Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201407842/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2013, kenmerk BS132013, heeft het college op grond van artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) vergunning verleend voor het uitbreiden/wijzigen van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407842/1/R2.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob) en de vereniging Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2013, kenmerk BS132013, heeft het college op grond van artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) vergunning verleend voor het uitbreiden/wijzigen van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 6 augustus 2014, kenmerk 810700C1, heeft het college het door Mob en Leefmilieu hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben Mob en Leefmilieu beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mob en Leefmilieu hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2015, waar Mob en Leefmilieu, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door drs. P.C. Meeuwissen, ing. W.H.F. Kerpershoek en mr. M. Uittenbosch, zijn verschenen.

Overwegingen

Intrekking

1. Mob en Leefmilieu hebben ter zitting de beroepsgronden die zien op de bevoegdheid en de rechtsgeldige emissies, ingetrokken.

Het besluit

2. Het college heeft bij het bestreden besluit een vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en 19d van de Nbw 1998 verleend ten behoeve van het wijzigen/uitbreiden van voornoemde veehouderij. Voorafgaand aan het verlenen van de Nbw-vergunning heeft het agrarisch bedrijf een verzoek gedaan om saldering krachtens de Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000 provincie Utrecht (hierna: de stikstofverordening) en heeft het college daaromtrent een salderingsbesluit genomen. Het college heeft bij de verlening van de vergunning dit salderingsbesluit, op basis waarvan saldo uit de depositiebank aan de veehouderij is toegekend, betrokken.

In het bestreden besluit is geconcludeerd dat geen sprake is van een toename van de emissie, zodat het toekennen van saldo aan de veehouderij niet nodig is.

Voorschrift 4

3. Mob en Leefmilieu betogen dat in het bestreden besluit ten onrechte voorschrift 4 is gehandhaafd. Zij wijzen er in dit verband op dat dit voorschrift ziet op de maximale depositie die volgens het salderingsbesluit door de veehouderij mag worden uitgestoten, terwijl het college zich in het bestreden besluit op het standpunt stelt dat niet meer gesaldeerd wordt.

3.1. Aan de vergunning is, onder nummer 4, het volgende voorschrift verbonden: "De jaargemiddelde depositie in mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten mag niet meer bedragen dan in tabel 3 van het salderingsbesluit is aangegeven".

3.2. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, nu niet meer gesaldeerd wordt, voorschrift 4 niet meer van belang is en ten onrechte in het bestreden besluit is gehandhaafd. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover voorschrift 4 daarbij is gehandhaafd, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

Conclusie en toekenning proceskosten

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover voorschrift 4 is gehandhaafd, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van Mob en Leefmilieu alsnog gegrond te verklaren, het besluit van 15 oktober 2013 te herroepen voor zover het betreft voorschrift 4 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 6 augustus 2014, voor zover vernietigd.

Naar aanleiding van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, ingediend voordat het college op de bezwaren heeft beslist, zal de Afdeling de hoogte van het aan Mob en Leefmilieu te vergoeden bedrag ten behoeve van de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten vaststellen. Daarbij merkt de Afdeling op dat geen aanleiding bestaat de kosten voor het houden van een hoorzitting te vergoeden, nu uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken volgt dat Mob en Leefmilieu hebben afgezien van de mogelijkheid om te worden gehoord op een hoorzitting specifiek ten behoeve van de behandeling van het bezwaarschrift met betrekking tot deze zaak.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 6 augustus 2014, kenmerk 810700C1, voor zover voorschrift 4 daarbij is gehandhaafd;

III. verklaart het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2013, kenmerk BS132013, gegrond;

IV. herroept het besluit van 15 oktober 2013, voor zover het betreft voorschrift 4;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 6 augustus 2014, voor zover vernietigd;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van de bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van in totaal € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Jager, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. De Jager

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016