Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201404167/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-038, heeft de staatssecretaris het gebied "Rijntakken" aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992 L 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB 2006 L 363; hierna: de Habitatrichtlijn) en de besluiten tot aanwijzing van de gebieden IJssel van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/302, en 25 april 2003, kenmerk N/2002/1466, Neder-Rijn van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/339 en 25 april 2003, kenmerk N/2002/1466, Gelderse Poort van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/301, en 25 april 2003, kenmerk N/2002/1464, en Waal van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/307, en 25 april 2003, kenmerk 2002/1465, als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB 1979 L 103), zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2009 L 20) (hierna: Vogelrichtlijn), gewijzigd.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 10a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7193
Milieurecht Totaal 2016/6324
JBO 2016/66 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2016/143
JBO 2016/67 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404167/1/R2.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recreatiepark de Veerstal B.V. gevestigd te Giesbeek, gemeente Zevenaar,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RGV Holding B.V., gevestigd te Arnhem,

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. het college van burgemeester en wethouders van Rhenen,

5. [appellante sub 5], gevestigd te [plaats],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dorado Beach B.V., gevestigd te Doetinchem,

7. het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

8. de stichting Stichting IJsselarm Doesburg-Steenderen, gevestigd te Doesburg,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping IJsselstrand B.V., gevestigd te Doesburg,

10. de besloten vennootschap Rhedermeer Giesbeek B.V. h.o.d.n. Het Zwarte Schaar, gevestigd te Angerlo, gemeente Zevenaar (hierna: Camping Het Zwarte Schaar),

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gieterij Doesburg B.V., gevestigd te Doesburg,

12. [appellante sub 12], gevestigd te [plaats],

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ekstefa B.V., gevestigd te Dordrecht,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rodruza B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Castra B.V., beide gevestigd te Nijmegen,

15. [appellante sub 15], gevestigd te [plaats],

16. de stichting Stichting Landgoed Linschoten, gevestigd te Utrecht,

17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid K3 Delta B.V. gevestigd te Oosterhout, gemeente Nijmegen,

18. [appellante sub 18], gevestigd te [plaats],

19. [appellante sub 19], gevestigd te [plaats],

20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Graansloot Kampen B.V., gevestigd te Kampen,

21. [appellant sub 21], wonend te Zevenaar, en anderen,

22. de vereniging Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie, gevestigd te Arnhem (hierna: GNMF),

23. vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Afdeling Arnhem, gevestigd te Arnhem,

appellanten,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-038, heeft de staatssecretaris het gebied "Rijntakken" aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992 L 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB 2006 L 363; hierna: de Habitatrichtlijn) en de besluiten tot aanwijzing van de gebieden IJssel van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/302, en 25 april 2003, kenmerk N/2002/1466, Neder-Rijn van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/339 en 25 april 2003, kenmerk N/2002/1466, Gelderse Poort van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/301, en 25 april 2003, kenmerk N/2002/1464, en Waal van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/307, en 25 april 2003, kenmerk 2002/1465, als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB 1979 L 103), zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2009 L 20) (hierna: Vogelrichtlijn), gewijzigd.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het StAB-advies). Hiertegen heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 en 31 maart 2015, waar een aantal partijen ter zitting is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de staatssecretaris heeft zich doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel, bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

Toetsingskader begrenzing Natura 2000-gebieden

2. Een groot deel van de beroepen van de appellanten heeft betrekking op de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Ten behoeve van de afdoening van deze beroepen overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar eerder gevestigde jurisprudentie, ten aanzien van de wijze van begrenzen van een Natura 2000-gebied in algemene zin als volgt. Bij de betreffende afzonderlijke beroepen zal waar aangewezen worden verwezen naar de nu volgende, in 2.1 tot en met 2.3, weergegeven algemene overwegingen.

2.1. De Afdeling stelt voorop dat in de uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200908058/1/R2 (www.raadvanstate.nl) is overwogen dat de staatssecretaris bij de aanwijzing een zekere beoordelingsruimte heeft bij de vaststelling van de exacte begrenzing van een Natura 2000-gebied.

2.2. Wat betreft de aanwijzing van het gebied Rijntakken als Vogelrichtlijngebied overweegt de Afdeling dat - gelet op artikel 4 van de Vogelrichtlijn - bij de selectie van gebieden die mogelijk in aanmerking komen voor aanwijzing op grond van de Vogelrichtlijn slechts ornithologische criteria mogen worden gehanteerd. Hierbij verwijst de Afdeling naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: Europese Unie) in de Lappel Bank zaak van 11 juli 1996 (C-44/95; ECLI:EU:C:1996:297) en de Santoña zaak van 2 augustus 1993 (C-355/90; ECLI:EU:C:1993:331) (www.curia.europa.eu).

De gebieden Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal, die thans het Natura 2000-gebied Rijntakken vormen, zijn reeds bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het onderhavige besluit strekt tot een wijziging van die eerdere aanwijzing. Daarbij geldt dat de staatssecretaris op basis van ornithologische criteria een motivering dient te geven voor wijzigingen in de begrenzing. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2011 in zaak nr. 200902443/1/R2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 juni 2011 in zaak nr. 200907767/1/R2) betekent het feit dat hier sprake is van een wijziging van een eerdere aanwijzing tevens dat thans in beginsel slechts die wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in geschil zijn. Het oorspronkelijke besluit is immers rechtens onaantastbaar geworden. De ongewijzigde onderdelen van de eerdere aanwijzing kunnen slechts ter discussie worden gesteld, indien appellanten ter zake nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van het oorspronkelijke besluit - voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden - naar voren brengen en die voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn het besluit op de desbetreffende onderdelen te wijzigen.

Voorts volgt uit de uitspraak van 23 juli 2014 in zaak nr. 201305332/1/R2 dat het enkele feit dat aangrenzende of nabijgelegen gronden mogelijk zijn aan te merken als leef- en/of broedgebied voor één of meer vogelsoorten waarvoor het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen, niet betekent dat die gronden ten onrechte niet zijn aangewezen, noch dat niet is voldaan aan de verplichtingen die Nederland als lidstaat heeft ingevolge de Vogelrichtlijn.

2.3. Met betrekking tot de aanwijzing van het gebied Rijntakken als Habitatrichtlijngebied overweegt de Afdeling dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard kunnen worden betrokken bij de begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98; ECLI:EU:C:2000:600, First Corporate Shipping, punten 16 en 25 (www.curia.europa.eu).

Het gebied Rijntakken is door middel van het voorliggende besluit aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Daarbij geldt dat de staatssecretaris op basis van ecologische criteria een motivering dient te geven voor wijzigingen in de begrenzing ten opzichte van de plaatsing van het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2014 in zaak nr. 201306214/1/R2. In de situatie dat wordt verzocht om gronden al dan niet aan te wijzen als Habitatrichtlijngebied, in afwijking van de plaatsing van het betrokken gebied op de lijst van gebieden van communautair belang, ligt het op de weg van de partij die daarom verzoekt, om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aanleiding geven om het desbetreffende deel van de begrenzing van het gebied te wijzigen.

Het beroep van Recreatiepark De Veerstal B.V. en het beroep van RGV Holding B.V., voor zover gericht tegen de aanwijzing van twee jachthavens

3. RGV Holding B.V. betoogt dat jachthaven De Mars ten onrechte op de bij het besluit behorende kaart is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Zij betoogt dat hiermee wordt afgeweken van de tekst van het aanwijzingsbesluit op grond waarvan jachthavens geen deel uitmaken van het aangewezen gebied.

Voorts betogen Recreatiepark De Veerstal B.V. en RGV Holding B.V. dat jachthaven De Veerstal, gelet op de tekst van het aanwijzingsbesluit, eveneens ten onrechte op de bij het besluit behorende kaart is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Recreatiepark De Veerstal B.V. voert aan dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd op grond waarvan de jachthaven alsnog als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Daarnaast zijn andere jachthavens wel zowel op de kaart als in de tekst van het besluit buiten de begrenzing van het aangewezen gebied gelaten zodat het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, aldus Recreatiepark De Veerstal B.V. Zij vreest dat het gebruik en een eventuele toekomstige wijziging van de jachthaven door de aanwijzing van de jachthaven als Vogelrichtlijngebied worden beperkt.

3.1. De staatssecretaris stelt dat de gebieden ter plaatse van jachthaven De Mars en jachthaven De Veerstal reeds bij besluit van 24 maart 2000 zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Nu de jachthavens zijn aangelegd na de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied, zijn zij niet op grond van de exclaveringsformule zoals opgenomen in de Nota van toelichting bij dat besluit uitgezonderd van het aangewezen gebied, aldus de staatssecretaris. Volgens de staatssecretaris bestaat thans geen aanleiding de begrenzing van het gebied in zoverre te wijzigen.

3.2. De Afdeling stelt vast dat jachthaven De Mars en jachthaven De Veerstal binnen het op de kaart als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied liggen. Het gebied IJssel, waarin de jachthavens liggen en dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is reeds bij besluit van 24 maart 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 25 april 2003, aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

3.3. In paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting bij het besluit van 24 maart 2000 tot aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied IJssel is vermeld dat (jacht)havens geen deel uitmaken van het aangewezen gebied. Uit artikel 2 van het bestreden besluit volgt dat de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 thans is vervangen door de bij dit aanwijzingsbesluit behorende Nota van toelichting. In de Nota van toelichting is de hiervoor genoemde tekstuele uitsluiting van jachthavens niet gehandhaafd, aangezien deze exclavering blijkens de Nota van toelichting aanleiding gaf tot misverstanden. Bij de vaststelling van het besluit heeft de staatssecretaris er daarom voor gekozen om de exclaveringsformule niet meer op te nemen, maar om alle havens die voor exclavering in aanmerking komen op de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaarten uit te zonderen van het aangewezen Vogelrichtlijngebied, aldus de Nota van toelichting.

3.4. Vaststaat dat de gebieden waar jachthaven De Mars en jachthaven De Veerstal gelegen zijn, op de bij het besluit van 24 maart 2000 behorende kaart zijn aangeduid als Vogelrichtlijngebied. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt verder dat de havens na 2000 zijn aangelegd. Voor zover Recreatiepark De Veerstal B.V. en RGV Holding B.V. betogen dat de jachthavens desalniettemin op grond van de in het besluit van 24 maart 2000 opgenomen exclaveringsformule waren uitgezonderd van het aangewezen gebied, heeft de staatssecretaris uiteengezet dat hij bij de uitleg van de exclaveringsformule ten aanzien van de vraag of een voorziening is uitgezonderd van het aangewezen gebied als peildatum de datum hanteert waarop het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. De Afdeling acht dit een aanvaardbaar uitgangspunt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een interpretatie waarbij tevens na de aanwijzing van het gebied gerealiseerde jachthavens zouden zijn uitgezonderd van het aangewezen gebied, tot strijd met de Vogelrichtlijn zou kunnen leiden. Nu vaststaat dat jachthaven De Mars en jachthaven De Veerstal na de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied op 24 maart 2000 zijn aangelegd, volgt daaruit dat deze gebieden onderdeel vormen van het bij dat besluit aangewezen Vogelrichtlijngebied IJssel.

3.5. Het onderhavige besluit strekt tot wijziging van onderdelen van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dan in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde.

3.6. Uit het aanwijzingsbesluit volgt dat de begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied niet is gewijzigd ter plaatse van de jachthavens. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris in de door Recreatiepark De Veerstal B.V. en RGV Holding B.V. naar voren gebrachte redenen geen aanleiding hoeven zien om de huidige begrenzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied te wijzigen. Recreatiepark De Veerstal B.V. en RGV Holding B.V. hebben niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. Weliswaar zijn de jachthavens na de aanwijzing van het gebied aangelegd, zodat in zoverre sprake is van een nieuwe situatie, maar niet gebleken is dat het gebied daardoor niet meer kan bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris te kennen heeft gegeven dat deze gebieden met name in de winterperiode van belang zijn voor de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen, terwijl het gebruik van de jachthavens voornamelijk in de zomerperiode plaatsvindt, hetgeen Recreatiepark De Veerstal B.V. en RGV Holding B.V. niet hebben bestreden.

Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris de begrenzing van het gebied ter plaatse van de jachthavens had moeten wijzigen gelet op het gelijkheidsbeginsel, reeds nu Recreatiepark De Veerstal B.V. haar stelling dat andere jachthavens in het Rijntakkengebied wel zijn uitgezonderd van het aangewezen gebied, niet heeft geconcretiseerd.

Voor zover Recreatiepark De Veerstal B.V. vreest dat het feitelijk bestaande gebruik van de jachthaven door de aanwijzing van de gronden als Vogelrichtlijngebied zal worden belemmerd, overweegt de Afdeling dat eerst in een beheerplan een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande activiteiten kan plaatsvinden. Daarnaast brengt artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 met zich dat een vergunning op grond van die wet nodig is, indien sprake is van een project dat, of andere handeling die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Of bepaalde activiteiten, zoals de activiteiten van Recreatiepark De Veerstal B.V., in het beheerplan kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht of een vergunning, indien vereist, zal kunnen worden verleend, kan niet op voorhand in algemene zin in een aanwijzingsbesluit worden vastgesteld, maar dient in het beheerplan of in het kader van de aanvraag van een vergunning te worden bepaald. Ter zitting heeft de staatssecretaris er op gewezen dat het ontwerpbeheerplan voor het gebied medio 2015 ter inzage zal worden gelegd. In de omstandigheid dat nog niet inzichtelijk is in hoeverre de aanwijzing consequenties heeft voor het bestaande gebruik van jachthaven De Veerstal heeft de staatssecretaris gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding hoeven zien om dit gebied niet langer aan te wijzen als Vogelrichtlijngebied.

Gelet op het voorgaande falen de betogen.

Het beroep van RGV Holding B.V. voor het overige

4. Voorts betoogt RGV Holding B.V. dat de Noordoever in recreatiegebied Rhederlaag ten onrechte is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Daartoe voert zij aan dat op deze gronden verschillende voorzieningen aanwezig zijn zoals stranden, twee toiletgebouwen, parkeervoorzieningen, een toegangsweg, een botenhelling en een intensief ingericht gedeelte. In de Nota van toelichting is volgens RGV Holding B.V. vermeld dat bebouwing, verhardingen en stranden geen deel uitmaken van het aangewezen gebied, zodat deze voorzieningen ten onrechte op de kaart zijn aangeduid als behorende bij het aangewezen gebied. Voorts wijst RGV Holding B.V. erop dat het strand "IJsselstrand" wel buiten de begrenzing van het aangewezen gebied is gelaten. RGV Holding B.V. vreest dat door de aanwijzing van de Noordoever als Natura 2000-gebied het bestaande en toekomstige gebruik ernstig zal worden belemmerd.

