Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
201504745/2/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:2529, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2014, verzonden op 20 augustus 2014, heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 1] om een toevoeging voor het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504745/2/A2.

Datum uitspraak: 14 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2015 in zaak nr. 14/8351 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2014, verzonden op 20 augustus 2014, heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 1] om een toevoeging voor het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2014 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 30 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2016, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], advocaat te Amsterdam, vergezeld door mr. dr. C. Raat, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:652) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zes weken na de verzending van die tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 6 november 2014 te herstellen en een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden.

Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 11 april 2016 heeft de raad ter uitvoering van deze tussenuitspraak de motivering van het besluit van 6 november 2014 aangevuld en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 18 augustus 2014 kennelijk ongegrond verklaard.

[appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2016, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 25 juli 2014 is een aanvraag om een toevoeging ingediend. De aanvraag heeft betrekking op rechtsbijstand aan [appellant sub 1] door [appellant sub 2], advocaat, ten behoeve van het bij de Belastingdienst indienen van een verzoek om herziening van de aangifte inkomstenbelasting 2011.

2. Bij besluit van 18 augustus 2014 heeft de raad de aanvraag om een toevoeging afgewezen, omdat voor bezwaar bij de Belastingdienst geen toevoeging wordt verstrekt als het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard.

3. Bij besluit van 6 november 2014 heeft de raad het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat [appellant sub 2] enkel namens zichzelf bezwaar heeft gemaakt en zij als rechtsbijstandverlener vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang geen belanghebbende is bij een besluit als het onderhavige, zodat zij daartegen geen bezwaar kon maken.

4. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] ongegrond en het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk verklaard.

5. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de raad het bezwaar van [appellant sub 2] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de raad het door rechtsbijstandverlener [appellant sub 2] ingediende bezwaar had dienen te begrijpen als mede ingediend namens [appellant sub 1] als rechtzoekende en aanvrager van de toevoeging. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de raad bij het besluit op bezwaar van 6 november 2014 ten onrechte niet op het bezwaar van [appellant sub 1] heeft beslist.

6. Gelet hierop is het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 1], gegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant sub 1] ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 6 november 2014 dient, voor zover dit betrekking heeft op het bezwaar van [appellant sub 1], te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

7. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen om opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 1] te beslissen.

8. Bij besluit van 11 april 2016 heeft de raad het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit

van 18 augustus 2014 kennelijk ongegrond verklaard. Daaraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat de aanvraag om een toevoeging betrekking heeft op het indienen van een herzieningsverzoek bij de Belastingdienst ten aanzien van een reeds in 2013 definitief vastgestelde aanslag Inkomstenbelasting over het jaar 2011. Het geschil is beperkt tot het vragen van een verlaging van het loon van [appellant sub 1] als directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap. Daarvoor wordt in beginsel geen toevoeging verstrekt, tenzij de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van de zaak dat vereist of sprake is van zwaarwegende belangen van de rechtzoekende. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat uit hetgeen [appellant sub 1] in zijn algemeenheid heeft aangevoerd, niet kan worden afgeleid dat het geschil bijzonder feitelijk of juridisch ingewikkeld is. De gronden zijn niet juridisch van aard en hebben niet te maken met de toepassing of uitleg van rechtsregels. Evenmin is er een veelheid aan juridisch relevante feiten op grond waarvan feitelijke ingewikkeldheid moet worden aangenomen. [appellant sub 1] wordt geacht zelf in staat te zijn om navraag te doen naar de mogelijkheden om als directeur van een besloten vennootschap een lager inkomen vastgesteld te krijgen en een verzoek tot verlaging in te dienen. De vragen die de Belastingdienst voorts over de eigen woning heeft gesteld zijn feitelijk van aard en betreffen informatie die [appellant sub 1] bij uitstek zelf kan verstrekken, aldus de raad.

9. [appellant sub 1] betoogt dat de raad zijn aanvraag om een toevoeging ten onrechte heeft afgewezen. Daarbij wijst hij er eerst op dat hij niet is gehoord en dat hij nu pas de mogelijkheid krijgt om te reageren op het inhoudelijke besluit zonder dat er hierna nog beroep mogelijk is. Dat is volgens hem in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Voorts voert hij aan dat zijn aanvraag niet had kunnen worden afgewezen op grond van de afwijzingsgronden neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: Brt), nu het geschil niet slechts van feitelijke of rekenkundige aard is. Het geschil betreft de uitleg van het begrip gebruikelijk loon als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 en de toepassing daarvan door de Belastingdienst bij de belastingheffing. Over die kwestie bestaat veel en complexe jurisprudentie en het geschil is in die zin juridisch bijzonder ingewikkeld. Van hem kan niet worden verwacht dat hij die kennis heeft en daarover zelf met de Belastingdienst onderhandelt. Nu hij niet over de door de Belastingdienst gevraagde documenten beschikt, riskeert hij bovendien een aanzienlijke bestuurlijke boete.

9.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan het bestuur de toevoeging weigeren indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van het bestuur eenvoudig afgehandeld kan worden.

Ingevolge het tweede lid kunnen bij de in artikel 12, derde lid, van deze wet bedoelde algemene maatregel van bestuur omtrent het in het eerste lid bepaalde nadere regels worden gesteld.

