Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:336

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201502455/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2013 heeft het college aan [appellante] een vergunning verleend voor het geheel of gedeeltelijk onttrekken aan de woonbestemming van de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] in IJmuiden.

Wetsverwijzingen
Huisvestingswet 2014
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2016/63
JOM 2016/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502455/1/A3.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 februari 2015 in zaak nr. 14/1216 in het geding tussen:

[belanghebbende], wonend te IJmuiden, gemeente Velsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Velsen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2013 heeft het college aan [appellante] een vergunning verleend voor het geheel of gedeeltelijk onttrekken aan de woonbestemming van de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] in IJmuiden.

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2015 heeft de rechtbank het door [belanghebbende] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 21 januari 2016 aan de orde gesteld, waar geen der partijen is verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 28 november 2013 heeft het college, op grond van artikel 23 van de Huisvestingsverordening Velsen 2011 (hierna: de Verordening), aan [appellante] een vergunning verleend om de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] in IJmuiden geheel of gedeeltelijk aan de woonbestemming te onttrekken, zodat deze gezinswoningen gebruikt kunnen worden voor een ander doel dan permanente bewoning door een huishouden. [belanghebbende] is woonachtig in de gezinswoning op [locatie 3] en stelt veel overlast te ondervinden door het zeer intensieve gebruik van de woningen door de - voorheen illegale - kamerverhuur. Die overlast bestaat uit contactgeluid, burengerucht en verstoring van de openbare orde. Het college heeft zich in het besluit van 18 februari 2014 op het standpunt gesteld dat een toetsingsgrond als 'leefbaarheid van straat dan wel wijk' niet in de Verordening voorkomt. Voorts is de overlast in principe niet te wijten aan het gebruik van de panden voor kamerverhuur als zodanig, maar aan de aard van de dan wel van sommige huurders.

2. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Verordening is het verboden om zonder vergunning van het college woonruimte:

a. geheel of gedeeltelijk aan de woonbestemming te onttrekken. Onder onttrekken wordt verstaan het slopen of het gebruiken voor een ander doel dan permanente bewoning door een huishouden. Onder gedeeltelijk onttrekken wordt verstaan een zodanige onttrekking van woonruimte, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang dan waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is;

b. met andere woonruimte samen te voegen;

c. om te zetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, verleent het college de vergunning, als bedoeld in artikel 23, wanneer naar zijn oordeel het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang groter is dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woningvoorraad.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het college in het besluit van 18 februari 2014 ten onrechte de leefbaarheid niet als toetsingscriterium heeft meegewogen. Ze heeft daarbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006 in zaak nr. 200600355/1, overwogen dat bij het belang van de bescherming van het behoud of de samenstelling van de woningvoorraad ook de leefbaarheid een rol speelt. Dat dit uitsluitend het geval is als de leefbaarheid uitdrukkelijk als toetsingscriterium in de huisvestingsverordening is opgenomen, volgt niet uit de overwegingen van de Afdeling, aldus de rechtbank.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de leefbaarheid volgens de Huisvestingswet, noch volgens de Verordening, noch volgens de wetsgeschiedenis, een in acht te nemen criterium is bij de verlening van een onttrekkingsvergunning, althans niet in de zin van een toets naar de effecten van een bepaalde wijze van bewonen op de omgeving. Daartoe voert [appellante] aan dat de Afdeling in de uitspraak van 22 november 2006 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens [appellante] wordt in de memorie van antwoord bij de Huisvestingswet (Kamerstukken II 1990/91, 20 520, nr. 5) de term omgeving niet zodanig gebruikt dat bij vergunningverlening kan dan wel moet worden gekeken naar de effecten van de wijze van bewonen op omliggende panden en hun bewoners. De opmerking daarin over de leefbaarheid van gemeenten ziet volgens [appellante] niet op concrete gevallen, zoals buren. Voorts gaat de Huisvestingswet niet over omgevingsaspecten in de zin van het omgevingsrecht. Tot slot merkt [appellante] op dat de door de rechtbank aangehaalde uitspraken van de Afdeling gevallen betroffen waarbij in de betreffende huisvestingsverordeningen daadwerkelijk een omgevingstoets naar leefbaarheid was opgenomen.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 201104643/1/A3) dient bij de belangenafweging in het kader van de beslissing op een aanvraag om verlening van een onttrekkingsvergunning ook de leefbaarheid in de omgeving van de desbetreffende woonruimte te worden betrokken, nu de Huisvestingswet, mede die leefbaarheid beoogt te beschermen door regulering van de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Dat de Verordening een dergelijk criterium niet uitdrukkelijk vermeldt, maakt dat niet anders. Derhalve dient bij de beslissing op een aanvraag om verlening van een onttrekkingsvergunning ook te worden onderzocht of de leefbaarheid in de omgeving door de onttrekking van de woonruimte in het gedrang komt, hetgeen aanleiding kan geven tot weigering van de gevraagde vergunning. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 19 augustus 2015 in zaak nr. 201410256/1/A1) komt het college bij de beoordeling of verlening van een vergunning ten behoeve van kamerverhuur tot een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu in de omgeving van het desbetreffende pand leidt, beoordelingsvrijheid toe, zodat de rechter die beoordeling door het college terughoudend dient te toetsen. Dat laat, aldus de Afdeling, evenwel onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van met name zorgvuldigheid en kenbaarheid en deugdelijkheid van de motivering die het recht daaraan stelt.