4.1. De staatssecretaris stelt dat de Noordoever reeds bij besluit van 25 april 2003 is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het gebied behoort volgens de staatssecretaris tot het leefgebied van de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. Volgens de staatssecretaris bestaat geen aanleiding de begrenzing van het gebied ter plaatse van de Noordoever te wijzigen.

4.2. De Afdeling stelt vast dat de Noordoever binnen het op de kaart als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied ligt. Ten aanzien van de begrenzing van het aangewezen gebied is daarnaast in paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting behorende bij het bestreden besluit vermeld dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied is aangegeven op de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaart, maar dat bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen, waterkerende dijken en hoofdspoorwegen geen deel uitmaken van het aangewezen gebied. Voorts is vermeld dat daar waar de kaart en de Nota van toelichting, bijvoorbeeld om kaarttechnische redenen, niet overeenstemmen, de tekst in deze paragraaf doorslaggevend is.

4.3. Anders dan RGV Holding B.V. betoogt, zijn stranden niet op grond van de algemene exclaveringsformule zoals hiervoor weergegeven uitgezonderd van het aangewezen gebied, zodat dit deel van de Noordoever onderdeel is van het Vogelrichtlijngebied.

De gronden waarop de Noordoever gelegen is, zijn reeds bij besluit van 25 april 2003 aangewezen als Vogelrichtlijngebied IJssel, welk gebied thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Dit betekent dat thans in beginsel slechts de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in geding zijn. Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden, naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn het besluit op onderdelen te wijzigen.

4.4. De begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied in het onderhavige aanwijzingsbesluit is niet gewijzigd ter plaatse van de stranden van de Noordoever waarvan RGV Holding B.V. betoogt dat die geen deel zouden moeten uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris in de door RGV Holding B.V. aangedragen redenen geen aanleiding heeft hoeven zien om de huidige begrenzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied te wijzigen. Niet in geschil is dat de Noordoever in 2006, derhalve na de aanwijzing van het gebied, in gebruik is genomen. Weliswaar is hiermee sprake van een nieuwe situatie, maar niet gebleken is dat het gebied door het recreatieve gebruik niet meer kan bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris ter zitting heeft gesteld dat het gebied met name in de winterperiode van belang is voor de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen, terwijl het recreatieve gebruik voornamelijk in de zomerperiode plaatsvindt. RGV Holding B.V. heeft dit niet betwist.

Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris de begrenzing van het gebied in zoverre had moeten wijzigen gelet op het gelijkheidsbeginsel, reeds nu het IJsselstrand, anders dan RGV Holding B.V. betoogt, evenals de Noordoever niet uit het aangewezen gebied is gehaald.

Ten aanzien van de vrees van RGV Holding B.V. dat het feitelijk bestaande gebruik en het toekomstige gebruik van de Noordoever door de aanwijzing van de gronden als Vogelrichtlijngebied zal worden belemmerd, overweegt de Afdeling, dat de vraag of bepaalde activiteiten, zoals de activiteiten van RGV Holding B.V., in het beheerplan kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht of een vergunning, indien vereist, zal kunnen worden verleend, niet op voorhand in algemene zin in een aanwijzingsbesluit kan worden beantwoord, maar dat dit in het beheerplan of in het kader van de aanvraag van een vergunning dient te worden bepaald. In de omstandigheid dat nog niet inzichtelijk is in hoeverre de aanwijzing consequenties heeft voor het feitelijk bestaande gebruik en het toekomstige gebruik van de Noordoever heeft de staatssecretaris gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding hoeven zien om dit gebied niet langer aan te wijzen als Vogelrichtlijngebied. Het betoog faalt.

4.5. Wat betreft de toegangsweg, parkeerplaatsen en toiletgebouwen overweegt de Afdeling het volgende. Vaststaat dat de genoemde voorzieningen na de oorspronkelijke aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied in 2003 zijn aangelegd.

4.5.1. Vaststaat dat in het bestreden besluit geen peildatum is opgenomen voor toepassing van de exclaveringsformule. In het oorspronkelijke besluit van 25 april 2003 tot aanwijzing van de gronden als Vogelrichtlijngebied was evenmin een peildatum opgenomen.

4.5.2. De Afdeling stelt voorop dat het in gevallen waarin geen peildatum in een besluit is opgenomen, terwijl de vaststelling van een dergelijke datum voor de toepassing van het besluit noodzakelijk is, gebruikelijk is om als peildatum de datum van het bestreden besluit te hanteren. De staatssecretaris heeft ter zitting uiteengezet dat hij bij de uitleg van de algemene exclaveringsformule ten aanzien van de vraag of een voorziening als bestaand kan worden aangemerkt als peildatum de datum van de oorspronkelijke aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied hanteert. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt af te leiden dat de staatssecretaris de datum van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit als peildatum voor de exclaveringsformule hanteert. De Afdeling stelt voorts vast dat het hanteren van de datum van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit als peildatum afwijkt van de gangbare uitleg van de datum van het bestreden besluit. Gelet op deze omstandigheden is de door de staatssecretaris gehanteerde peildatum onvoldoende kenbaar.

4.5.3. Daarnaast wijst de Afdeling erop dat het Vogelrichtlijngebied in het bestreden besluit op bepaalde locaties is uitgebreid ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit. Deze gronden worden derhalve eerst bij het bestreden besluit aangewezen als Vogelrichtlijngebied. In het bestreden besluit wordt ten aanzien van de toepassing van de exclaveringsformule evenwel geen onderscheid gemaakt tussen de delen van het gebied die reeds bij het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit als Vogelrichtlijngebied zijn aangewezen en gronden die voor het eerst bij het bestreden besluit zijn aangewezen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom voor de gronden die voor het eerst bij het bestreden besluit zijn aangewezen de peildatum van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit zou moeten gelden.

4.5.4. De Afdeling wijst er verder op dat in het besluit wat betreft de peildatum voor toepassing van de exclaveringsformule evenmin een onderscheid is gemaakt tussen gronden die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied en gronden die zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Dit onderscheid is van belang nu de gronden in het bestreden besluit voor het eerst zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied, zodat het voor deze gronden niet voor de hand ligt de peildatum van de exclaveringsformule van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied te hanteren. Uit het bestreden besluit wordt niet duidelijk hoe hiermee dient te worden omgegaan.

4.6. Gelet op voornoemde omstandigheden kan de Afdeling het standpunt van de staatssecretaris dat voor de toepassing van de exclaveringsformule de datum van het oorspronkelijke besluit tot aanwijzing als Vogelrichtlijngebied dient te worden gehanteerd uit het oogpunt van rechtszekerheid niet volgen. In dit verband wijst de Afdeling erop dat het de voorkeur verdient de begrenzing van het Natura 2000-gebied op de kaart te verwerken.

Nu het gelet op het vorenstaande onvoldoende kenbaar is welke peildatum voor de toepassing van de exclaveringsformule dient te worden gehanteerd, kan niet worden vastgesteld of de toegangsweg, parkeerplaatsen en toiletgebouwen onder het toepassingsbereik van deze formule vallen. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de gronden ter plaatse van de toegangsweg, parkeerplaatsen en toiletgebouwen deel uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. Het besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van RGV Holding B.V. is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de gronden ter plaatse van de toegangsweg, parkeerplaatsen en toiletgebouwen ter plaatse van de Noordoever, dient wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

Het beroep van Recreatiepark De Veerstal B.V. is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

5. Het beroep van [appellante sub 3] is gericht tegen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. [appellante sub 3] betoogt dat haar laad- en loswal ten onrechte niet is uitgezonderd van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Volgens [appellante sub 3] heeft de staatssecretaris niet onderbouwd dat sprake is van ecologische- en ornithologische overwegingen om het betreffende deel van het gebied aan te wijzen. Daarbij wijst zij erop dat in de reactie op haar zienswijze is aangegeven dat de laad- en loswal buiten de begrenzing van het aangewezen gebied zou worden gebracht.

5.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de laad- en loswal van [appellante sub 3] tekstueel is uitgezonderd van het aangewezen gebied, zodat het geen onderdeel vormt van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied.

5.2. De Afdeling stelt vast dat het gebied ter plaatse van de laad- en loswal op de kaart is aangeduid als deel van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Ten aanzien van de begrenzing van het aangewezen gebied is daarnaast in paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting behorende bij het bestreden besluit vermeld dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied is aangegeven op de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaart, maar dat bestaande verhardingen, zoals parkeervoorzieningen, geen deel uitmaken van het aangewezen gebied. Voorts is vermeld dat daar waar de kaart en de Nota van toelichting, bijvoorbeeld om kaarttechnische redenen, niet overeenstemmen, de tekst in deze paragraaf doorslaggevend is.

5.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat de laad- en loswal bestaat uit een betonnen constructie waarop vrachtwagens kunnen parkeren, zodat de laad- en loswal dient te worden aangemerkt als een verharding als bedoeld in de algemene exclaveringsformule. Verder is ter zitting vastgesteld dat de laad- en loswal voor 2003 is aangelegd. Het gebied waarin de laad- en loswal ligt, is bij besluit van 24 april 2003 aangewezen als onderdeel van het Vogelrichtlijngebied Gelderse Poort, dat thans onderdeel is van het Vogelrichtlijngebied Rijntakken. In paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting zoals luidend ten tijde van de aanwijzing van het gebied, is vermeld dat de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is aangegeven op de bij de aanwijzing behorende kaart, maar dat bestaande verhardingen daarvan geen deel uitmaken. Daar waar de kaart en de Nota van toelichting, bijvoorbeeld om kaarttechnische redenen, niet overeenstemmen, is de hierboven opgenomen tekst doorslaggevend, aldus de Nota van toelichting.

5.3.1. Vaststaat dat in het bestreden besluit geen peildatum is opgenomen voor toepassing van de exclaveringsformule. In het oorspronkelijke besluit van 24 maart 2003 tot aanwijzing van de gronden als Vogelrichtlijngebied was evenmin een peildatum opgenomen.

5.3.2. Nu het gelet op hetgeen is overwogen in 4.5 en verder onvoldoende kenbaar is welke peildatum voor de toepassing van de exclaveringsformule dient te worden gehanteerd, kan niet worden vastgesteld of de laad- en loswal onder het toepassingsbereik van deze formule valt. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de gronden ter plaatse van deze laad- en loswal deel uitmaken van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Het besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellante sub 3] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de gronden ter plaatse van de laad- en loswal, dient wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Rhenen

6. Het beroep van het college van Rhenen is gericht tegen de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied. Het college van Rhenen betoogt dat de gronden ter plaatse van het evenemententerrein aan de Veerweg, het ijsbaanterrein ten westen van de Rijnstraat en de recent gerealiseerde parkeerplaats de Paardenmarkt, ten onrechte niet zijn uitgezonderd van het aangewezen gebied. De staatssecretaris is bij de begrenzing van het gebied in zoverre volgens het college van Rhenen ten onrechte niet aangesloten bij het voor het gebied geldende bestemmingsplan. Daarnaast betoogt het college van Rhenen dat deze gronden gelet op de bestaande verstoring, niet of nauwelijks bijdragen aan de instandhoudingsdoelstellingen waarvoor het gebied is aangewezen.

6.1. De staatssecretaris stelt dat het evenemententerrein en het ijsbaanterrein bestaan uit grasland en behoren tot het actuele leefgebied van diverse doortrekkende en overwinterende watervogels waarvoor het gebied is aangewezen, zodat geen aanleiding bestaat om deze gebieden uit te zonderen van het Vogelrichtlijngebied.

Ten aanzien van de Paardenmarkt stelt de staatssecretaris dat deze gronden gelet op de in de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit opgenomen exclaveringsformule niet langer deel uitmaken van het aangewezen gebied.

6.2. De Afdeling stelt vast dat een deel van het evenemententerrein en het ijsbaanterrein binnen het als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied liggen. Voorts stelt de Afdeling vast dat de gronden ter plaatse van parkeerplaats de Paardenmarkt op de kaart zijn aangeduid als deel van het Vogelrichtlijngebied. Ten aanzien van de begrenzing van het aangewezen gebied is daarnaast in paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting behorende bij het bestreden besluit vermeld dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied is aangegeven op de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaart, maar dat bestaande verhardingen, zoals parkeerplaatsen, geen deel uitmaken van het aangewezen gebied. Voorts is vermeld dat daar waar de kaart en de Nota van toelichting, bijvoorbeeld om kaart technische redenen, niet overeenstemmen, de tekst in deze paragraaf doorslaggevend is.

6.3. Het gebied Neder-Rijn, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is reeds bij besluit van 24 maart 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 25 april 2003, aangewezen als Vogelrichtlijngebied, zodat thans in beginsel slechts de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in geding zijn. Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden, naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn het besluit op onderdelen te wijzigen.

6.4. De Afdeling stelt vast dat de begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied in het onderhavige aanwijzingsbesluit niet is gewijzigd ter plaatse van het evenemententerrein en het ijsbaanterrein, waarvan het college van Rhenen betoogt dat die geen deel zouden moeten uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. In de door het college van Rhenen aangedragen redenen heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding hoeven zien om de huidige begrenzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied te wijzigen. Niet in geschil is dat het gebruik van de gronden als evenemententerrein reeds bestond ten tijde van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied. Het college van Rhenen heeft in zoverre dan ook niet inzichtelijk gemaakt dat met betrekking tot de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. Voorts volgt uit het deskundigenbericht dat het gebruik van de gronden als ijsbaan is aangevangen na de oorspronkelijke aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied. Het college van Rhenen heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebied in zoverre niet kan bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Daartoe wordt overwogen dat het college van Rhenen zijn stelling dat de gronden gelet op het gebruik daarvan als ijsbaan niet langer geschikt zijn als leefgebied voor diverse doortrekkende en overwinterende watervogels, niet met gegevens heeft onderbouwd. Dat de gronden onherroepelijk ongeschikt zijn geworden voor het leveren van een bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen waarvoor het gebied Rijntakken als Vogelrichtlijngebied is aangewezen, volgt evenmin uit de stelling van het college van Rhenen dat de gronden in het geldende bestemmingsplan zijn bestemd voor het gebruik als ijsbaan, nu voor de begrenzing van het gebied niet het bestemde gebruik van de gronden van belang is, maar de feitelijke geschiktheid van het gebied voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden. Gelet op het voorgaande faalt het betoog.