Vorenbedoelde algemene maatregel van bestuur is het Brt.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Brt wordt geen toevoeging verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak, indien het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een toevoeging worden verleend, indien de bijzondere of feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist.

9.2. In de aanvraag om een toevoeging die op 25 juli 2014 namens [appellant sub 1] bij de raad is ingediend, is vermeld dat in de aangifte inkomstenbelasting 2011 een fout is gemaakt en dat om die reden een herzieningsverzoek zal moeten worden ingediend. [appellant sub 1] wenst zijn fiscaal inkomen over 2011 lager vastgesteld te zien.

Niet valt in te zien waarom hij een verzoek om verlaging niet zelf bij de Belastingdienst kan indienen. Dit kan aan de hand van een op zichzelf eenvoudig, feitelijk betoog.

De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vragen over de woning aan de [locatie] te [plaats], zoals de vraag of het pand wordt verhuurd of te koop staat, van feitelijke aard zijn waarvoor ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Brt geen toevoeging wordt verleend. De bewijsstukken waar de Belastingdienst om heeft verzocht, zoals bijvoorbeeld jaaroverzichten van de hypotheekverstrekker, zijn bij uitstek stukken die hij zelf kan verstrekken.

Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat het geschil betrekking heeft op de uitleg van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 en om die reden juridisch ingewikkeld is als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Brt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat uit hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat sprake is van rechtsvragen van uitzonderlijke aard of rechtsvragen die slechts incidenteel voorkomen.

Dat hij - naar hij ter zitting heeft gesteld - tot 2015 overspannen is geweest, wat daar ook van zij, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de raad alsnog een toevoeging had moeten verstrekken. Van [appellant sub 1] mocht worden verwacht dat hij, als hij niet zelf daartoe in staat was, met behulp van anderen dan een professionele rechtsbijstandverlener - vrienden, familie of eventueel het Juridisch Loket - een herzieningsverzoek zou indienen. Dat hij daarvoor een administratiekantoor heeft ingeschakeld, maar dit kantoor - naar hij stelt - fouten heeft gemaakt waardoor de aanslag te hoog is vastgesteld, is een omstandigheid die voor zijn risico en rekening als ondernemer komt.

De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag betrekking heeft op een geschil van feitelijke aard als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Brt en dat uit hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat het geschil zodanig feitelijk of juridisch ingewikkeld is dat op grond van artikel 8, tweede lid, van het Brt alsnog een toevoeging had moeten worden verstrekt. De stelling van [appellant sub 1] dat hij een aanzienlijke bestuurlijke boete riskeert, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat hij in bezwaar had moeten worden gehoord, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat niet van enige complexiteit is gebleken en een mondelinge toelichting op het bezwaarschrift niet tot een ander besluit had geleid.

Voor zover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat hij nu pas de mogelijkheid krijgt om te reageren zonder dat er hierna nog beroep mogelijk is, wordt overwogen dat artikel 8:51d van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:51a van die wet aan de Afdeling de bevoegdheid biedt om een bestuursorgaan een gebrek in een besluit te laten herstellen. Die bevoegdheid bestaat ook indien het gebrek erin bestaat dat op het bezwaar ten onrechte niet is beslist. Bij besluit van 11 april 2016 heeft de raad ter uitvoering van de door de Afdeling in deze zaak gedane tussenuitspraak op het bezwaar van [appellant sub 1] beslist en dit kennelijk ongegrond verklaard. [appellant sub 1] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hierover kenbaar te maken, van welke gelegenheid hij bij brief van 16 mei 2016 gebruik heeft gemaakt. [appellant sub 1] heeft daarbij niet te kennen gegeven nog andere argumenten over het besluit van 11 april 2016 naar voren te willen brengen. Daarbij heeft hij ter zitting de mogelijkheid gekregen zijn beroep nader toe te lichten. Derhalve bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat artikel 6 van het EVRM is geschonden.

Het betoog faalt.

10. Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen het besluit van 11 april 2016 is ongegrond.

11. [appellant sub 1] heeft een verzoek ingediend om de raad op grond van artikel 8:88 van de Awb te veroordelen tot volledige vergoeding van de werkelijke kosten van in totaal € 3.826,67 die hij heeft moeten maken voor de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedure over het verzoek om een toevoeging.

11.1. De vergoeding van de kosten in de bezwaar- en beroepsprocedure kan slechts met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) plaatsvinden. In artikel 1 van het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de kosten wordt forfaitair vastgesteld op grond van artikel 2 van het Bpb en de bijlage van het Bpb. Gelet op dit limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, is voor een volledige vergoeding van de door [appellant sub 1] gestelde kosten in bezwaar en beroep langs de weg van artikel 8:88 van de Awb geen plaats.

12. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2015 in zaak nr. 14/8351 in zoverre;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 1], gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 6 november 2014, kenmerk 141874/4KT4475/er, voor zover dit betrekking heeft op het bezwaar van [appellant sub 1];

V. verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 11 april 2016 ongegrond;

VI. verklaart het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant sub 2] ongegrond;

VII. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2015 in zaak nr. 14/8351 in zoverre;

VIII. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.232,00 (zegge: tweeëntwintighonderd tweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 293,00 (zegge: tweehonderddrieënnegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Kramer w.g. Rijsdijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016

705.