Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3388

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201507124/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van dwangsommen onder meer gelast om op het perceel [locatie 1] te Sint Jansklooster (hierna: het perceel) twee gebouwen (gebouwen 2 en 3) te slopen en gesloopt te houden dan wel te veranderen tot hetgeen omgevingsvergunningvrij is toegestaan, het gebruik van gebouw 3 ten behoeve van bedrijfsactiviteiten te staken en gestaakt te houden en de kantoorvoorzieningen uit dat gebouw te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2017/102 met annotatie van Y. Schönfeld
AR 2016/3987
Module Ruimtelijke ordening 2017/7693
AB 2017/57 met annotatie van T.N. Sanders
JOM 2016/1331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507124/1/A1.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint Jansklooster, gemeente Steenwijkerland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 juli 2015 in zaak nr. 15/150 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van dwangsommen onder meer gelast om op het perceel [locatie 1] te Sint Jansklooster (hierna: het perceel) twee gebouwen (gebouwen 2 en 3) te slopen en gesloopt te houden dan wel te veranderen tot hetgeen omgevingsvergunningvrij is toegestaan, het gebruik van gebouw 3 ten behoeve van bedrijfsactiviteiten te staken en gestaakt te houden en de kantoorvoorzieningen uit dat gebouw te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit, verzonden op 12 december 2014, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 30 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 28 oktober 2015 heeft het college besloten tot invordering van beweerdelijk verbeurde dwangsommen.

[appellant] heeft een nadere reactie ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, het college, vertegenwoordigd door mr. F. de Groot en P. Kleine, beiden werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], bijgestaan door ing. E.J.M. Zandbelt, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] bewoont de woning op het perceel. Aan de zuidoostzijde van de woning bevindt zich een kapschuur met garage met, ten tijde van het besluit van 17 juni 2014 en het bij de rechtbank bestreden besluit, aan beide zijden een overdekt terras (hierna: gebouw 2). Aan de zuid/zuidwestzijde van de woning bevindt zich een gebouw, waarvan niet in geschil is dat [appellant] dat destijds gebruikte voor bedrijfsdoeleinden (hierna: gebouw 3). De gebouwen 2 en 3 bevinden zich op een

afstand van meer dan 4 m van de woning.

[belanghebbende], die op het perceel [locatie 2] een melkveehouderijbedrijf exploiteert, heeft verzocht om handhaving ter zake van de op het perceel zonder omgevingsvergunning opgerichte bouwwerken, die op korte afstand van zijn veestal liggen. Daarbij stelt hij beducht te zijn voor beperkingen in zijn bedrijfsvoering ten gevolge van met name het gebruik van gebouw 3.

Het college heeft bij besluit van 17 juni 2014 besloten tot handhaving onder meer omdat de totale oppervlakte van de gebouwen 2 en 3 volgens het college 195 m2 bedraagt en daarmee de ingevolge artikel 25.2.3, aanhef en onder a, van de destijds geldende "Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland" toegestane oppervlakte van bijgebouwen op het perceel overschrijdt. In genoemd artikelonderdeel is bepaald dat voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de woning de regel geldt dat de toegestane gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een bouwperceel vanaf 2.500 m2 ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen" maximaal 100 m2 mag bedragen dan wel de bestaande oppervlakte.

Het college heeft voorts besloten tot handhaving omdat het gebruik van gebouw 3 voor bedrijfsdoeleinden in strijd is met de Beheersverordening.

Bij het besluit van 17 juni 2014 is [appellant] gelast de gebouwen 2 en 3 te verwijderen en verwijderd te houden dan wel deze te veranderen tot hetgeen vergunningsvrij is toegestaan. In het besluit wordt voor het terugbrengen van de gebouwen 2 en 3 naar hetgeen vergunningsvrij is toegestaan, verwezen naar de voorschriften van de Beheersverordening, waarbij als bestaand oppervlak voor beide gebouwen tezamen een oppervlakte van maximaal 128 m2 mag worden aangehouden. Wat betreft deze last bedraagt de hoogte van de dwangsom € 10.000,00 per week of een gedeelte daarvan tot een maximum van € 100.000,00.