4.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2013 in zaak nr. 201202768/1/R4 verschilt deze beoordeling van de beoordeling of kamerbewoning ter plaatste strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan gaat het om de beoordeling van de afweging of een bestemming die kamerbewoning toestaat dan wel uitsluit vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Deze beoordeling en afweging is een andere dan de afweging die plaatsvindt bij de beoordeling van de vraag of in een concreet geval voor een woonruimte al dan niet een omzettingsvergunning op grond van de Huisvestingswet en -verordening kan worden verleend. Gelet hierop kan [appellante] niet worden gevolgd in haar betoog dat de beoordeling van de leefbaarheid in het kader van de Huisvestingswet en de Verordening niet ziet op concrete gevallen, zoals buren.

4.3. Het betoog faalt.

5. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank [belanghebbende] niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn bezwaar en beroep wegens het ontbreken van belang, omdat een onttrekkingsvergunning in de zin van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening hier niet aan de orde is. Daartoe voert [appellante] aan dat het omzetten van een zelfstandige woonruimte naar kamerverhuur valt onder artikel 23, eerste lid, aanhef en onder c. Volgens [appellante] is die omzettingsvergunning haar van rechtswege verleend.

5.1. Het college heeft aan [appellante] een vergunning als bedoeld in artikel 23 van de Verordening verleend met als doel kamerverhuur in de betreffende panden mogelijk te maken, waarmee het college op de aanvraag van [appellante] van 18 september 2013 heeft beslist. Daargelaten de vraag of het college in plaats van een onttrekkingsvergunning een omzettingsvergunning had moeten verlenen, dient het college, gelet op artikel 24, eerste lid, in beide gevallen te beoordelen of het daarmee gediende belang groter is dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woningvoorraad. Zodoende had [belanghebbende] wel degelijk belang bij zijn bezwaar en beroep.

Gezien het vorenstaande en in aanmerking genomen dat paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de Huisvestingswet noch in de Verordening van toepassing is verklaard, faalt het betoog dat [appellante] van rechtswege een omzettingsvergunning is verleend.

5.2. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De te bevestigen aangevallen uitspraak heeft tot gevolg dat het college een nieuw besluit op het door [belanghebbende] gemaakte bezwaar dient te nemen.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen dat nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Velsen tot vergoeding van bij [belanghebbende] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Slump w.g. Van Deventer-Lustberg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016

587.