6.5. Ten aanzien van parkeerplaats de Paardenmarkt is niet in geschil dat deze na de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangelegd en dat deze verhard is. Nu het gelet op hetgeen is overwogen in 4.5 en verder onvoldoende kenbaar is welke peildatum voor de toepassing van de exclaveringsformule dient te worden gehanteerd, kan niet worden vastgesteld of de parkeerplaats onder het toepassingsbereik van deze formule valt. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de gronden ter plaatse van deze parkeerplaats deel uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. Het besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Rhenen is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de gronden ter plaatse van de parkeerplaats, dient wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 5]

7. Het beroep van [appellante sub 5] is gericht tegen de begrenzing van het aangewezen gebied. [appellante sub 5] betoogt dat twee grondstoffendepots in de Afferdense en Deestse uiterwaarden ten onrechte niet zijn uitgezonderd van het Vogelrichtlijngebied, terwijl deze gronden sinds lange tijd voor industriële doeleinden in gebruik zijn.

Voorts betoogt [appellante sub 5] dat ten onrechte een deel van het terrein bij de twee steenfabrieken in de Lobberdense Waard te Pannerden deel uitmaakt van het aangewezen gebied. [appellante sub 5] heeft uiteengezet dat het hierbij gaat om een perceel aan de westzijde en een perceel aan de oostzijde van de fabrieken. Deze percelen zullen in de toekomst in het kader van een herinrichting van het terrein deel gaan uitmaken van het bedrijventerrein. Daarbij wijst zij erop dat voor de verplaatsing van het kleidepot naar het perceel aan de westzijde van het terrein reeds een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend. De staatssecretaris is in zoverre bij de begrenzing van het Natura 2000-gebied volgens [appellante sub 5] dan ook ten onrechte niet aangesloten bij de bestemde en vergunde situatie ter plaatse.

Daarnaast voert [appellante sub 5] aan dat de begrenzing van het aangewezen gebied rond het terrein van steenfabriek Schipperswaard in Echteld, voor zover het betreft de gronden aan de noordwestzijde van het terrein, niet aansluit bij de bestemde en vergunde situatie. Hierbij wijst [appellante sub 5] erop dat deze gronden in de bestaande situatie incidenteel in gebruik zijn als kleidepot en dat het voornemen bestaat om de gronden permanent als zodanig in gebruik te nemen.

[appellante sub 5] voert verder aan dat bij de begrenzing van het aangewezen gebied ter plaatse van steenfabriek De Wolfswaard in Opheusden ten onrechte niet is aangesloten bij de vergunde situatie. Daarbij wijst zij erop dat sinds enkele jaren de gronden aan de zuidzijde van het terrein in gebruik zijn als kleidepot. Verder betoogt [appellante sub 5] dat de weg naar het losponton had moeten worden uitgezonderd van het aangewezen gebied.

7.1. De staatssecretaris heeft zich ten aanzien van de twee grondstoffendepots in de Afferdense en Deestse uiterwaarden op het standpunt gesteld dat de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied, zoals opgenomen in het oorspronkelijk aanwijzingsbesluit, in rechte vast is komen te staan. Volgens de staatssecretaris bestaat in zoverre geen aanleiding de begrenzing van het gebied te wijzigen. Daartoe bestaat ten aanzien van de begrenzing bij de steenfabrieken in de Lobberdense Waard volgens de staatssecretaris evenmin aanleiding. De staatssecretaris heeft ter zitting ten aanzien van deze gronden uiteengezet dit in overleg met de provincie de begrenzing bij een aantal fabrieksterreinen in de provincie wel is gewijzigd, maar dat er voor gekozen is dat ten aanzien van de fabrieken in de Lobberdense Waard niet te doen aangezien slechts sprake is van een voornemen om het bedrijventerrein anders in te richten. De gebieden zijn thans dan ook nog steeds geschikt als leefgebied voor de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen, aldus de staatssecretaris. Ten aanzien van de gronden ten noordwesten van steenfabriek Schipperswaard stelt de staatssecretaris dat deze gronden zich niet onderscheiden van de omliggende gronden, zodat geen aanleiding bestaat de gronden niet langer aan te wijzen als Vogelrichtlijngebied. Voorts bestaat volgens de staatssecretaris ten aanzien van het kleidepot ten zuiden van het fabrieksterrein van steenfabriek De Wolfswaard evenmin aanleiding om de begrenzing van het aangewezen gebied aan te passen.

7.2. De Afdeling stelt vast dat de gronden in de Afferdense en Deestse uiterwaarden, in de Lobberdense Waard, bij steenfabriek Schipperswaard en bij steenfabriek De Wolfswaard, die volgens [appellante sub 5] ten onrechte zijn aangewezen, gelegen zijn binnen het als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied. De bedoelde gronden in de Lobberdense Waard zijn met het bestreden besluit tevens aangewezen als Habitatrichtlijngebied.

7.3. De gebieden Gelderse Poort, Waal en Neder-Rijn, die thans deel uitmaken van het Natura 2000-gebied Rijntakken en waarin de bestreden delen van het aangewezen gebied gelegen zijn, zijn bij besluiten van 24 maart 2000, zoals gewijzigd bij besluiten van 25 april 2003, aangewezen als Vogelrichtlijngebied, zodat thans in beginsel slechts de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in geding zijn. Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden, naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn het besluit op onderdelen te wijzigen.

7.4. De begrenzing van de reeds aangewezen Vogelrichtlijngebieden is in het onderhavige aanwijzingsbesluit niet gewijzigd ter plaatse van de gronden waarvan [appellante sub 5] betoogt dat die geen deel zouden moeten uitmaken van de Vogelrichtlijngebieden. Deze gronden maakten derhalve reeds deel uit van de bij besluiten van 24 maart 2000 aangewezen gebieden.

7.5. Voor zover het betoog van [appellante sub 5] ziet op de twee grondstoffendepots - onverharde terreinen voor de opslag van klei - bij de fabrieken in de Afferdense en Deestse uiterwaarden volgt uit het verhandelde ter zitting dat deze gronden ten tijde van de aanwijzing van het gebied reeds voor deze toepassing in gebruik waren, zodat in zoverre geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden. Met de enkele verwijzing naar dit gebruik heeft [appellante sub 5] dan ook niet inzichtelijk gemaakt dat met betrekking tot de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. De staatssecretaris heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om het oorspronkelijke besluit tot aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied te wijzigen. Het betoog faalt.

7.6. Ook voor zover het beroep ziet op de gronden ten oosten en ten westen van de steenfabrieken in de Lobberdense Waard en de gronden aan de noordwestzijde van steenfabriek Schipperswaard in Echteld en [appellante sub 5] betoogt dat deze ten onrechte zijn aangewezen als Natura 2000-gebied faalt het betoog. Vastgesteld wordt dat deze gronden onderdeel uitmaken van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied. De Afdeling is van oordeel dat [appellante sub 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 die nopen tot wijziging van de begrenzing. Het voornemen bestaat om de gronden ten oosten en ten westen van het bestaande terrein van de fabrieken in de Lobberdense Waard als bedrijfsterrein in gebruik te nemen. Daarnaast bestaat het voornemen om de gronden ten noordwesten van steenfabriek Schipperswaard permanent in gebruik te nemen als kleidepot. Deze ten tijde van het bestreden besluit bestaande voornemens zijn niet aan te merken als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit. Reeds omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden, heeft de staatssecretaris geen aanleiding hoeven zien om de begrenzing te wijzigen. Het betoog faalt.

7.7. Voor zover de gronden ten oosten en ten westen van het fabrieksterrein van [appellante sub 5] in de Lobberdense Waard tevens zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied, wordt als volgt overwogen. Zoals reeds is overwogen in 2.3 mogen bij de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied uitsluitend ecologische criteria worden gehanteerd.

De Afdeling is van oordeel dat [appellante sub 5] met de enkele stelling dat de staatssecretaris bij de begrenzing van het gebied ten onrechte niet is aangesloten bij de vergunde en bestemde situatie, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de begrenzing in zoverre niet op ecologische overwegingen is gebaseerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals hiervoor overwogen, de door [appellante sub 5] bedoelde gronden aan de west- en oostzijde van het terrein ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet in gebruik waren genomen voor industriële doeleinden. Voorts heeft [appellante sub 5] de stelling van de staatssecretaris dat de gronden een eenheid vormen met de omliggende gronden niet gemotiveerd bestreden. Daarnaast heeft de staatssecretaris in de stelling van [appellante sub 5] dat voor de verplaatsing van het kleidepot op de gronden ten westen van het terrein in de Lobberdense Waard reeds bij besluit van 23 juli 2013 een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 is verleend, geen aanleiding hoeven zien om de begrenzing van het gebied te wijzigen, nu uit deze enkele stelling niet volgt dat het gebied niet geschikt is voor de soorten en habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen, maar slechts dat is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied door het project niet zullen worden aangetast. Het betoog faalt.

7.8. Ten aanzien van de gronden nabij steenfabriek De Wolfswaard in Opheusden die volgens [appellante sub 5] ten onrechte zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied, is ter zitting vastgesteld dat het kleidepot aan de zuidzijde van het terrein is aangelegd in 2007. Deze voorziening is daarmee na de aanwijzing van het gebied als Volgelrichtlijngebied aangelegd, zodat sprake is van een nieuwe situatie. Met de enkele stelling dat de bedrijfsactiviteiten zich thans door de aanleg van een kleidepot verder in zuidelijke richting uitstrekken heeft [appellante sub 5] naar het oordeel van de Afdeling echter niet inzichtelijk gemaakt dat de betreffende gronden niet meer kunnen bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, zodat de staatssecretaris daarin geen aanleiding heeft hoeven zien om de begrenzing van het gebied ter plaatse te wijzigen. Ten aanzien van de gronden ter plaatse van de onverharde weg van en naar het losponton heeft de staatssecretaris daartoe evenmin aanleiding hoeven zien, nu [appellante sub 5] met de enkele stelling dat een deel van de gronden in gebruik is als weg niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zoverre sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. Het betoog faalt.

7.9. Het beroep van [appellante sub 5] is ongegrond.

Het beroep van Dorado Beach B.V.

8. Het beroep van Dorado Beach B.V. is gericht tegen de begrenzing van het als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied. Zij betoogt dat de zone rondom haar jachthaven die is uitgezonderd van het aangewezen gebied ten onrechte is beperkt tot een zone gemeten vanaf de havenmond. Volgens haar had op grond van de exclaveringsformule zoals opgenomen in het besluit van 24 maart 2000 tot aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied, tevens een zone gemeten vanaf de aanlegsteigers van de jachthaven uitgezonderd moeten worden. Bovendien wijkt de staatssecretaris hiermee naar de mening van Dorado Beach B.V. ten onrechte af van de wijze waarop de zone rond een jachthaven in het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer is bepaald. Voorts betoogt Dorado Beach B.V. dat onduidelijk is wat de effecten zijn van de gekozen begrenzing op haar bedrijfsvoering.

8.1. Zoals hiervoor is overwogen onder 2.2 is het gebied IJssel, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, reeds bij besluit van 24 maart 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 25 april 2003, aangewezen als Vogelrichtlijngebied, zodat thans in beginsel slechts de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in geding zijn. Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden, naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn het besluit op onderdelen te wijzigen.

8.2. In de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit is vermeld dat de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied op de kaart op een aantal technische punten is gewijzigd. Havens zijn op de kaart uitgezonderd conform de exclaveringsformule die hiervoor is opgenomen in het besluit tot aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied. Hiervan is afgeweken indien het betreffende water van betekenis is voor de watervogels waarvoor het gebied is aangewezen, aldus de Nota van toelichting.

In het aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 25 april 2003, is vermeld: "(jacht)havens maken geen deel uit van de speciale beschermingszone. Bij (jacht)havens, die geheel binnen een speciale beschermingszone liggen, valt aan de waterzijde een zone van 100 meter, gemeten vanaf de havenmond c.q. aanlegsteigers, ook buiten de begrenzing. Grenst een (jacht)haven aan de buitenzijde direct aan de speciale beschermingszone, dan is de zone van 100 meter ook buiten de begrenzing van de speciale beschermingszone gehouden".

8.3. De Afdeling stelt vast dat de begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied in het onderhavige aanwijzingsbesluit zoals weergegeven op de bij het besluit behorende kaart is gewijzigd in de zin dat rond de havenmond van de jachthaven van Dorado Beach B.V. een zone buiten de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is gelaten. Niet in geschil is dat deze zone gelet op de in het aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 opgenomen exclaveringsformule, reeds geen deel uitmaakte van het als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied. Wat betreft het betoog van Dorado Beach B.V. dat gelet op de exclaveringsformule zoals opgenomen in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 tevens een zone van 100 meter gemeten vanaf de aanlegsteigers op de kaart uitgezonderd had moeten worden van het aangewezen gebied, heeft de staatssecretaris ter zitting toegelicht dat de exclaveringsformule aldus is uitgelegd dat in beginsel een zone van 100 meter rondom de havenmond is uitgezonderd, tenzij de haven geen havenmond heeft. In dat geval wordt de uitgezonderde zone gemeten vanaf de aanlegsteigers. De Afdeling ziet geen aanleiding de staatssecretaris niet te volgen in deze uitleg. Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat de jachthaven op de bij het besluit behorende kaart is uitgezonderd overeenkomstig het in het besluit opgenomen uitgangspunt van de staatssecretaris om havens niet langer op de kaart aan te geven indien de haven op grond van de in het besluit tot aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied opgenomen exclaveringsformule reeds is uitgezonderd van het aangewezen gebied.

Voor zover Dorado Beach B.V. betoogt dat het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat de delen van het Vogelrichtlijngebied Markermeer en IJmeer waarop Dorado Beach B.V. wijst, anders dan de delen waarvan Dorado Beach betoogt dat die ten onrechte zijn aangewezen, nimmer zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied, zodat geen sprake is van gelijke situaties. Dorado Beach heeft dit niet betwist, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

Voorts ziet de Afdeling in hetgeen Dorado Beach B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing.

Wat betreft het betoog van Dorado Beach B.V. dat onduidelijk is wat de gevolgen van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied zijn voor haar bedrijfsvoering, overweegt de Afdeling dat de vraag of bepaalde activiteiten, zoals de activiteiten van Dorado Beach B.V., in het beheerplan kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht of een vergunning, indien vereist, zal kunnen worden verleend, niet op voorhand in algemene zin in een aanwijzingsbesluit kan worden beantwoord, maar dat dit in het beheerplan of in het kader van de aanvraag van een vergunning dient te worden bepaald. In de omstandigheid dat nog niet inzichtelijk is in hoeverre de aanwijzing consequenties heeft voor de jachthaven van Dorado Beach B.V. heeft de staatssecretaris gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding hoeven zien om een grotere zone rondom de jachthaven uit te zonderen van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied.

Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling in het betoog van Dorado Beach B.V. dan ook geen aanleiding hoeven zien om de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied ter plaatse te wijzigen. Het betoog faalt.

8.4. Het beroep van Dorado Beach B.V. is ongegrond.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Deventer

9. Het college van Deventer betoogt dat een deel van de havenarm ten zuiden van de gashaven bij Bergweide ten onrechte is aangewezen als Natura 2000-gebied. Daartoe voert het college aan dat de haven van belang is voor de economie van Deventer. Het college wijst er daarbij op dat plannen bestaan om de haven in de toekomst weer in gebruik te nemen. Voorts betoogt het college van Deventer dat het gebied, gelet op het bestaande gebruik, geen bijdrage kan leveren aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen, habitats van soorten en vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen.

9.1. De Afdeling stelt vast dat het door het college van Deventer bedoelde deel van de havenarm ten zuiden van de gashaven bij Bergweide in het als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied ligt. Het gebied is, anders dan het college meent, niet als Habitatrichtlijngebied aangewezen.

9.2. Zoals hiervoor overwogen, is het gebied IJssel, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, bij besluit van 24 maart 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 25 april 2003, aangewezen als Vogelrichtlijngebied, zodat thans in beginsel slechts de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in geding zijn. Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden, naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn het besluit op onderdelen te wijzigen.

9.3. De begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied is in het onderhavige aanwijzingsbesluit niet gewijzigd ter plaatse van de gronden waarvan het college betoogt dat die geen deel zouden moeten uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris in de door het college aangedragen redenen geen aanleiding hoeven zien om de huidige begrenzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied te wijzigen, aangezien het college niet inzichtelijk heeft gemaakt dat met betrekking tot de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. Dat het voornemen bestaat om de haven in de toekomst weer in gebruik te nemen, maakt niet dat thans reeds sprake is van dergelijke feiten en omstandigheden. Voorts heeft de staatssecretaris in de stelling dat de havenarm op geen enkele wijze kan bijdragen aan de doelstellingen van het Vogelrichtlijngebied, geen aanleiding hoeven zien om de begrenzing van het aangewezen gebied te wijzigen, nu daarmee evenmin aannemelijk is gemaakt dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Evenmin volgt dit uit de niet onderbouwde stelling van het college ter zitting dat de gekozen begrenzing ecologisch gezien onlogisch is aangezien de havenarm onderdeel is van de haven. Het betoog faalt.

9.4. Het beroep van het college van Deventer is ongegrond.

De beroepen van Stichting IJsselarm Doesburg-Steenderen, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar

10. De stichting betoogt dat haar waterskibaan ten onrechte is aangewezen als Natura 2000-gebied. Zij voert daartoe aan dat in het besluit ten onrechte niet is verzekerd dat het bestaande gebruik van de waterskibaan kan worden voortgezet.

Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar betogen eveneens dat een deel van hun terreinen ten onrechte is aangewezen als Natura 2000-gebied. Hierbij gaat het om de buitendijkse delen van de campings die in de bestaande situatie in gebruik zijn voor kamperen. Zij stellen dat deze gronden sinds lange tijd in gebruik zijn als camping en voor dagrecreatie. Met het besluit is volgens Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar ten onrechte niet verzekerd dat het bestaande gebruik kan worden voortgezet. Zij vrezen dan ook dat hun bedrijfsvoering door de aanwijzing van het gebied zal worden belemmerd. Voorts voeren zij aan dat de staatssecretaris bij de aanwijzing van het gebied ten onrechte niet is aangesloten bij het voor de gronden geldende bestemmingsplan.

10.1. De staatssecretaris stelt dat de door de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar bedoelde gebieden zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied, aangezien de gronden in het winterseizoen geschikt zijn als leefgebied voor watervogels waarvoor het gebied is aangewezen. Volgens de staatssecretaris bestaat er dan ook geen aanleiding om de begrenzing van het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied te wijzigen.

10.2. De Afdeling stelt vast dat de waterskibaan, het buitendijkse deel van de gronden van de camping van Camping IJsselstrand B.V. en het buitendijkse deel van de gronden van de camping van Camping Het Zwarte Schaar binnen het als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied liggen.

Zoals hiervoor is overwogen, is het gebied IJssel, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, reeds bij besluit van 24 maart 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 25 april 2003, aangewezen als Vogelrichtlijngebied, zodat thans in beginsel slechts de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in geding zijn. Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden, naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn het besluit op onderdelen te wijzigen.

10.3. De begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied is in het onderhavige aanwijzingsbesluit niet gewijzigd ter plaatse van de gronden waarvan de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar betogen dat die geen deel zouden moeten uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris in de door hen aangedragen redenen geen aanleiding heeft hoeven zien om de huidige begrenzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied te wijzigen, aangezien de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar niet inzichtelijk hebben gemaakt dat met betrekking tot de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. Daartoe wordt overwogen dat niet in geschil is dat het recreatieve gebruik van de gebieden waarvan de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar betogen dat die geen deel zouden moeten uitmaken van het aangewezen gebied, reeds bestond ten tijde van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied, zodat geen sprake is van een nieuwe situatie.

Voor zover de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar vrezen dat dit bestaande recreatieve gebruik door de aanwijzing van de gronden als Vogelrichtlijngebied zal worden belemmerd, overweegt de Afdeling dat de vraag of bepaalde activiteiten, zoals de activiteiten van de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar, in het beheerplan kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht of een vergunning, indien vereist, zal kunnen worden verleend, niet op voorhand in algemene zin in een aanwijzingsbesluit kan worden beantwoord, maar dat dit in het beheerplan of in het kader van de aanvraag van een vergunning dient te worden bepaald. In de omstandigheid dat nog niet inzichtelijk is in hoeverre de aanwijzing consequenties heeft voor het bestaande recreatieve gebruik van de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar heeft de staatssecretaris gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding hoeven zien om de gronden waarvan de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar betogen dat die geen onderdeel zouden moeten uitmaken van het Vogelrichtlijngebied, niet langer aan te wijzen als Vogelrichtlijngebied.

Gelet op het voorgaande falen de betogen.

10.4. De beroepen van de stichting, Camping IJsselstrand B.V. en Camping Het Zwarte Schaar zijn ongegrond.

Het beroep van Gieterij Doesburg B.V.

11. Gieterij Doesburg B.V. betoogt dat de gevolgen van het aanwijzingsbesluit onvoldoende duidelijk zijn. In dit verband voert zij aan dat ten onrechte niet tegelijk met het aanwijzingsbesluit een beheerplan is vastgesteld.

11.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat in het aanwijzingsbesluit het Natura 2000-gebied wordt aangewezen. Het besluit heeft geen betrekking op de vraag of activiteiten zijn toegestaan of in de toekomst zullen worden toegelaten. Het besluit ziet evenmin op de te treffen instandhoudingsmaatregelen, aldus de staatssecretaris. Deze maatregelen zullen in een beheerplan worden uitgewerkt. Volgens de staatsecretaris is niet vereist dat een dergelijk beheerplan tegelijk met het aanwijzingsbesluit wordt vastgesteld.

11.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 5 november 2008 (zaak nr. 200802545/1) volgt noch uit artikel 19a van de Nbw 1998 noch uit enige andere wettelijke bepaling dat het aanwijzingsbesluit en het beheerplan voor dit gebied gelijktijdig hadden moeten worden vastgesteld. Er is geen grond thans anders te oordelen. Dat een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing eerst kan plaatsvinden na totstandkoming van het beheerplan vloeit daaruit voort dat, naar volgt uit de aangehaalde bepaling, eerst in het beheerplan de concreet te nemen instandhoudingsmaatregelen worden vastgelegd. Het betoog faalt.

12. Gieterij Doesburg B.V. betoogt voorts dat bij de vaststelling van de begrenzing van het gebied onvoldoende rekening is gehouden met bestaande en toekomstige bedrijfsbelangen. Zij wenst zekerheid over het onbelemmerd voortzetten van de activiteiten. In dit verband betoogt Gieterij Doesburg B.V. dat de wateren in de nabijheid van haar locatie ten onrechte deel uitmaken van het Natura 2000-gebied. Volgens Gieterij Doesburg B.V. zijn ter plaatse geen natuurwaarden aanwezig.

12.1. De Afdeling stelt vast dat de gronden waarop het beroep van Gieterij Doesburg B.V. betrekking heeft, zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Zoals reeds is overwogen in 2.2 mogen bij de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied uitsluitend ornithologische criteria worden gehanteerd. Anders dan Gieterij Doesburg B.V. betoogt, mag bij de selectie en begrenzing van een Natura 2000-gebied derhalve geen rekening worden gehouden met de eventuele gevolgen voor het bestaande gebruik van de omliggende gronden door bedrijven en met hun toekomstperspectief. Mogelijke nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven mogen geen reden zijn om van aanwijzing van een gebied af te zien. De staatssecretaris heeft derhalve bij de vaststelling van de begrenzing van het gebied terecht eventuele negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering van Gieterij Doesburg B.V. niet betrokken. Het betoog faalt.

12.2. Het gebied IJssel, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is reeds bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het onderhavige besluit strekt tot wijziging van onderdelen van dit eerdere besluit. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde.

12.3. De Afdeling stelt vast dat de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied ter plaatse van de gronden van Gieterij Doesburg B.V. niet is gewijzigd. Voor zover Gieterij Doesburg B.V. erop heeft gewezen dat sprake is van een nieuw feit, omdat het gebruik van de wateren in de nabijheid van de gieterij, mede door de aanleg van meerpalen, is geïntensiveerd, overweegt de Afdeling dat hiermee niet aannemelijk is geworden dat de desbetreffende gronden door deze intensivering van het gebruik niet meer kunnen bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. In dit verband is van belang dat Gieterij Doesburg B.V. haar stelling dat ter plaatse geen natuurwaarden aanwezig zijn niet nader heeft onderbouwd. Het betoog faalt.

13. Het beroep van Gieterij Doesburg B.V. is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 12]

14. [appellante sub 12] betoogt dat een deel van haar gronden ten onrechte is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Zij wijst in dit verband op de gronden tussen de nieuwe toegangsweg en het bestaande bedrijventerrein. Zij betoogt dat zij door de aanwijzing in haar bedrijfsactiviteiten wordt beperkt. Voorts zijn er ter plaatse van deze gronden volgens [appellante sub 12] geen natuurwaarden aanwezig. Daarnaast betoogt zij dat de nieuwe toegangsweg naar het perceel ten onrechte deel uitmaakt van het aangewezen gebied.

14.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat de gronden van [appellante sub 12] reeds in 2000 zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Volgens de staatssecretaris is de begrenzing op dit punt niet gewijzigd en geeft hetgeen [appellante sub 12] naar voren heeft gebracht geen aanleiding tot aanpassing van de begrenzing.

14.2. Het gebied Neder-Rijn, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is reeds bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het onderhavige besluit strekt tot wijziging van onderdelen van dit eerdere besluit. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde.

14.3. De Afdeling stelt vast dat de begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied niet is gewijzigd ter plaatse van de gronden tussen de nieuwe toegangsweg en het bestaande bedrijventerrein.

Voor zover [appellante sub 12] vreest dat zij door de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied zal worden beperkt in haar bedrijfsvoering, overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris bij de begrenzing van een Vogelrichtlijngebied uitsluitend rekening mag houden met ornithologische criteria. De staatssecretaris heeft derhalve bij de vaststelling van de begrenzing van het gebied terecht eventuele negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 12] niet betrokken bij de begrenzing van het aangewezen gebied. Het betoog faalt.

14.4. [appellante sub 12] heeft voorts niet inzichtelijk gemaakt dat sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 die nopen tot de wijziging van de begrenzing. Hierbij is van belang dat zij niet heeft gewezen op factoren waardoor het reeds aangewezen gebied -of een deel daarvan- niet meer kan bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De enkele stelling dat ter plaatse van de gronden geen natuurwaarden aanwezig zijn, is daartoe onvoldoende. Het betoog faalt.

14.5. Met betrekking tot het betoog omtrent de nieuwe toegangsweg stelt de Afdeling vast dat de weg op de kaart is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Deze gronden zijn reeds bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als onderdeel van het Vogelrichtlijngebied Neder-Rijn, dat thans onderdeel is van het Vogelrichtlijngebied Rijntakken. In paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting behorende bij het bestreden besluit, is vermeld dat de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is aangegeven op de bij de aanwijzing behorende kaart, maar dat de bestaande verhardingen daarvan geen deel uitmaken. Daar waar de kaart en de Nota van toelichting, bijvoorbeeld om kaarttechnische redenen, niet overeenstemmen, is de hierboven opgenomen tekst doorslaggevend, aldus de Nota van toelichting. Deze zogenoemde exclaveringsformule is in paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting behorende bij het bestreden besluit eveneens opgenomen.

14.5.1. Ter zitting is gebleken dat de nieuwe toegangsweg in 2013 is aangelegd en dat de weg kan worden aangemerkt als verharding. Gelet hierop ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of de weg onder de exclaveringsformule valt, in welk geval de weg geen deel uitmaakt van het aangewezen gebied.

Nu het gelet op hetgeen is overwogen in 4.5 onvoldoende kenbaar is welke peildatum voor de toepassing van de exclaveringsformule dient te worden gehanteerd, kan niet worden vastgesteld of de nieuwe toegangsweg onder het toepassingsbereik van deze formule valt. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de gronden ter plaatse van deze weg deel uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. Het besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de gronden ter plaatse van de nieuwe toegangsweg, dient wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

Het beroep van Ekstefa B.V.

15. Ekstefa B.V. betoogt dat een deel van het terrein van de steenfabriek Binnenwaard ten onrechte binnen de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied valt. Het beroep heeft betrekking op de begrenzing rond een halfverhard oppervlak ter hoogte van de voormalige bedrijfswoning en een met klei afgedekte pyrietstort met een aangrenzend weideperceel. Volgens haar volgt uit recent ecologisch onderzoek dat ter plaatse geen natuurwaarden aanwezig zijn. In dit verband verwijst zij naar het door G. Krustjens opgestelde rapport "Ecologisch onderzoek voormalige steenfabriek IJzerdoorn" van 30 april 2014. Ekstefa B.V. betoogt dat de gronden met een bedrijfsbestemming buiten de begrenzing moeten worden gehouden. De begrenzing dient volgens haar te worden aangepast overeenkomstig de begrenzing van de natuurgebieden in de Omgevingsvisie van de Provincie Gelderland. Ekstefa B.V. heeft voorts naar voren gebracht dat een ambtenaar bij de provincie heeft toegezegd dat de begrenzing op dit punt zou worden aangepast.

