Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
201600193/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:8994, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2015 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600193/1/A3.

Datum uitspraak: 14 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 december 2015 in zaak nr. 15/4914 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2015 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 14 september 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 september 2015 vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 18 januari 2016 heeft de minister het door [appellant] tegen het besluit van 11 augustus 2015 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit herzien.

[appellant] heeft een reactie op dit besluit ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H.O. Nieuwpoort, werkzaam bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: de CVOM), is verschenen.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van hetgeen de minister naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of het hoger beroep van [appellant] wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426), laat artikel 3, derde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

1.2. [gemachtigde] van [appellant], maakt veelvuldig gebruik van zeer algemeen geformuleerde machtigingen, zoals hij ook in dit geval heeft gedaan. Deze machtiging vormt in dit geval, gezien de hierna vermelde omstandigheden, een aanwijzing voor misbruik van recht.

1.3. [gemachtigde] voert als rechtsbijstandverlener vele procedures betreffende verkeersboetes, informatieverzoeken op grond van de Wob en het niet tijdig nemen van besluiten. Derhalve moet hij worden geacht te beschikken over ruime kennis en ervaring op het gebied van het bestuursrecht in het algemeen en de Wob en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) in het bijzonder.

Over de vele door [gemachtigde] gevoerde procedures heeft de minister ter zitting gesteld dat [gemachtigde] in de jaren 2012 tot en met 2015, alleen al in zaken waarbij de CVOM is betrokken, namens 426 cliënten 767 Wob-verzoeken, 250 bezwaarschriften, 135 ingebrekestellingen, 87 beroepschriften en 19 hogerberoepschriften heeft ingediend. De minister heeft voorts gesteld dat [gemachtigde] alleen al voor de door de CVOM behandelde zaken een bedrag van € 142.924,00 aan dwangsommen en proceskostenvergoedingen heeft verkregen.

1.4. Het door [gemachtigde] namens [appellant] ingediende Wob-verzoek heeft betrekking op een aan [appellant] opgelegde verkeersboete. Kennelijk zijn de in het Wob-verzoek vermelde documenten opgevraagd om beroepen tegen die boetebeschikking te kunnen motiveren. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het bestuursorgaan. Artikel 11, vierde lid, en artikel 19, vierde lid, van de Wahv voorzien in een soortgelijk recht hangende beroep bij de kantonrechter, onderscheidenlijk hoger beroep bij het gerechtshof in een procedure tegen een verkeersboete. Gelet op de ruime kennis en ervaring van [gemachtigde], moet ervan worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat voor het opvragen van stukken om de gronden van administratief beroep te formuleren de Wob niet de geëigende grondslag is en voorts dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of voormelde Wahv-bepalingen gebaseerd informatieverzoek, ertoe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan in geval van niet-tijdige besluitvorming aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Dit wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest het informatieverzoek op de Wob te baseren.

1.5. Voorts heeft [gemachtigde] het Wob-verzoek bij de CVOM ingediend voordat hij administratief beroep had ingesteld tegen de verkeersboete. Gezien het grote aantal procedures dat [gemachtigde] heeft gevoerd, wist hij of kon hij redelijkerwijs weten dat de CVOM toen nog niet over documenten betreffende de verkeersboete beschikte, omdat de CVOM die eerst na het instellen van administratief beroep ontvangt. Deze handelwijze duidt erop dat het niet zozeer om openbaarmaking van documenten te doen was, maar om het genereren van procedures om daarmee onder meer proceskostenvergoedingen te kunnen ontvangen.

1.6. Voorts heeft de minister onbetwist gesteld dat [gemachtigde] op basis van ‘no cure no pay’ procedeert. Volgens de door [appellant] aan [gemachtigde] verstrekte machtiging is hij bevoegd om namens hem bedragen aan te nemen "zoals vergoedingen voor proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin van het woord." Een dergelijke wijze van rechtsbijstandverlening heeft tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener rechtstreeks gebaat is bij het verbeuren van dwangsommen door het bestuursorgaan aan zijn cliënten en bij een veroordeling van het bestuursorgaan tot betaling van een proceskostenvergoeding aan zijn cliënten.

1.7. Uit de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat [gemachtigde] de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Hij heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen, nu dat niet los kan worden gezien van het doel waarvoor hij de Wob heeft gebruikt. Zijn handelwijze dient aan [appellant] te worden toegerekend, aangezien hij de betrokken handelingen namens hem heeft verricht en hij hem daartoe heeft gemachtigd.

2. Het besluit van 18 januari 2016 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Nu [appellant] te kennen heeft gegeven dat hij geen bezwaren heeft tegen dat besluit, moet zijn van rechtswege ontstane beroep worden geacht te zijn ingetrokken.

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Borman w.g. Herweijer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016

640.