Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3369

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
201604733/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Pionierkwartier, fase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/88
JOM 2017/1154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604733/1/R2.

Datum uitspraak: 21 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Veenendaal,

appellant,

en

de raad van de gemeente Veenendaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Pionierkwartier, fase 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2016, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door G. Drost en drs. M. van Nie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plangebied maakt deel uit van het zogenoemde Pionierskwartier in Veenendaal. Met het plan wordt beoogd in het plangebied een gebouw mogelijk te maken met in de onderlaag een ruimte voor (maatschappelijke) dienstverlening en in de twee bouwlagen daarboven huurappartementen. Ten behoeve daarvan is aan het grootste deel van het plangebied de bestemming "Gemengd" met de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)=13" toegekend.

2. [appellant] woont in de directe omgeving van het plangebied en kan zich niet met de in het plan voorziene ontwikkelingen verenigen. Daartoe voert hij aan dat de gronden waarop het plan betrekking heeft, ten onrechte op een te korte termijn zijn gegund aan een projectontwikkelaar die daarop het genoemde gebouw met dienstverlening en appartementen wil ontwikkelen.

[appellant] stelt dat een wethouder van de gemeente Veenendaal verschillende toezeggingen heeft gedaan aan omwonenden van het plangebied, die niet gestand zijn gedaan. Volgens [appellant] heeft de desbetreffende wethouder aan omwonenden toegezegd dat zij zeker vijf jaar zouden kunnen genieten van de dierenweide die ten tijde van die uitlating in het plangebied aanwezig was. Verder heeft de wethouder in kwestie volgens [appellant] beloofd dat de gronden in het plangebied na die periode aan particulieren zouden worden gegund, zodat zij daar hun eigen woningen zouden kunnen bouwen in de vorm van laagbouw. De ontwikkeling die nu wordt mogelijk gemaakt is niet in overeenstemming met die toezeggingen, betoogt [appellant]: die ontwikkeling vindt op te korte termijn plaats, bestaat uit hoogbouw en wordt gerealiseerd door een projectontwikkelaar, niet door particulieren die hun eigen huizen willen bouwen. [appellant] stelt dat genoemde wethouder bij het mogelijk maken van deze ontwikkeling de waarheid bewust geweld heeft aangedaan door te ontkennen dat zij voornoemde toezeggingen heeft gedaan.

3. In reactie op het beroepschrift van [appellant] neemt de raad het standpunt in dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is. Daartoe wijst de raad erop dat [appellant] geen zienswijze over het ontwerpplan heeft ingediend, terwijl de wet dat wel eist. Nu [appellant] aan die eis niet heeft voldaan, is het beroep volgens de raad niet-ontvankelijk.

3.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

3.2. Het ontwerpplan is met ingang van 21 januari 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen konden worden ingediend, liep tot en met 2 maart 2016. Gedurende die periode heeft [appellant] een brief gestuurd naar de gemeente, gedateerd 9 februari 2016. De brief vermeldt als onderwerp: "Betreft: klacht m.b.t. moraliteit en integriteit mevrouw […]/Wob-verzoek."

De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of die brief als zienswijze over het ontwerpplan kan worden aangemerkt. [appellant] heeft dienaangaande aangevoerd dat bij het gemeentebestuur bekend was dat hij het oneens was met de invulling van het plangebied. Daarom moet zijn brief van 9 februari 2016 volgens hem als zienswijze worden aangemerkt.

De Afdeling stelt vast dat in de brief alleen wordt gesproken over het optreden van de voornoemde wethouder van de gemeente Veenendaal en vraagtekens worden gezet bij de motieven van die wethouder. De brief bevat geen verwijzingen naar het ontwerp van het bestemmingsplan "Pionierkwartier, fase 1" en bevat evenmin een motivering voor het door [appellant] in deze procedure ingenomen standpunt dat de raad het bestemmingsplan niet in deze vorm had mogen vaststellen. Overigens heeft [appellant] in een brief aan het college van burgemeester en wethouders van 18 maart 2016 bevestigd dat zijn brief van 9 februari 2016 een klacht en een aantal Wob-verzoeken behelst. Over een zienswijze over het ontwerp van het bestemmingsplan "Pionierkwartier, fase 1" schrijft [appellant] niet. Naar het oordeel van de Afdeling kan onder deze omstandigheden de op 9 februari 2016 gedateerde brief van [appellant] dan ook niet worden aangemerkt als zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan. De omstandigheid dat bij het gemeentebestuur bekend was dat [appellant] zich niet kon verenigen met de invulling van het plangebied, maakt het voorgaande niet anders.

Nu [appellant] tijdens de zienswijzetermijn geen zienswijze naar voren heeft gebracht, moet de vraag worden beantwoord of hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Van omstandigheden waardoor het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten het indienen van een zienswijze te hebben nagelaten, is niet gebleken.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G. Klapwijk, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Klapwijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016

726.