15.1. De staatssecretaris wijst erop dat op dit punt geen wijzigingen in de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied zijn beoogd. De tekstuele exclaveringen zijn op de gebiedskaart verwerkt. Het halfverharde oppervlak valt volgens de staatssecretaris onder de exclaveringsformule uit het oorspronkelijke besluit en is daarmee buiten het gebied gelaten. De door Ekstefa B.V. gewenste begrenzing ter plaatse van de pyrietstort is volgens de staatsecretaris niet gebaseerd op ornithologische criteria. De staatssecretaris heeft er voorts op gewezen dat in het ecologisch onderzoek waarnaar Ekstefa B.V. verwijst, is bezien of sprake is van waardevolle habitattypen die aanwijzing rechtvaardigen, maar dat op grond van het rapport geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de aanwezigheid van overwinterende (water)vogels.

15.2. Het gebied Waal, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is reeds bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het onderhavige besluit strekt tot wijziging van onderdelen van dit eerdere besluit. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde.

15.3. De Afdeling stelt vast dat de begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied in het onderhavige aanwijzingsbesluit zoals weergegeven op de bij het besluit behorende kaarten niet is gewijzigd ter plaatse van de gronden die volgens Ekstefa B.V buiten het Natura 2000-gebied moeten worden gelaten.

15.4. De Afdeling stelt vast dat de gronden ter plaatse van de met klei afgedekte pyrietstort en het aangrenzende weideperceel op de kaart zijn aangeduid als behorend tot het Vogelrichtlijngebied. In het bestreden besluit is de begrenzing ter plaatse van de gronden niet gewijzigd. Uit het deskundigenbericht volgt dat de pyrietstort sinds de jaren '70 aanwezig is. Deze pyrietstort was in het oorspronkelijk besluit reeds aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Voor zover Ekstefa B.V. heeft gewezen op het rapport "Ecologisch onderzoek voormalige steenfabriek IJzerdoorn" stelt de Afdeling vast dat dit onderzoek uitsluitend betrekking heeft op de eventuele aanwezigheid van habitattypen en habitatsoorten. Uit het onderzoek kunnen derhalve geen conclusies worden getrokken ten aanzien de geschiktheid van de gronden voor vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. Niet is gebleken van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden op grond waarvan de gronden blijvend ongeschikt zijn geworden om een bijdrage te leveren aan de instandhoudingsdoelstellingen waarvoor het gebied is aangewezen.

15.5. Ten aanzien van het betoog dat de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied dient te worden aangepast aan de Omgevingsvisie Overijssel overweegt de Afdeling dat de begrenzing uitsluitend op grond van ornithologische criteria kan worden aangepast. De Omgevingsvisie is daarbij niet leidend. Voor zover Ekstefa B.V. naar voren heeft gebracht dat de ambtenaar van de provincie heeft toegezegd dat de begrenzing van het aangewezen gebied op de Omgevingsvisie zou worden aangepast, stelt de Afdeling vast dat de bevoegdheid tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden berust bij de staatssecretaris. Een ambtenaar van de provincie kan hieromtrent geen toezeggingen doen die de staatssecretaris binden. Het bestreden besluit is derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

15.6. Uit het deskundigenbericht volgt dat ter plaatse van de entree van het terrein nabij de voormalige bedrijfswoning de weg is verbreed met puingranulaat en grind ten behoeve van parkeergelegenheid. De Afdeling stelt vast dat deze gronden ter plaatse van het halfverharde oppervlak op de kaart zijn aangeduid als behorend bij het Vogelrichtlijngebied en kunnen worden aangemerkt als verharding als bedoeld in de exclaveringsformule. Nu het gelet op hetgeen is overwogen in 4.5 en verder onvoldoende kenbaar is welke peildatum voor de toepassing van de exclaveringsformule dient te worden gehanteerd, kan niet worden vastgesteld of het parkeerterrein onder het toepassingsbereik van deze formule valt. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de gronden ter plaatse van dit terrein deel uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. Het besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van Ekstefa B.V. is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de gronden ter plaatse van het parkeerterrein, dient wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

Het beroep van Rodruza B.V. en Castra B.V.

16. Rodruza B.V. en Castra B.V. betogen dat de zienswijzen onvoldoende zijn beantwoord. Omdat de zienswijzen op hoofdlijnen en anoniem zijn behandeld, is de beantwoording van de individuele zienswijzen volgens hen ten onrechte niet te achterhalen.

16.1. De Nota van Antwoord bevat een weergave van algemene lijnen en principes van het beleid. De zienswijzen met betrekking tot de ontwerpbesluiten zijn in het bestreden besluit per thema besproken. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich hier niet tegen. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Het betoog faalt.

17. Rodruza B.V. en Castra B.V. betogen voorts dat het terrein van de steenfabriek De Zandberg en de ter plaatse vergunde en aanwezige laad- en losvoorzieningen ten onrechte zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Zij betogen dat de aanwijzing in zoverre niet op ecologische criteria is gebaseerd. Volgens hen zijn de gronden al sinds jaren als bedrijfsterrein in gebruik en is ter plaatse geen sprake van natuurwaarden. Ter zitting hebben Rodruza B.V. en Castra B.V. naar voren gebracht dat uit ecologisch onderzoek volgt dat geen natuurwaarden aanwezig zijn. Rodruza B.V. en Castra B.V. wijzen er verder op dat de aanwezige laad- en losvoorziening is gelegen in de directe nabijheid van de zeer drukbevaren Bovenrijn. Dit gebied is volgens hen niet van belang voor watervogels. Voorts wijzen zij erop dat zowel het terrein van de steenfabriek als van de laad- en loswal in de Omgevingsvisie buiten de natuurbegrenzing is gehouden. Rodruza B.V. en Castra B.V. voeren verder aan dat het perceel aangrenzend aan het bedrijfsterrein van de steenfabriek De Zandberg ten onrechte als Natura 2000-gebied is aangewezen. Ten gevolge van het intensieve agrarische beheer is de ecologische betekenis van het terrein volgens hen zeer beperkt.

17.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het terrein van de steenfabriek De Zandberg volledig buiten de aanwijzing van het Natura 2000-gebied is gebleven. De aanwezige laad- en losfaciliteit is volgens de staatssecretaris tekstueel geëxclaveerd. De omstandigheid dat de gronden ten westen en ten noorden van het terrein van de steenfabriek De Zandberg in eigendom zijn van appellanten is volgens de staatssecretaris geen reden om deze gronden niet als Natura 2000-gebied aan te wijzen.

17.2. Ten aanzien van de gronden aangrenzend aan het bedrijfsterrein van de steenfabriek De Zandberg, stelt de Afdeling vast dat de begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied in het onderhavige aanwijzingsbesluit niet is gewijzigd. In de door de Rodruza B.V. en Castra B.V. aangedragen redenen heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de huidige begrenzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied te wijzigen. Rodruza B.V. en Castra B.V. hebben niet inzichtelijk gemaakt dat met betrekking tot de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. Hierbij is van belang dat zij niet heeft gewezen op factoren waardoor het reeds aangewezen gebied - of een deel daarvan - niet meer kan bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Dat de gronden in gebruik zijn ten behoeve van agrarisch beheer, maakt niet dat daarvan sprake is aangezien dit gebruik blijkens het deskundigenbericht reeds bestond ten tijde van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied en sindsdien niet is geïntensiveerd, zodat geen sprake is van een nieuwe omstandigheid. Voor zover Rodruza B.V. en Castra B.V. ter zitting naar voren hebben gebracht dat uit onderzoek volgt dat de gronden niet meer kunnen bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, stelt de Afdeling vast dat dit onderzoek door Rodruza B.V. en Castra B.V. niet eerder aan de orde is gesteld en geen deel uitmaakt van het dossier. In de enkele stelling dat uit onderzoek volgt dat de gronden niet langer geschikt zijn, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het betoog faalt.

17.3. Voor zover de gronden tevens zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied, is in 2.3 overwogen dat bij de begrenzing van dit gebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard kunnen worden betrokken. De Afdeling is van oordeel dat Rodruza B.V. en Castra B.V. met de enkele stelling dat het gebied voor agrarische doeleinden wordt gebruikt, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de begrenzing niet op ecologische overwegingen is gebaseerd.

18. Rodruza B.V. en Castra B.V. betogen tot slot dat terreinen waarvoor een ontgrondingsvergunning is verleend ten onrechte deel uitmaken van het Natura 2000-gebied. Hierdoor dreigt de continuïteit van de grondstoffenvoorziening van de steenfabriek in gevaar te komen. Volgens Rodruza B.V. en Castra B.V. ontbreekt op dit punt een ecologische onderbouwing van het bestreden besluit.

18.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat het gebied niet wordt herbegrensd op grond van de wens om tot ontgronding over te gaan. Het betreft volgens de staatssecretaris een gebied van plassen en graslanden die van belang zijn als voedselgebied en rustplaats voor watervogels waarvoor het gebied is aangewezen. Daarnaast is het habitattype stroomdalgraslanden (H6120) aanwezig.

18.2. Vatstaat dat de gronden waarvoor de ontgrondingsvergunning is verleend zijn aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Deze vergunning is verleend in de jaren '60. Ter zitting is gebleken dat de ontgrondingen deels zijn uitgevoerd en deels nog niet. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk geworden dat de gronden ten gevolge van de ontgrondingen niet meer kunnen bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De enkele omstandigheid dat voor de gronden een ontgrondingsvergunning is verleend, maakt immers niet dat deze gronden niet meer behoeven te worden aangewezen als Natura 2000-gebied. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat de gronden als voedsel- en rustgebied voor watervogels worden gebruikt en dat het habitattype (H6120) ter plaatse voorkomt. Zoals reeds is overwogen in r.o. 2.2 en 2.3 mogen bij de begrenzing van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied uitsluitend ornithologische en ecologische criteria worden gehanteerd. De bedrijfseconomische belangen van Rodruza B.V. en Castra B.V. kunnen bij de vaststelling van de begrenzing derhalve niet worden betrokken. Het betoog faalt.

18.3. Met betrekking tot de laad- en loswal stelt de Afdeling vast dat deze binnen het als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied ligt, zoals op de kaart weergegeven.

Het gebied Gelderse Poort, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Uit het deskundigenbericht volgt dat de laad- en losfaciliteit in 2005 is aangelegd. Het betreft een weg langs de Waal en een weg haaks daarop. De weg langs de Waal is verhard met betonnen platen, het andere stuk met rijplaten. De rijplaten liggen ook als verharding op het drijvende ponton.

18.4. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.5 is onvoldoende kenbaar welke peildatum voor de toepassing van de exclaveringsformule dient te worden gehanteerd. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld of de laad- en losfaciliteit onder het toepassingsbereik van deze formule valt. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de gronden ter plaatse van deze laad- en losfaciliteit deel uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. Het besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van Rodruza B.V. en Castra B.V. is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de gronden ter plaatse van de laad- en losfaciliteit, dient wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 15]

19. [appellante sub 15] heeft de beroepsgrond met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel ter zitting ingetrokken.

20. [appellante sub 15] betoogt dat de zienswijzen onvoldoende zijn beantwoord. Omdat de zienswijzen op hoofdlijnen en anoniem zijn behandeld, is de beantwoording van de individuele zienswijzen volgens haar ten onrechte niet te achterhalen.

20.1. De Nota van Antwoord bevat een weergave van algemene lijnen en principes van het beleid. De zienswijzen met betrekking tot de ontwerpbesluiten zijn in het bestreden besluit per thema besproken. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich hier niet tegen. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is, zoals reeds overwogen in 16.1, op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Het betoog faalt.

21. [appellante sub 15] betoogt verder dat ten onrechte niet het gehele bedrijfsterrein van de kleiwarenfabriek buiten de begrenzing van het gebied is gelaten. Een strook grond ten westen van het bedrijventerrein die in gebruik is als kleidepot, is volgens haar binnen de begrenzing gelegen. Daarnaast wijst [appellante sub 15] erop dat gronden die zullen worden benut voor de uitbreiding van het kleidepot ten onrechte deel uitmaken van het aangewezen Natura 2000-gebied. In dit verband wijst zij erop dat het gemeentebestuur heeft toegezegd medewerking te verlenen aan deze uitbreiding. Voorts liggen er volgens haar geen ecologische criteria aan de aanwijzing van de delen van het terrein van de fabriek ten grondslag. Verder is het aanwijzingsbesluit op dit punt in strijd met de afspraken die de provincie Gelderland en het ministerie van EZ hebben gemaakt over de begrenzing van de Natura 2000-gebieden.

21.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat de grens van het fabrieksterrein aan de westzijde op grond van de aanwezige bebouwing wat is verruimd. Eigendomsgrenzen, bestemmingen en toekomstige ontwikkelingen kunnen geen rol spelen bij het vaststellen van de begrenzing, omdat de begrenzing van het gebied uitsluitend op ecologische gronden kan geschieden, aldus de staatssecretaris. Voorts stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat alle steenfabrieken buiten het aangewezen gebied zijn gelaten, zodat de gemaakte afspraken zijn nagekomen en het besluit niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

21.2. De Afdeling stelt vast dat de gronden die [appellante sub 15] voornemens is te benutten voor de uitbreiding van het kleidepot zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied.

Het gebied Gelderse Poort, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken is bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het onderhavige besluit strekt tot wijziging van onderdelen van dit eerdere besluit. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dit in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde.

Zoals reeds overwogen in 2.2 en 2.3 mogen bij de begrenzing van het Natura 2000-gebied uitsluitend ecologische en ornithologische criteria worden gehanteerd. Gelet hierop kunnen eventuele toekomstige ontwikkelingen niet bij de begrenzing van het gebied worden betrokken. Dat [appellante sub 15] in de toekomst voornemens is de gronden als kleidepot te gebruiken, heeft wat hier ook van zij, derhalve niet tot gevolg dat de begrenzing van het gebied moet worden aangepast. Dat de raad heeft toegezegd medewerking te zullen verlenen aan het gebruik van de gronden voor de uitbreiding van het kleidepot doet hier niet aan af, omdat voor de begrenzing van het gebied niet een eventuele publiekrechtelijke toestemming om gronden voor bepaalde doeleinden te gebruiken van belang is, maar de feitelijke geschiktheid van het gebied voor de daarbinnen voorkomende ornithologische en ecologische waarden. Het betoog faalt.