Voorts is [appellant] bij het besluit gelast het gebruik van gebouw 3 voor bedrijfsdoeleinden te staken en gestaakt te houden en de kantoorvoorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden. Het college heeft ter zake van deze last de hoogte van de dwangsom bepaald op € 1.500,00 per week of een gedeelte daarvan tot een maximum van € 15.000,00.

Aan het besluit van 17 juni 2014 is een begunstigingstermijn verbonden tot 1 september 2014. Bij besluit van 8 januari 2015 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak in beroep.

Bij besluit van 28 oktober 2015 heeft het college besloten tot invordering van beweerdelijk op 10 en 17 september 2015 verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 23.000,00.

Het hoger beroep ziet uitsluitend op de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarin is overwogen dat het college terecht heeft gehandhaafd wat betreft de oppervlakte van de gebouwen 2 en 3.

Het op 12 december 2014 verzonden besluit op bezwaar

2. [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college bij het besluit op bezwaar niet heeft betrokken dat met ingang van 1 november 2014 artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) wat betreft de totale oppervlakte van omgevingsvergunningsvrije bijbehorende bouwwerken is gewijzigd. Door die wijziging is een grotere totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken omgevingsvergunningsvrij dan waarvan het college is uitgegaan, zo stelt [appellant].

2.1. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat de grond inhoudelijk te beoordelen, omdat [appellant] deze eerst in hoger beroep heeft aangevoerd. Volgens het college is er geen reden dat hij dat niet reeds bij de rechtbank had kunnen doen.

2.2. De Afdeling ziet aanleiding de grond inhoudelijk te behandelen. De wijziging van artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II van het Bor wat betreft de omgevingsvergunningsvrije oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is van betekenis voor de vraag of, en zo ja, in hoeverre, zich ten tijde van het besluit op bezwaar nog een overtreding voordeed. De vraag of en in hoeverre een overtreding zich nog voordeed, raakt de bevoegdheid van het college. Die vraag kan de Afdeling in het kader van de beoordeling van de aangevallen uitspraak wat betreft de rechtmatigheid van het handhavingsbesluit niet onbeantwoord laten. Dat [appellant] de grond in beroep niet zou hebben aangevoerd, is dan ook niet van betekenis.

2.3. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, onder b, onder 3°, van Bijlage II van het Bor, zoals dat luidde ten tijde van het besluit van 17 juni 2014, is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer dan 30 m2 bedraagt.

Ten tijde van het besluit op bezwaar is in artikel 2, aanhef en onder 3, onder f, onder 3°, van Bijlage II bepaald dat een omgevingsvergunning voor dergelijke activiteiten niet is vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer bedraagt dan, in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.

2.4. Het college heeft in zijn verweerschrift te kennen gegeven dat het bij het besluit op bezwaar terecht de wijziging van artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II, van het Bor niet heeft betrokken. Het college heeft erop gewezen dat wat handhavingsbesluiten betreft het recht, zoals dat gold ten tijde van het primaire besluit, moet worden toegepast en niet het recht ten tijde van het besluit op bezwaar. Daarbij heeft het college gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 24 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AO0934, en een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 juni 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8745.

Het college wijst er daarnaast op dat de wijziging van artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II, niet van betekenis is, aangezien die niet tot gevolg heeft dat het ten tijde van het besluit op bezwaar niet langer bevoegd was ter zake van de totale oppervlakte van de gebouwen 2 en 3 te handhaven. Volgens het college bestaat alleen dan niet langer een bevoegdheid tot handhaving indien de strijdigheid met regelgeving is opgeheven, hetgeen hier niet het geval is. Ter zitting heeft het college er op gewezen dat nu de totale oppervlakte van de gebouwen 2 en 3 ten tijde van het besluit op bezwaar 195 m2 bedroeg, de omgevingsvergunningsvrije totale oppervlakte van 150 m2 werd overschreden, zodat het bevoegd was te handhaven.

