Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
201401868/4/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2014, kenmerk 13RB000174, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Randwijkse Waarden" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401868/4/R1.

Datum uitspraak: 14 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Heteren, gemeente Overbetuwe,

en

de raad van de gemeente Overbetuwe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2014, kenmerk 13RB000174, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Randwijkse Waarden" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.J. Molenaar, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door ing. A.H. van der Wielen en B. Colen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. A.M. Scharff, advocaat te Tiel, en [persoon A], werkzaam bij [belanghebbende], als partij, en zijn ir. J.G.M. Rademakers en ing. A. van Straten, als deskundigen gehoord.

Bij tussenuitspraak van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:348, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van die tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 7 januari 2014 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 16 juni 2015, kenmerk 15RB000043, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Randwijkse Waarden" gewijzigd vastgesteld, teneinde het gebrek dat in de tussenuitspraak is genoemd te herstellen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellante] en [belanghebbende] over het nieuwe besluit van 16 juni 2015 een zienswijze naar voren gebracht.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 2 december 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.J. Molenaar, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door ing. A.H. van der Wielen en J. Rouw, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. A.M. Scharff, advocaat te Tiel, en [persoon B] en [persoon A], beiden werkzaam bij [belanghebbende], als partij, en is dr. H.A.E. Simons als deskundige gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De Afdeling heeft de raad verzocht nadere informatie te verschaffen. De raad heeft hier bij brief van 4 maart 2016 op geantwoord. [appellante] en [belanghebbende] zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren en hebben dit gedaan bij brieven van 21 maart 2016, onderscheidenlijk 18 maart 2016.

Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Bij tweede tussenuitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1223, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van die tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 16 juni 2015 te herstellen. Deze uitspraak is eveneens aangehecht.

Bij besluit van 30 augustus 2016, kenmerk 16rb000050, heeft de raad ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak het bestemmingsplan "Buitengebied, Randwijkse Waarden" opnieuw gewijzigd vastgesteld.

[appellante] en [belanghebbende] zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Van deze gelegenheid hebben zij geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 4 mei 2016 overwogen dat de instandhouding van de 10 parkeerplaatsen, die de raad noodzakelijk achtte met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de recreatiebestemming, ten onrechte niet in de voorwaardelijke verplichting in artikel 6, lid 6.3.2, van de planregels, was geborgd. Gelet op hetgeen in 9.4 en 10 van de tussenuitspraak van 4 mei 2016 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 16 juni 2015, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 6, lid 6.1, onder a, b en c, van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2. Het beroep van rechtswege van [appellante] tegen het besluit van 16 juni 2015 is in zoverre gegrond. Het besluit van 16 juni 2015, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 6, lid 6.1, onder a, b en c, van de planregels, dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

3. Bij tussenuitspraak van 4 mei 2016 heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van hetgeen in 9.4 van die tussenuitspraak is overwogen een gewijzigde planregeling vast te stellen.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 30 augustus 2016 het bestemmingsplan "Buitengebied, Randwijkse Waarden" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld. De raad heeft met dit besluit de voorwaardelijke verplichting in artikel 6, lid 6.3.2, van de planregels gewijzigd vastgesteld. Dit artikel luidt: "Het gebruik van de gronden in het kader van de onder 6.1 a. t/m c genoemde doeleinden is uitsluitend toegestaan indien en voorzover ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ 10 parkeerplaatsen zijn aangelegd en in stand worden gehouden."

5. Het besluit van 30 augustus 2016 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van dit geding. Het beroep van [appellante] wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

6. [appellante] heeft naar aanleiding van het besluit van 30 augustus 2016 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat zij geen bezwaren heeft tegen het besluit van 30 augustus 2016.

De beroepsgronden van [appellante] ten aanzien van de plan(onder)delen die geen betrekking hebben op instandhouding van de 10 parkeerplaatsen in de voorwaardelijke verplichting in artikel 6, lid 6.3.2, van de planregels, worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 augustus 2016. Ten aanzien van deze beroepsgronden ziet de Afdeling thans geen aanleiding anders te oordelen dan zij in de twee tussenuitspraken heeft gedaan.

7. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

8. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Overbetuwe van 7 januari 2014, kenmerk 13RB000174, gegrond;

II. vernietigt het besluit van 7 januari 2014, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie";

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Overbetuwe van 16 juni 2015, kenmerk 15RB000043, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 16 juni 2015, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 6, lid 6.1, onder a, b en c, van de planregels;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Overbetuwe van 30 augustus 2016, kenmerk 16rb000050 ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Overbetuwe aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Konings

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016

612.