21.3. Met betrekking tot het betoog dat de begrenzing in strijd is met de afspraken die de provincie Gelderland met het ministerie van EZ heeft gemaakt, stelt de Afdeling voorop dat zoals uit het vorenstaande volgt bij de vaststelling van de begrenzing uitsluitend ornithologische en ecologische criteria mogen worden betrokken. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat in overleg met de provincie is beoogd de begrenzing van het Natura 2000-gebied zo veel mogelijk te laten aansluiten bij de begrenzing van de natuurgebieden in de Omgevingsvisie. [appellante sub 15] heeft in dit verband verwezen naar kaartblad 9 "water en natuur" bij de Omgevingsvisie. Ter zitting is gebleken dat de staatssecretaris kaartblad 7 "natuur" bij de Omgevingsvisie als uitgangspunt heeft gehanteerd. Nu de begrenzing overeenkomt met de begrenzing op het kaartblad 7 stelt de staatsecretaris zich op het standpunt dat de afspraken met de provincie in acht zijn genomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit onjuist is.

22. Het beroep van [appellante sub 15] is ongegrond.

Het beroep van Landgoed Linschoten

23. Landgoed Linschoten betoogt dat de zienswijzen onvoldoende zijn beantwoord. Omdat de zienswijzen op hoofdlijnen en anoniem zijn behandeld, is de beantwoording van de individuele zienswijzen volgens haar ten onrechte niet te achterhalen.

23.1. De Nota van Antwoord bevat een weergave van algemene lijnen en principes van het te voeren beleid. De zienswijzen met betrekking tot de ontwerpbesluiten zijn in het bestreden besluit per thema besproken. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich hier niet tegen. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is, zoals reeds overwogen in 16.1, op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Het betoog faalt.

24. Landgoed Linschoten betoogt dat de gronden in de Stiftse Uiterwaarden ten onrechte zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied. In dit verband wijst zij erop dat voor de gronden een ontgrondingsvergunning is verleend. De aanwijzing staat volgens Landgoed Linschoten aan de ontwikkeling van nieuwe natuur in de weg, omdat het aanwijzingsbesluit is gericht op het behouden van de bestaande natuurwaarden en habitattypen. Zij voert verder aan dat een ecologische onderbouwing voor de aanwijzing van de gronden ontbreekt. Voorts zijn volgens Landgoed Linschoten ten onrechte behouddoelstellingen opgenomen voor glanshaverhooiland, krabbescheer en fonteinkruiden, nu dergelijke behouddoelstellingen aan de ontwikkelingen van nieuwe natuur in de weg staan.

24.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat de Stiftse Uiterwaarden zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied, vanwege de aanwezigheid van een grote oppervlakte van glanshaverhooilanden in het gebied. Volgens de staatssecretaris kunnen de voorgenomen ontgrondingen geen reden zijn om de begrenzing van het gebied aan te passen. Volgens de staatssecretaris zal bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van het habitattype. Het aanwijzingsbesluit geeft geen uitsluitsel over de vraag of deze ontgronding mogelijk is.

24.2. De Afdeling stelt vast dat een deel van de gronden in de Stiftse Uiterwaarden in het bestreden besluit is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Deze gronden zijn onder meer aangewezen ten behoeve van de habitattypen glanshaverhooilanden en alluviale bossen. In het deskundigenbericht staat vermeld dat uit kaartmateriaal van de provincie volgt dat deze twee habitattypen ter plaatse voorkomen. In de enkele stelling van Landgoed Linschoten dat ter plaatse geen natuurwaarden aanwezig zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris de gronden in de Stiftse Uiterwaarden ten onrechte heeft aangewezen als habitatrichtlijngebied. Voor zover Landgoed Linschoten er ter zitting op heeft gewezen dat in opdracht van haar een inventarisatie naar de habitattypen wordt uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat geen rapport is overgelegd waarmee de staatssecretaris rekening heeft kunnen houden of waaruit volgt dat de aanwijzing van de gronden in de Stiftse Uiterwaarden is gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag. Het betoog faalt.

24.3. Voor zover Landgoed Linschoten heeft gewezen op de ten behoeve van natuurontwikkeling verleende ontgrondingsvergunningen overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verlening van deze vergunningen geen reden is de desbetreffende gronden niet als Habitatrichtlijngebied aan te wijzen. Bij de vaststelling van de begrenzing van het gebied gaat het niet om een eventuele publiekrechtelijke toestemming om gronden voor bepaalde doeleinden te gebruiken, maar om de feitelijke geschiktheid van het gebied voor de daarbinnen voorkomende ecologische waarden. Dit betekent overigens niet dat de aanwijzing van de gronden als Habitatrichtlijngebied zonder meer tot gevolg heeft dat van de ontgrondingsvergunningen geen gebruik kan worden gemaakt. In een procedure op grond van artikel 19d van de Nbw kan worden beoordeeld in hoeverre de ontgrondingswerkzaamheden de natuurlijke kenmerken van het gebied aantasten. Het betoog faalt.

25. Het beroep van Landgoed Linschoten is ongegrond.

Haven in de Middelwaard (beroepen van K3Delta B.V. en Middelwaard B.V.)

26. K3Delta B.V. en Middelwaard B.V. betogen dat de kaart van het gebied Neder-Rijn niet overeenkomstig het aanwijzingsbesluit is aangepast. Zij wijzen erop dat in het besluit is opgenomen dat de aanduiding jachthaven die op kaartblad 10 aan de Middelwaard is toegekend, dient te worden verwijderd.

26.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat de haven niet als jachthaven in gebruik is, zodat deze aanduiding ten onrechte op de kaart is opgenomen.

26.2. De Afdeling stelt vast dat op kaartblad 10 aan de Middelwaard de aanduiding jachthaven is toegekend. Niet in geschil is dat de gronden niet in gebruik zijn als jachthaven. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat het verwijderen van de aanduiding jachthaven weliswaar uit het oogpunt van duidelijkheid wenselijk wordt geacht, maar om technische redenen niet mogelijk was, omdat voor de ondergrond kaarten van het Kadaster worden gebruikt. Nu de aanduiding op het kaartblad op zichzelf geen betekenis heeft voor de vraag of, en zo ja in hoeverre, sprake is van exclavering van de haven en aldus geen juridische gevolgen heeft, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit op dit punt. Overigens heeft de staatssecretaris ter zitting toegezegd te zullen bevorderen dat de aanduiding van de kaart wordt verwijderd.

26.3. K3Delta B.V. en Middelwaard B.V. hebben voorts naar voren gebracht dat de volgens hen ter plaatse aanwezige industriehaven niet juist op de kaart is geëxclaveerd. Volgens hen dient de gehele baai buiten het aangewezen gebied te worden gelaten.

26.4. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat conform de exclaveringsformule uit het oorspronkelijke besluit vanaf de loswal een strook van 100 m is geëxclaveerd. De rest van de baai is open water en behoort tot het leefgebied van overwinterende vogels, aldus de staatssecretaris

26.5. Het gebied Neder-Rijn, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is reeds bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde.

26.6. In paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting bij het besluit van 24 maart 2000 tot aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied Neder-Rijn is vermeld dat (jacht)havens geen deel uitmaken van het aangewezen gebied. Uit artikel 2 van het bestreden besluit volgt dat de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000, met het bestreden besluit is vervangen door de bij dit aanwijzingsbesluit behorende Nota van toelichting. In de Nota van toelichting is de hiervoor genoemde tekstuele uitsluiting van jachthavens niet gehandhaafd, aangezien deze exclavering aanleiding gaf tot misverstanden en door gemeenten is opgevat als een vrijbrief voor de aanleg van jachthavens. Bij de vaststelling van het besluit heeft de staatssecretaris er daarom voor gekozen om de exclaveringsformule niet meer op te nemen, maar om alle havens die voor exclavering in aanmerking komen op de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaarten uit te zonderen van het aangewezen Vogelrichtlijngebied, aldus de Nota van toelichting.

26.7. De Afdeling stelt vast dat de haven is aangelegd voor de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000. De ter plaatse aanwezige haven viel derhalve onder de exclaveringsformule voor havens zoals opgenomen in de Nota van toelichting bij het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit. In deze formule is immers opgenomen dat (jacht)havens zijn uitgezonderd, hetgeen betekent dat havens, derhalve niet uitsluitend jachthavens maar ook andere havens, geen deel uitmaken van het aangewezen gebied. De Afdeling stelt vast dat op de kaart vanaf de aanwezige laad- en loswal overeenkomstig deze exclaveringsformule een strook van 100 m buiten het aangewezen gebied is gelaten. De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is op dit punt derhalve niet gewijzigd. K3Delta en Middelwaard B.V. hebben geen feiten of omstandigheden van na het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit naar voren gebracht die nopen tot wijziging van de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied op dit punt. Voor zover zij er ter zitting op hebben gewezen dat de gehele baai wordt gebruikt als onderwaterdepot, overweegt de Afdeling dat niet is aangetoond dat de gehele baai niet meer kan bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. In dit kader heeft de raad uiteengezet dat de wateren deel uitmaken van het leefgebied van overwinterende watervogels. K3Delta B.V. en Middelwaard B.V. hebben dit niet bestreden. Het betoog faalt.

27. Het beroep van Middelwaard B.V. is ongegrond.

Het beroep van K3Delta B.V. voor het overige

28. K3Delta B.V. heeft de beroepsgrond ten aanzien van de overnachtingshaven Spijk in de Bijenwaard ter zitting ingetrokken.

29. Ingevolge artikel 11, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb, wordt het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen over het ontwerp naar voren worden gebracht.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan slechts beroep worden ingesteld tegen een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied door een belanghebbende die tegen het ontwerpbesluit tijdig een zienswijze bij de minister naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

29.1. Hetgeen K3Delta B.V. naar voren heeft gebracht omtrent de gronden in de Bemmelse Waard die volgens haar ten onrechte niet zijn aangewezen als Natura 2000-gebied, steunt niet op een tegen het ontwerpaanwijzingsbesluit naar voren gebrachte zienswijze. De staatssecretaris heeft op dit punt geen wijzigingen in het aanwijzingsbesluit aangebracht ten opzichte van het ontwerp. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan K3Delta B.V. redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen zienswijze naar voren te hebben gebracht. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

30. K3Delta B.V. betoogt voorts dat de gronden ter plaatse van de op het bedrijventerrein in de Bemmelse Waard aanwezige overslaghaven ten onrechte zijn aangewezen als Natura 2000-gebied.

30.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat de haven is aangelegd na de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied. Gelet hierop valt de haven niet onder de exclaveringsformule voor havens zoals opgenomen in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit, zodat de haven daarom niet op de kaart is uitgezonderd.

30.2. De Afdeling stelt vast dat de inham ter plaatse van de Bemmelse Waard binnen het als Vogelrichtlijngebied aangewezen gebied ligt. De haven is in 2008 aangelegd. Gelet hierop valt de haven niet onder de exclaveringsformule voor havens uit het oorspronkelijke besluit.

30.3. Het gebied Gelderse Poort, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is reeds bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde.

30.4. De Afdeling stelt vast dat de begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied in het onderhavige aanwijzingsbesluit niet is gewijzigd ter plaatse van de inham. K3Delta B.V. heeft niet inzichtelijk gemaakt dat met betrekking tot de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. Weliswaar is het gebruik van de inham als haven na de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied geïntensiveerd, maar daarmee is niet komen vast te staan dat de inham niet meer kan bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

Het betoog faalt.

31. K3Delta B.V. voert verder aan dat de haven in de Havikerwaard ten onrechte is aangewezen als Natura 2000-gebied.

31.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat het water van de haven niet is geëxclaveerd, omdat daar in de zienswijze niet om is gevraagd. De zienswijze gaf volgens de staatssecretaris geen aanleiding om de grens van het gebied op deze locatie aan een nader onderzoek te onderwerpen. Voorts wijst de staatssecretaris erop dat de inham deel uitmaakt van het leefgebied van beschermde vogelsoorten.

31.2. Het gebied IJssel, dat thans deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Rijntakken, is reeds bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na oorspronkelijke besluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde.

31.3. De Afdeling stelt vast dat in het aanwijzingsbesluit het gehele bedrijventerrein buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied valt. Het water van de haven ligt op de kaart binnen de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied. De begrenzing van het reeds aangewezen Vogelrichtlijngebied is in het onderhavige aanwijzingsbesluit niet gewijzigd ter plaatse van de gronden waarvan K3Delta B.V. betoogt dat die geen onderdeel zouden moeten uitmaken van het Vogelrichtlijngebied. Deze gronden maakten reeds deel uit van het bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen gebied.

31.4. K3Delta B.V. heeft niet inzichtelijk gemaakt dat met betrekking tot de geschiktheid van het reeds aangewezen gebied sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 voor de daarbinnen voorkomende vogelwaarden die nopen tot wijziging van de begrenzing. Dat deze gronden, zoals K3Delta B.V. betoogt, in gebruik zijn als haven, is daarvoor onvoldoende, nu, zoals uit het deskundigenbericht volgt, dit gebruik reeds bestond ten tijde van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied, zodat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Daarbij acht de Afdeling voorts van belang dat volgens het deskundigenbericht het gebruik van de haven sinds de aanleg niet is gewijzigd. Het betoog faalt.

32. Het beroep van K3Delta B.V. is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 19] en het beroep van Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V.

bedrijfsbelangen

33. [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. betogen dat het aanwijzingsbesluit mogelijk zal leiden tot een beperking van hun bedrijfsactiviteiten. Voorts zal het aanwijzingsbesluit volgens hen negatieve gevolgen hebben voor hun ontwikkelingsmogelijkheden. In dit verband vrezen zij dat de aanwijzing leidt tot langdurige vergunningtrajecten, hetgeen volgens hen voorgenomen uitbreidingsplannen zal vertragen. De staatssecretaris heeft dit volgens hen onvoldoende bij de afweging betrokken.

33.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat bedrijfsbelangen geen rol mogen spelen bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. De begrenzing van deze gebieden dient op grond van ornithologische en ecologische criteria te worden vastgesteld.

33.2. Zoals reeds overwogen onder 2.1 mogen bij de vaststelling van de begrenzing van een Natura 2000-gebied uitsluitend ornithologische en ecologische criteria worden betrokken. Geen rekening mag worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied. De staatssecretaris heeft bij de vaststelling van de begrenzing van het gebied dan ook terecht eventuele negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. niet betrokken bij de vaststelling van de begrenzing van het gebied.