2.5. Hoofdregel in het bestuursrecht is dat de heroverweging in de bezwaarprocedure plaatsvindt met inachtneming van de feiten en omstandigheden die zich dan voordoen en de op dat moment geldende rechts- en beleidsregels. Bij het heroverwegen van een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom kan dit in specifieke situaties anders zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval in de situatie waarin het gaat om de omstandigheid dat voorafgaand aan het besluit op bezwaar de overtreding is beëindigd (vgl. uitspraak van de Afdeling van 24 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AO0934). Dit laat echter onverlet, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN9549, dat intussen gewijzigde van kracht zijnde regelgeving dan wel een op handen zijnde wijziging van regelgeving wel omstandigheden zijn die het desbetreffende bestuursorgaan bij heroverweging van zijn handhavingsbesluit dient te betrekken.

Anders dan het college heeft betoogd, is de wijziging van artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II van het Bor niet alleen van betekenis voor de bevoegdheid van het college om te handhaven. Die wijziging is ook van betekenis voor de vraag in hoeverre de ter zake van de gebouwen 2 en 3 opgelegde last tot het verwijderen en verwijderd te houden dan wel te veranderen tot hetgeen vergunningsvrij is toegestaan, juist is.

Het college heeft derhalve bij het nemen van het besluit op bezwaar ten onrechte nagelaten te onderzoeken in hoeverre, bezien in het licht van de op 1 november 2014 in werking getreden wijziging van artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II van het Bor, de bij het handhavingsbesluit van 17 juli 2014 opgelegde last tot sloop dan wel verkleining van de gebouwen 2 en 3 aanpassing behoeft. In dit verband merkt de Afdeling nog het volgende op. Niet in geschil is dat wat het perceel van [appellant] betreft de ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, onder f, onder 3°, van Bijlage II toegestane omgevingsvergunningsvrije oppervlakte van bijbehorende bouwwerken 150 m2 bedraagt. Voor de toepassing van deze maximummaat tellen evenwel alle bijbehorende bouwwerken, al dan niet met vergunning gebouwd, in het bebouwingsgebied mee. Op het perceel van [appellant] staan naast de gebouwen 2 en 3 nog twee bijbehorende bouwwerken, door partijen gebouwen 1 en 4 genoemd. Volgens het college bedroeg de totale oppervlakte van de ten tijde van het besluit op bezwaar aanwezige gebouwen 1 tot en met 4 meer dan 228 m2. Ingevolge artikel 1, onder 1, van Bijlage II, zoals dat luidde ten tijde van het besluit op bezwaar, wordt onder bebouwingsgebied verstaan: achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw. Dit betekent dat bijbehorende bijgebouwen die aan het oorspronkelijke hoofdgebouw zijn gebouwd, zoals op het perceel van [appellant] het gebouw ten behoeve van de bed & breakfast, ook betrokken moeten worden bij de vaststelling in hoeverre omgevingsvergunningsvrij bijbehorende bouwwerken kunnen worden opgericht.

Gelet op het voorgaande is het besluit op bezwaar genomen in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dat bepaalt dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond, in verband waarmee de uitspraak, voor zover aangevallen, voor vernietiging in aanmerking komt. De Afdeling komt aan bespreking van de overige hoger beroepsgronden niet toe. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het op 12 december 2014 verzonden besluit op bezwaar alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt, voor zover het betreft de handhaving ter zake van de totale oppervlakte van de gebouwen 2 en 3, voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb) te bepalen dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, inhoudende dat het besluit van 17 juni 2014, wat de ter zake van de gebouwen 2 en 3 opgelegde last betreft, wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van een nieuw besluit op bezwaar. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Brief 6 oktober 2015

3. [appellant] betoogt dat de brief van het college van 6 oktober 2015, die een verslag bevat van besprekingen op 23 september 2015 en 5 oktober 2015 tussen [appellant] en het college, is te beschouwen als een nader besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en dat het hoger beroep van rechtswege wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

3.1. Er is sprake van een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, indien het bestuursorgaan bij nader besluit door intrekking, wijziging of vervanging, met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid en op dezelfde feitelijke grondslag, van het eerder door hem genomen besluit terugkomt. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college met de brief, die als onderwerp heeft ‘nadere informatie [locatie 1], Sint Jansklooster’, een nader besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb heeft genomen. Derhalve bestaat evenmin aanleiding de door [appellant] tegen deze brief aangevoerde gronden te behandelen.

