Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3373

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201509205/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college een door [appellant] ingediend verzoek op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) om verstrekking van informatie afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Privacy en persoonsgegevens 2017/1166
JBP 2016/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509205/1/A3.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 december 2015 in zaak nr. 15/1679 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college een door [appellant] ingediend verzoek op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) om verstrekking van informatie afgewezen.

Bij uitspraak van 10 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te 's-Hertogenbosch, en door mr. M.H.P. Lucassen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is ontslagen als medewerker van de gemeente Nederweert. In verband daarmee heeft hij het college op grond van de Wbp verzocht om verstrekking van een afschrift van het advies dat het advocatenkantoor Capra op 24 december 2008 aan het college heeft uitgebracht. Tevens heeft hij verzocht om verstrekking van informatie over het doel van het advies en over de ontvangers en herkomst van de daarin opgenomen gegevens.

Bij het besluit van 28 april 2015 heeft het college het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft de motivering van de afwijzing ondeugdelijk geacht en het besluit daarom vernietigd. Zij heeft de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten omdat het verzoek naar haar oordeel moest worden afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat het advies van Capra geen deel uitmaakt van een bestand als bedoeld in de Wbp, zodat de Wbp niet van toepassing is.

2. [appellant] bestrijdt de instandlating van de rechtsgevolgen van het besluit van 28 april 2015 door de rechtbank. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn verzoek moest afwijzen. Hij voert daartoe aan dat het advies van Capra in een dossier is opgenomen en dus deel uitmaakt van een bestand, zodat de Wbp van toepassing is. Het advies houdt geen persoonlijke beleidsopvattingen in, omdat het ten grondslag moet hebben gelegen aan zijn ontslag. Het traject dat is uitgemond in zijn ontslag is niet inzichtelijk en incorrect verlopen en heeft ertoe geleid dat hij langdurig ziek is geworden en een burn-out en een posttraumatische stress-stoornis heeft opgelopen. Het advies is onzorgvuldig tot stand gekomen. Hij wil weten wie welke opvattingen over hem heeft geuit, omdat hij nog steeds niet weet wat de werkelijke reden van zijn ontslag is. Om al deze redenen heeft hij belang bij kennisneming van het advies. Het college heeft geen belang dat geheimhouding van het advies rechtvaardigt, aldus [appellant].

2.1. De in dit geval relevante bepalingen van de Wbp luiden als volgt:

Artikel 1:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

c. bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen;

[…]."

Artikel 2:

"1. Deze wet is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

[…]"

Artikel 35:

"1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

[…]"

2.2. Ter beoordeling staat in de eerste plaats of het verzoek van [appellant] ziet op gegevens die onder de reikwijdte van de Wbp vallen, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van deze wet.

Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wbp, is deze wet allereerst van toepassing op geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2594, is daarbij niet van belang of de persoonsgegevens in een bestand zijn opgenomen. Na met toestemming van [appellant] overeenkomstig artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van het advies van Capra, heeft de Afdeling vastgesteld dat het advies enkel een papieren document is. Derhalve gaat het hier niet om geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens.

De Wbp is, gelet op artikel 2, eerste lid, ook van toepassing op niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, mits deze gegevens in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. Met een bestand wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wbp een gestructureerd geheel van persoonsgegevens bedoeld dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen. Zoals volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbp (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 53-55) en zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in voormelde uitspraak van 16 juli 2014, moet het daarbij gaan om een samenhangend geheel dat systematisch toegankelijk is. Het vereiste van een samenhangend geheel houdt in dat de gegevensverwerking op grond van meer dan één kenmerk een onderlinge samenhang moet vertonen. Deze samenhang kan blijken uit een gemeenschappelijke bestemming of uit het feit dat de verzameling in de praktijk als een geheel wordt beschouwd. Het vereiste van een systematische toegankelijkheid houdt in dat de verwerking een duidelijke, vooraf met het oog op raadpleging aangebrachte structuur moet bezitten. Dossierverzamelingen die uitsluitend bestaan uit een hoeveelheid op alfabet gerangschikte dossiers, met losse aantekeningen en min of meer chronologisch geordende documenten van velerlei aard, voldoen niet aan dit vereiste.

Aangezien het advies van Capra op geen andere personen dan [appellant] betrekking heeft, is het advies zelf geen bestand in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wbp. Het college heeft gesteld dat het advies niet is opgenomen in het personeelsdossier van [appellant]. Dit wordt bevestigd doordat [appellant] ter zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat hij zijn personeelsdossier driemaal heeft ingezien en het advies toen niet heeft aangetroffen. Voorts kan geen wettelijke bepaling worden aangewezen op grond waarvan het college verplicht zou zijn om het advies toe te voegen aan het personeelsdossier. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat het advies is opgeborgen in een kluis van de personeelsafdeling van de gemeente, waarin zich losse stukken bevinden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze toelichting onjuist is. Nu de in de kluis opgeborgen stukken geen samenhangend en systematisch toegankelijk geheel vormen, maakt het advies geen deel uit van een bestand in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wbp. Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wbp, is deze wet daarom niet van toepassing op het advies.

Hetgeen [appellant] aanvoert over zijn belang bij kennisneming van het advies en over het belang van het college bij geheimhouding ervan, kan, wat daar verder van zij, niet leiden tot het door [appellant] daarmee beoogde resultaat. De aangevoerde omstandigheden zijn, gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wbp, niet relevant om te bepalen of deze wet van toepassing is.

Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] moest afwijzen. Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd voor zover aangevallen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Borman w.g. De Vries

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

582.