De vraag welke gevolgen het aanwijzingsbesluit heeft voor de besluiten omtrent eventuele vergunningaanvragen, kan voorts niet op voorhand in een aanwijzingsbesluit in algemene zin worden beantwoord. Dit zal van geval tot geval dienen te worden bepaald in de daartoe voorgeschreven procedure van de desbetreffende wet. Het betoog faalt.

de zone aan de zuidoever van de IJssel tussen de haatlandhaven en de N50

34. [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. betogen voorts dat de zone aan de zuidoever van de IJssel tussen de Haatlandhaven en de N50 ten onrechte is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Dit gebied is niet van belang voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen, nu hier geen natuurwaarden aanwezig zijn. Volgens [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. hanteert de staatssecretaris een te strikte benadering ten aanzien van de wijziging van de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied en heeft daarom geen zorgvuldige afweging plaatsgevonden.

34.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat deze gronden al in 2000 als Vogelrichtlijngebied zijn aangewezen. De begrenzing van het gebied is op dit punt niet gewijzigd. Volgens de staatssecretaris heeft er in 2000 geen begrenzingsfout plaatsgevonden. De zuidoevers van de IJssel tussen de Haatlandhaven en de N50 zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied gelet op de aanwezigheid van moeras dat met het open water en de graslanden het leefgebied vormt van een aantal vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. Volgens de staatssecretaris volgt uit de "Voortoets bestemmingsplan Haatland" dat in ieder geval de tureluur nog ter plaatse voorkomt. Voorts wijst de staatssecretaris erop dat indien een gebied niet langer het meest geschikte gebied is, dit niet betekent dat de aanwijzingsverplichting komt te vervallen. De gronden van de haven zijn voorts geheel buiten de aanwijzing gelaten, aldus de staatssecretaris.

34.2. De Afdeling stelt vast dat de zuidoevers van de IJssel tussen de Haatlandhaven en de N50 in het bestreden besluit zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Voorts stelt de Afdeling vast dat deze gronden reeds bij besluit van 24 maart 2000 als onderdeel van het gebied IJssel zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied en dat de begrenzing in het onderhavige aanwijzingsbesluit zoals weergegeven op de bij het besluit behorende kaarten ter plaatse van deze gronden niet is gewijzigd.

Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde. In dit verband hebben [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. gewezen op de aanleg van de Zuiderzeehaven. Deze uitbreiding van de Haatlandhaven heeft volgens het deskundigenbericht in 2005 plaatsgevonden. Ten aanzien van het betoog dat de gronden tussen de Haatlandhaven en de N50 door het gebruik niet langer geschikt zijn als leefgebied voor de vogelsoorten ten behoeve waarvan het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen, heeft de staatssecretaris uiteengezet dat uit recent onderzoek is gebleken dat de gronden nog steeds het leefgebied vormen van een aantal vogels, waaronder de tureluur. [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gronden niet meer kunnen bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Het betoog faalt.

de Pijperstaartpolder

35. [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. betogen voorts dat de Pijperstaartpolder ten onrechte is aangewezen als Natura 2000-gebied. De Pijperstaartpolder draagt volgens [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. nauwelijks bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen waarvoor het gebied is aangewezen. Volgens hen wordt de polder zeer beperkt gebruikt door vogels. Voorts heeft de staatssecretaris volgens hen onvoldoende onderbouwd waarom de polder is aangewezen als habitatrichtlijngebied. Niet is gebleken dat de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen ter plaatse voorkomen. Voorts is de Pijperstaartpolder ten onrechte aangewezen voor de bever, omdat deze ter plaatse niet voorkomt, aldus [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V.

35.1. De staatssecretaris brengt naar voren dat de Pijperstaartpolder reeds eerder als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Volgens de staatssecretaris is de polder van belang voor verschillende vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder wijst de staatssecretaris erop dat niet de aanwezigheid van de bever, maar de aanwezigheid van de modderkruiper en het habitattype beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruid) H 3260B de reden was om het gebied aan te wijzen als Habitatrichtlijngebied.

35.2. De Afdeling stelt vast dat de Pijperstaartpolder in het bestreden besluit is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. De Afdeling stelt voorts vast dat deze gronden reeds bij besluit van 24 maart 2000 als onderdeel van het gebied IJssel zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied en dat de begrenzing in het onderhavige aanwijzingsbesluit zoals weergegeven op de bij het besluit behorende kaarten ter plaatse van deze gronden niet is gewijzigd. Zoals reeds is overwogen in 2.2 zijn, behoudens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden van na het oorspronkelijke besluit, voor zover dat in rechte onaantastbaar is geworden, uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit aan de orde. In dit verband hebben [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. gewezen op de ontwikkeling van bedrijvigheid op de percelen in de nabijheid van de Pijperstaartpolder. Met de enkele stelling dat de polder door deze bedrijvigheid minder geschikt is voor vogels is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk geworden dat de gronden niet meer bij kunnen bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Dat in de polder in vergelijking tot andere gebieden relatief lage aantallen wintergasten verblijven, betekent niet dat de polder geen bijdrage levert aan de instandhoudingsdoelstellingen. Hieruit volgt dat de staatssecretaris niet gehouden was de begrenzing op dit punt aan te passen. Het betoog faalt.

35.3. Daarnaast is de Pijperstaartpolder aangewezen als Habitatrichtlijngebied. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat dit gebied in 2003 is aangemeld en op de lijst van communautair belang is geplaatst.

Uit het aanwijzingsbesluit volgt dat de Pijperstaartpolder is aangewezen vanwege de aanwezigheid van de modderkruiper en het habitattype beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruid) H 3260B. Volgens de staatssecretaris vormt de polder een ecologische eenheid met de rest van het aangewezen gebied. [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. hebben op zichzelf terecht naar voren gebracht dat in de Pijperstaartpolder geen bevers voorkomen. Niet de aanwezigheid van de bever, maar de aanwezigheid van de modderkruiper en het habitattype beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruid) H 3260B is de reden geweest voor de aanwijzing van het gebied. Voor aanwijzing van een gebied als Habitatrichtlijngebied is niet vereist dat alle soorten en habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen ter plaatse voorkomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris de Pijperstaartpolder niet als Habitatrichtlijngebied heeft kunnen aanwijzen. Het betoog faalt.

haalbaar en betaalbaar

36. Tot slot betogen [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. dat de staatssecretaris ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de haalbaarheid en betaalbaarheid van de verbeterdoelstellingen die voor habitattypen en -soorten zijn opgenomen. Volgens hen blijkt onvoldoende dat de staatssecretaris dit uitgangspunt bij de instandhoudingsdoelstellingen heeft betrokken. Voorts voeren zij in dit verband aan dat onvoldoende duidelijk is of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de verbeterdoelstellingen te realiseren.

36.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat één van de algemene uitgangspunten is dat een gunstige of herstelbare staat van instandhouding van een soort of een habitattype als randvoorwaarde wordt gesteld. Alle gebieden waar de soort een goede of herstelbare kwaliteit heeft, zijn geselecteerd. Soorten en habitattypen die sporadisch in een gebied zijn waargenomen, maar waarvan wordt verwacht dat ze niet in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht, worden niet opgenomen, aldus de staatssecretaris. Een van de uitgangspunten bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen is "haalbaar en betaalbaar". Volgens de staatssecretaris is bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen voldoende rekening gehouden met dit uitgangspunt.

36.2. In het Doelendocument, dat aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag is gelegd, en het aanwijzingsbesluit staat de systematiek die de staatssecretaris hanteert bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen beschreven. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat de selectie en de vaststelling van de begrenzing van een Natura 2000-gebied plaatsvindt aan de hand van uitsluitend ecologische en ornithologische criteria. Vervolgens wordt de landelijke staat van instandhouding van de verschillende soorten en habitattypen bepaald. Dit gebeurt onder meer door de draagkracht van de Natura 2000-gebieden en de trend van de soorten en habitattypen te bepalen met behulp van een aantal beoordelingscriteria. Met betrekking tot de soorten waarvoor het gebied op grond van de Vogelrichtlijn is aangewezen, wordt de staat van instandhouding mede bepaald op grond van de historische potentie van het gebied. Op basis van de landelijke staat van instandhouding van de soorten en habitattypen wordt een opgave geformuleerd op grond waarvan landelijke doelstellingen worden vastgesteld. Indien sprake is van een ongunstige staat van instandhouding wordt volgens het Doelendocument in beginsel een herstelopgave in de landelijke instandhoudingsdoelstelling opgenomen.

Vervolgens worden de instandhoudingsdoelstellingen per gebied vastgesteld. Hierbij staat de landelijke doelstelling en de landelijke staat van instandhouding van de soorten en habitattypen centraal. Bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau houdt de minister ook rekening met andere dan ecologische criteria. In dit verband hanteert de minister het uitgangspunt "haalbaar en betaalbaar", wat inhoudt dat ook economische overwegingen een rol mogen spelen bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor een bepaald Natura 2000-gebied. Zo beziet de minister in welke gebieden een eventuele herstelopgave het eenvoudigst kan worden gerealiseerd. Indien blijkt dat de som van de verschillende gebiedsdoelstellingen niet kan leiden tot realisatie van de landelijke doelstelling en derhalve niet kan leiden tot een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau, vindt volgens het Doelendocument een terugkoppeling plaats. Bij deze terugkoppeling wordt nogmaals de haalbaarheid van de verschillende gebiedsdoelen bezien, waarbij in dit stadium ecologische criteria doorslaggevend zijn. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris uiteengezet dat er diverse consultatierondes met deskundigen en terreinbeheerders zijn gehouden en dat verschillende kansenanalyses zijn uitgevoerd. Voorts heeft het Landbouw ecologische instituut een globale kostenanalyse uitgevoerd. Verder is door het instituut voor milieuvraagstukken een batenanalyse uitgevoerd. Hieruit volgt dat de stelling van [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. dat de staatssecretaris geen onderzoek heeft gedaan naar de haalbaarheid en de betaalbaarheid van de verbeterdoelstellingen feitelijk onjuist is. [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. Het betoog faalt.

36.3. Voor zover [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. betogen dat onvoldoende duidelijk is of voldoende financiële middelen voorhanden zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te verwezenlijken, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 2 juli 2014 in zaak nr. 201305234/1/R2, dat het met betrekking tot aanwijzingsbesluiten gevoerde beleid inzake "haalbaar en betaalbaar", ziet op de meest efficiënte aanwending van financiële middelen om een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau te bereiken. Uit de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit of het Natura 2000 doelendocument blijkt niet dat dit beleid mede strekt tot zekerstelling van de benodigde financiële middelen voor het uitvoeren van de maatregelen ten behoeve van het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gezet dat voldoende financiële middelen voorhanden zijn om maatregelen te treffen om invulling te geven aan de herstelopgaven. [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Het betoog faalt.

37. De beroepen van [appellante sub 19] en Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V. zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 21] en anderen

38. [appellant sub 21] en anderen betogen dat gelet op de samenvoeging van de verschillende deelgebieden tot één Natura 2000-gebied een nieuw ontwerpbesluit ter inzage diende te worden gelegd. In dit verband wijzen zij erop dat het gebied de Gelderse Poort na de samenvoeging voor meer soorten is aangewezen dan in het ontwerpbesluit. Betrokkenen hadden de gelegenheid moeten krijgen opnieuw een zienswijze naar voren te brengen

38.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het niet noodzakelijk is om opnieuw een ontwerpbesluit ter inzage te leggen. De ontwerpbesluiten voor de afzonderlijke deelgebieden hebben ter inzage gelegen en door het samenvoegen van deze gebieden verandert volgens de staatssecretaris het karakter van het besluit en de gebieden niet.

38.2. Het Natura 2000-gebied Rijntakken bestaat uit de deelgebieden Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Nbw 1998 is op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Voor alle deelgebieden is een apart ontwerpbesluit ter inzage gelegd. De staatssecretaris heeft bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit besloten om de deelgebieden samen te voegen tot één Natura 2000-gebied. Uit het aanwijzingsbesluit volgt dat deze samenvoeging heeft plaatsgevonden met het oog op de fysieke samenhang van de riviertakken met de uiterwaarden. Alle gebieden maken deel uit van het stroomgebied van de Rijn.

38.3. De Afdeling overweegt dat ten opzichte van een ontwerpaanwijzingsbesluit wijzigingen kunnen worden aangebracht. Het opnieuw doorlopen van afdeling 3.4 is slechts noodzakelijk indien gelet op de aard en de omvang van de wijzigingen sprake is van een wezenlijk ander besluit.

38.4. Door de samenvoeging van de deelgebieden tot één gebied is het oppervlak van het Natura 2000-gebied in totaal flink toegenomen. In de enkele samenvoeging van het oppervlak van de deelgebieden tot één Natura 2000-gebied ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat afdeling 3.4 opnieuw diende te worden doorlopen. Ten aanzien van alle ontwerpaanwijzingsbesluiten konden zienswijzen naar voren worden gebracht. De Afdeling stelt vast dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied ten opzichte van de ontwerpbesluiten uitsluitend op ondergeschikte punten is gewijzigd. Voorts heeft de samenvoeging van de vier deelgebieden tot gevolg dat een aantal gebieden voor meer vogelsoorten zijn aangewezen dan in de ontwerpbesluiten. Nu de gebieden een grote mate van fysieke samenhang vertonen, waren de gebieden in de ontwerpbesluiten reeds grotendeels aangewezen voor dezelfde vogelsoorten. Gelet hierop ziet de Afdeling ook hierin geen aanleiding voor het oordeel dat ten opzichte van de ontwerpbesluiten dusdanige wijzigingen zijn aangebracht dat sprake is van een wezenlijk ander besluit. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat afdeling 3.4 niet opnieuw behoefde te worden doorlopen. Het betoog faalt.

39. [appellant sub 21] en anderen voeren verder aan dat in het aanwijzingsbesluit ten onrechte niet de locaties waar de verschillende habitattypen en soorten voorkomen zijn weergegeven. In dit verband wijzen zij erop dat niet elke soort in elk deel van het gebied voorkomt. [appellant sub 21] en anderen vrezen dat bepaalde activiteiten niet kunnen worden vergund, omdat het gebied is aangewezen voor bepaalde soorten of habitattypen die niet in het desbetreffende deel van het gebied voorkomen. Volgens [appellant sub 21] en anderen is het standpunt van de staatssecretaris dat de locaties waar de habitattypen en soorten voorkomen in het beheerplan kunnen worden opgenomen in strijd met de Nbw 1998, omdat de gebieden in het aanwijzingsbesluit moeten worden aangewezen.