Invorderingsbeschikking gebouwen 2 en 3

4. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

4.1. Het college heeft bij besluit van 28 oktober 2015 besloten tot invordering van op 10 en 17 september 2015 beweerdelijk verbeurde dwangsommen. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat is vastgesteld dat op die dagen de gebouwen 2 en 3 nog ongewijzigd waren en dat in gebouw 3 nog kantoorvoorzieningen aanwezig waren, zodat niet aan de opgelegde lasten werd voldaan. Volgens het college zijn dan ook tweemaal dwangsommen van € 10.000,00 en € 1.500,00, in totaal een bedrag van € 23.000,00, verbeurd.

4.2. De Afdeling overweegt dat nu onder 2.6. is overwogen dat het op 12 december 2014 verzonden besluit op bezwaar wat de handhaving van de totale oppervlakte van de gebouwen 2 en 3 betreft wordt vernietigd, reeds daarom ook de grondslag is komen te ontvallen aan de invorderingsbeschikking wat de oppervlakte van de bouwwerken 2 en 3 betreft.

5. Ten aanzien van de invorderingsbeschikking wat het gebruik van gebouw 3 betreft, overweegt de Afdeling het volgende.

6. [appellant] betoogt allereerst dat het college zich niet heeft mogen baseren op de aan het besluit ten grondslag gelegde controlerapporten. In dit verband stelt hij dat niet blijkt door wie en op welke wijze is geconstateerd dat niet aan de last wat het gebruik van gebouw 3 betreft, is voldaan.

6.1. Het college heeft aan het besluit controlerapporten ten grondslag gelegd, waarin de bevindingen zijn neergelegd van bezoeken op 10 en 17 september 2015 aan het perceel. Deze controlerapporten zijn gedagtekend, het tijdstip van het bezoek is daarin vermeld alsmede de namen van de controleurs. Voorts zijn de controlerapporten ondertekend. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college deze rapporten als zodanig niet aan de invorderingsbeschikking ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat wat het gebruik van gebouw 3 betreft op 10 september 2015 een dwangsom is verbeurd, aangezien volgens hem op dat moment de begunstigingstermijn nog niet was verstreken.

7.1. Bij het in rechte onaantastbare besluit van 8 januari 2015 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak in beroep. De Afdeling overweegt dat indien in een handhavingsbesluit een termijn is gesteld, waarbinnen de last moet worden uitgevoerd, deze termijn in hele dagen geldt, beginnend op de eerste hele dag na de dag waarop een gebeurtenis, waaraan de aanvang van de termijn is verbonden, heeft plaatsgevonden. Die gebeurtenis kan bijvoorbeeld het nemen van een besluit, het doen van een uitspraak of de verzending van een besluit of uitspraak zijn. Een andere opvatting, waarbij wordt uitgegaan van aanvang van de termijn op de dag van de gebeurtenis, zou tot gevolg hebben dat, afhankelijk van het tijdstip op de dag waarop die gebeurtenis zich voordoet, de gestelde termijn feitelijk wordt bekort.

De rechtbank heeft op donderdag 30 juli 2015 uitspraak gedaan. Vrijdag 31 juli 2015 is de eerste hele dag na de uitspraak van de rechtbank. De termijn begon derhalve op vrijdag 31 juli 2015 en liep tot en met donderdag 10 september 2015. Anders dan waarvan het college is uitgegaan, moest de last derhalve eerst op 11 september 2015 zijn uitgevoerd, zodat op 10 september 2015 geen dwangsom is verbeurd. Het college heeft in zoverre dan ook ten onrechte een dwangsom van € 1.500,00 ingevorderd.

Het betoog slaagt.

