit beginsel niet van toepassing is in de bezwaarfase.

9. Over het betoog dat aan [appellant] op grond van het bepaalde in artikel 6, derde lid, onder c, van het EVRM kosteloze rechtsbijstand dient te worden toegekend, overweegt de Afdeling dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat sprake is van een criminal charge, zodat dit artikellid niet van toepassing is.

Conclusie

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Fenwick

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

608.

Wet op de rechtsbijstand (Wrb)

Artikel 12

2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

(...)

g. het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Artikel 28

1. Het bestuur kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag:

(...)

d. een rechtsprobleem betreft dat door de voorziening, bedoeld in artikel 7, tweede lid, of door een voorziening als bedoeld in artikel 8, tweede lid, voor zover belast met het verlenen van rechtshulp, kan worden afgehandeld.

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Artikel 6

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. (...)

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

(...)

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)

Artikel 14

7. Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.