8. [appellant] betwist voorts dat op 17 september 2015 wat het gebruik van gebouw 3 betreft, een dwangsom is verbeurd. Hij stelt dat op die datum reeds aan de desbetreffende last was voldaan. Volgens [appellant] is het gebruik van gebouw 3 ten behoeve van kantooractiviteiten vanaf 1 september 2015 gestaakt, waarbij hij erop wijst dat ten behoeve van zijn bedrijf vanaf dat moment elders kantoorruimte wordt gehuurd.

8.1. Het college heeft zich bij de invorderingsbeschikking op het standpunt gesteld dat niet aan de opgelegde last is voldaan omdat uit het controlerapport, opgemaakt van het bezoek aan het perceel op 17 september 2015, blijkt dat op die datum in gebouw 3 nog kantoorvoorzieningen als bureaus, computers en ordners aanwezig waren, terwijl de last strekt tot het verwijderen en verwijderd houden daarvan.

In het controlerapport is vermeld dat in de ruimte achter een nieuw geplaatste wand een tafel met daarop een printer stond en deze ruimte voor het overige leeg was. Op in het rapport opgenomen foto’s is een aangrenzende ruimte te zien met daarin een tafel met zes stoelen, een open kast en een bureau met een bureaustoel. De Afdeling constateert dat de op de foto’s zichtbare inrichting van de ruimtes zich niet onderscheidt van een gebruikelijke wooninrichting. Deze inrichting vormt als zodanig geen aanwijzing dat de ruimtes worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling in het controlerapport dat achter het rechterraam van het gebouw zich het nog in gebruik zijnde kantoorgedeelte bevindt, is, gezien de in het rapport opgenomen foto’s, onvoldoende voor het oordeel dat op grond van het controlerapport is vast komen te staan dat gebouw 3 op 17 september 2015 nog werd gebruikt voor bedrijfsdoeleinden.

Het college heeft in een aanvullend rapport, opgesteld naar aanleiding van de zitting van de voorzieningenrechter van de Afdeling op 19 november 2015, het controlerapport toegelicht. In het aanvullende rapport staat dat is geconstateerd dat bureaus, computers en ordners aanwezig waren in gebouw 3. Het aanvullende rapport bevat een uitvergroting van een, aan de buitenzijde van gebouw 3 genomen, foto die ook in het controlerapport is opgenomen. Op de uitvergrote foto zijn achter een venster de contouren van een bureaublad en een computer waar te nemen. Uit deze foto blijkt niet dat de foto’s in het controlerapport geen juist beeld van de situatie op 17 september 2015 geven. De opmerking in het aanvullende rapport dat is geconstateerd dat kantoorvoorzieningen aanwezig waren, is niet onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk gemaakt dat gebouw 3 op 17 september 2015 werd gebruikt ten behoeve van bedrijfsdoeleinden en daarin nog kantoorvoorzieningen aanwezig waren. Het college heeft zich bij de invorderingsbeschikking dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat wat betreft het gebruik van gebouw 3 en daarin aanwezige kantoorvoorzieningen op 17 september 2015 een dwangsom is verbeurd.

Het betoog slaagt.

9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. Het besluit van 28 oktober 2015 dient te worden vernietigd.

Proceskosten

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 juli 2015 in zaak nr. 15/150, voor zover het betreft de handhaving wat betreft de totale oppervlakte van de gebouwen 2 en 3;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verzonden 12 december 2014, kenmerk 1449-40-REO-C.D., voor zover het betreft de handhaving wat betreft de totale oppervlakte van de gebouwen 2 en 3;

V. bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. verklaart het beroep gegrond;

VII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 28 oktober 2015, kenmerk 1543-493-IO-PK;

VIII. treft de voorlopige voorziening dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 17 juni 2014, kenmerk TTCE/2013/1382, wat de ter zake van de gebouwen 2 en 3 opgelegde last betreft, wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van een nieuw besluit op bezwaar;

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.037,70 (zegge: tweeduizend zevenendertig euro en zeventig cent), waarvan een bedrag van € 1.984 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

163.