39.1. De staatssecretaris wijst erop dat de Groote Geldersche waard uitsluitend is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat hij het toevoegen van habitatkaarten aan het besluit niet zinvol acht. In dit verband wijst de staatssecretaris erop dat het een dynamisch gebied betreft waar de locaties waar habitattypen aanwezig zijn kunnen veranderen. Door de locaties vast te leggen in het besluit kan onvoldoende rekening worden gehouden met de natuurlijke processen. Voorts levert het toevoegen van de exacte ligging van de habitattypen volgens de staatssecretaris geen meerwaarde op.

39.2. Uit het aanwijzingsbesluit volgt dat indien een gebied aan de selectiecriteria voldoet voor een bepaald habitattype of een bepaalde soort, dit gebied voor deze soort of dit habitattype wordt aangewezen. In paragraaf 4.4 van het aanwijzingsbesluit staat globaal beschreven waar de soorten en habitattypen in de verschillende deelgebieden voorkomen. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat het gelet op de natuurlijke fluctuatie van de habitattypen niet wenselijk is de precieze locaties in het aanwijzingsbesluit zelf in kaart te brengen. Oppervlakten van habitattypen verdwijnen en komen er elders weer bij. Met de gekozen systematiek worden alle locaties waar de habitattypen en -soorten waarvoor het gebied is aangewezen beschermd. Bij de vaststelling van het beheerplan waarin de instandhoudingsmaatregelen worden opgenomen, wordt naar de precieze ligging van de locaties waar de verschillenden habitattypen voorkomen gekeken en worden habitatkaarten gemaakt. Voor zover [appellant sub 21] en anderen vrezen bij de aanvraag van een vergunning moeilijkheden te ondervinden in verband met soorten die ter plaatse niet voorkomen, overweegt de Afdeling dat bij de aanvraag en verlening van een Nbw-vergunning de mogelijke effecten van een voorgenomen activiteit in kaart moeten worden gebracht. Daarbij dient te worden bezien welke aangewezen soorten en habitattypen feitelijk ter plaatse voorkomen en mogelijk negatieve effecten ondervinden. Gelet op het vorenstaande heeft de staatsecretaris er naar het oordeel van de Afdeling voor kunnen kiezen in het aanwijzingsbesluit niet de exacte locaties waar de verschillende habitattypen en -soorten voorkomen op te nemen. Het betoog faalt.

40. [appellant sub 21] en anderen betogen tot slot dat ten onrechte geen afstemming heeft plaatsgevonden tussen het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime en de aanwijzing als Natura 2000-gebied. De wijzigingen van het waterpeil kunnen volgens hen gevolgen hebben voor de aanwezige habitattypen. De staatssecretaris heeft volgens [appellant sub 21] en anderen de mogelijke gevolgen hiervan onvoldoende bezien.

40.1. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat de afstemming in het kader van het grond- en oppervlaktewaterregime plaats dient te vinden bij de vaststelling van het beheerplan.

40.2. De Afdeling stelt vast dat de wijzigingen van het waterpeil in peilbesluiten worden geregeld. In het aanwijzingsbesluit worden de begrenzing, de te beschermen waarden en de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied vastgelegd. De eventuele effecten van de verhoging van de grondwaterstand zijn bij de aanwijzing van de gronden als Natura 2000-gebied niet aan de orde. In het kader van het beheerplan zullen de eventuele effecten op de grondwaterstand in kaart worden gebracht en worden de gevolgen hiervan bezien. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in het kader van het aanwijzingsbesluit onvoldoende aandacht is besteed aan de gevolgen van wijzigingen van het oppervlakte- en grondwater. Het betoog faalt.

41. Het beroep van [appellant sub 21] en anderen is ongegrond.

Het beroep van GNMF

Dijken

42. GNMF heeft bezwaar tegen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied. Zij betoogt dat de begrenzing van het gebied ten opzichte van het ontwerpbesluit ten onrechte is gewijzigd van de buitenkruinlijn van primaire waterkeringen naar de buitenteen. De dijkhellingen die hierdoor buiten de begrenzing van het aangewezen gebied gebracht zijn, zijn volgens GNMF van belang voor het habitattype stroomdalgraslanden (H6120). Hierbij wijst zij erop dat dit habitattype in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert en dat het een prioritaire soort betreft. De dijkhellingen, waarop dit habitattype volgens GNMF aanwezig is, zijn dan ook noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding voor dit habitattype.

42.1. Zoals de Afdeling in 2.1 reeds heeft overwogen, bestaat bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied een zekere beoordelingsruimte bij de exacte begrenzing. De begrenzing van het gebied dient wel te berusten op ecologische criteria. Met betrekking tot de begrenzing van een Natura 2000-gebied is volgens paragraaf 3.2 van de Nota van toelichting bij het besluit en paragraaf 3.1 van de daarbij behorende bijlage C de begrenzing van het aangewezen gebied in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van de habitattypen en de leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voorts wordt in algemene zin vermeld dat het begrensde gebied ook natuurwaarden omvat die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren en die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen.

42.2. Het gebied Rijntakken is onder meer aangewezen voor de habitattypen glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) en stroomdalgraslanden (H6120).

In de Nota van toelichting bij het besluit is vermeld dat waar de winterdijk de buitengrens van het gebied vormt, het aan de rivierzijde gelegen dijktalud dat in het ontwerpbesluit was toegevoegd, geen deel uitmaakt van het aangewezen gebied. De wijziging van de begrenzing van het gebied betreft in zoverre een verkleining ten opzichte van het ontwerpbesluit. Het vormt echter geen wijziging ten opzichte van de aanmelding bij de Europese Commissie en plaatsing van het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang.

Uit het ontwerpbesluit van het Habitatrichtlijngebied Uiterwaarden IJssel volgt dat de hellingen van winterdijken in het aangewezen gebied waren opgenomen met het oog op het habitattype glanshaverhooilanden (H6510A). Voorts is in het ontwerpbesluit geconstateerd dat het habitattype stroomdalgraslanden (H6120) plaatselijk op de dijkhellingen voorkomt.

Nu wat betreft de begrenzing van de dijken de definitieve begrenzing is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit, overweegt de Afdeling dat het in beginsel aan de staatssecretaris is om dergelijke wijzigingen van de begrenzing op basis van een ecologisch criterium te motiveren. De staatssecretaris stelt dat weliswaar het habitattype glanshaverhooilanden (H6510A) op delen van de dijkhellingen aanwezig is, maar dat deze gebieden niet aansluiten op de locaties in de uiterwaarden waar dit habitattype eveneens voorkomt, zodat geen sprake is van een ecologische eenheid. De dijkhellingen omvatten volgens de staatssecretaris dan ook geen natuurwaarden die integraal deel uitmaken van de ecosystemen waartoe de habitattypen en leefgebieden van soorten behoren waarvoor het gebied is aangewezen en die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen. De staatssecretaris acht opname van de dijkhellingen in het aangewezen gebied, in afwijking van het ontwerpbesluit maar overeenkomstig de aanmelding van het gebied, dan ook niet langer noodzakelijk. GNMF heeft het voorgaande, voor zover het gaat om de begrenzing vanwege het voorkomen van het habitattype glanshaverhooilanden, niet bestreden.

Wat betreft het betoog van GNMF dat de dijkhellingen in het aangewezen gebied in het bijzonder hadden moeten worden opgenomen vanwege het voorkomen van het habitattype stroomdalgraslanden (H6120) heeft de staatssecretaris ter zitting te kennen gegeven dat het habitattype stroomdalgraslanden (H6120) op één locatie op de dijkhellingen voorkomt, maar dat die locatie niet grenst aan het Habitatrichtlijngebied, zodat evenmin sprake is van een ecologische eenheid. GNMF heeft geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan aan de juistheid van het voorgaande moet worden getwijfeld.

Nu niet gebleken is dat de dijkhellingen natuurwaarden bevatten die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor het gebied is aangewezen behoren, is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris de dijkhellingen in redelijkheid buiten de begrenzing van het aangewezen gebied heeft kunnen laten. Het betoog faalt.

Foerageergebieden

43. GNMF betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte in afwijking van het ontwerpbesluit de foerageerfunctie van het aangewezen Vogelrichtlijngebied voor grasetende watervogels niet langer als te beschermen functie heeft opgenomen in het besluit. Aangezien het voortbestaan van foerageergebieden buiten het aangewezen gebied niet is verzekerd, is een afname van de foerageerfunctie in het aangewezen gebied in strijd met de instandhoudingsdoelstelling, aldus GNMF. Daarbij heeft GNMF ter zitting gewezen op de verplichting zoals opgenomen in artikel 4 van de Vogelrichtlijn om de overwinteringsgebieden voor geregeld voorkomende trekvogels te beschermen.

43.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het beschermen van de foerageerfunctie van het aangewezen gebied voor een aantal vogels waarvoor het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen niet langer noodzakelijk is, aangezien uit onderzoek is gebleken dat ganzen en smienten in toenemende mate foerageren in binnendijkse gebieden buiten het aangewezen gebied. Een afname van de foerageermogelijkheden binnen het Vogelrichtlijngebied is volgens de staatssecretaris voor deze soorten dan ook toelaatbaar, mits in de omgeving voldoende foerageercapaciteit beschikbaar blijft.

43.2. Het gebied Rijntakken is onder andere aangewezen vanwege het voorkomen van de kolgans (A041), grauwe gans (A043), brandgans (A045), de smient (A050) en de toendrarietgans (A039). In het aanwijzingsbesluit is als instandhoudingsdoelstelling voor deze soorten opgenomen: behoud van verspreiding, omvang en kwaliteit van de rust- en slaapfunctie van het leefgebied voor het behoud van de populatie rustende en slapende kolganzen, grauwe ganzen, brandganzen, smienten en toendrarietganzen.

43.3. De instandhoudingsdoelstellingen, voor zover daarin niet langer de foerageerfunctie als onderdeel van de doelstelling is opgenomen, zijn gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. Gelet op de omstandigheid dat de beschermde vogelsoorten in toenemende mate buiten het aangewezen gebied foerageren, is de aanwijzing van de foerageerfunctie binnen het Vogelrichtlijngebied volgens de staatssecretaris niet langer noodzakelijk. In de toelichting bij de instandhoudingsdoelstellingen is daartoe vermeld dat het gebied voor deze soorten met name een functie als slaap- en rustplaats heeft en dat de vogels zowel binnen als buiten het gebied foerageren. De bescherming van de soorten is blijkens de toelichting derhalve mede afhankelijk van voldoende geschikte foerageergebieden buiten het Natura 2000-gebied. Een afname van foerageercapaciteit binnen het aangewezen gebied is dan ook toelaatbaar, mits er in totaal voldoende foerageercapaciteit beschikbaar blijft, aldus het aanwijzingsbesluit.

43.4. Uit de enkele stelling dat de vogels tevens gebruikmaken van de foerageergebieden buiten het aangewezen gebied, volgt naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat deze functie binnen het Vogelrichtlijngebied niet langer van belang is voor het behalen van een gunstige staat van instandhouding voor de genoemde vogelsoorten. Bovendien heeft de staatssecretaris zijn stelling dat steeds meer vogels buiten het gebied foerageren en dat aanwijzing van deze functie binnen het gebied daarom niet noodzakelijk is, niet met gegevens onderbouwd. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het besluit, voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kolgans (A041), grauwe gans (A043), brandgans (A045), de smient (A050) en de toendrarietgans (A039), reeds daarom niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het betoog slaagt.

43.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van GNMF gegrond. Het besluit, voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kolgans (A041), grauwe gans (A043), brandgans (A045), de smient (A050) en de toendrarietgans (A039), dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen zit de Afdeling aanleiding tot het treffen van de hierna in het dictum vermelde voorlopige voorziening.

Het beroep van KNNV

44. Het beroep van KNNV richt zich tegen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied. De KNNV betoogt dat de gebieden Bakenhof, Meinerswijk en Stadsblokken, allen gelegen in de Arnhemse uiterwaarden, ten onrechte buiten de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied zijn gelaten.

KNNV betoogt dat deze gebieden hadden moeten worden aangewezen vanwege het voorkomen van de habitatsoort tonghaarmuts (H1387) in de gebieden. Daarbij wijst de KNNV erop dat Nederland blijkens het Natura 2000 Doelendocument een grote internationale verantwoordelijkheid heeft voor het behoud van deze mossoort.

Daarnaast betoogt de KNNV dat de staatssecretaris deze gebieden had moeten aanwijzen als Habitatrichtlijngebied vanwege het mogelijk voorkomen van de habitattypen vochtige alluviale bossen (H 91E0), slikkige rivieroevers (H 3270) en stroomdalgraslanden (H 6120) in de gebieden.

44.1. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat geen noodzaak bestaat om de door de KNNV genoemde gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebied. Ten aanzien van het gebied Meinerswijk heeft de staatssecretaris gesteld dat in dit gebied weliswaar de habitatsoort tonghaarmuts (H 1387) is aangetroffen, maar dat gelet op de geïsoleerde ligging van het gebied ten opzichte van het aangewezen gebied, er voor is gekozen om het gebied niet als onderdeel van het Natura 2000-gebied Rijntakken aan te wijzen. Verder heeft de staatssecretaris zich ten aanzien van het gebied Bakenhof op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de habitattypen vochtige alluviale bossen (H 91E0), slikkige rivieroevers (H 3270) en stroomdalgraslanden (H 6120) in het gebied voorkomen, zodat geen aanleiding bestaat om het gebied binnen de begrenzing van het aangewezen gebied te brengen. Ten aanzien van het gebied Stadsblokken heeft de staatssecretaris zich voorts op het standpunt gesteld dat het gezien de bebouwde en intensief gebruikte omgeving niet waarschijnlijk is dat in het gebied de door KNNV genoemde habitattypen voorkomen.

44.2. De Afdeling stelt vast dat blijkens de kaart behorende bij het aanwijzingsbesluit de door de KNNV aangeduide gronden geen deel uitmaken van het aangewezen gebied. Zoals hiervoor is overwogen, bestaat bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied een zekere beoordelingsruimte bij de exacte begrenzing van een gebied. Volgens paragraaf 3.2 van de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit en paragraaf 3.1 van de daarbij behorende bijlage C is de begrenzing van het aangewezen gebied in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van de habitattypen en de leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voorts wordt in algemene zin vermeld dat het begrensde gebied ook natuurwaarden omvat die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren en die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen.

44.3. Het gebied Rijntakken is onder meer aangewezen voor de habitattypen vochtige alluviale bossen (H 91E0), slikkige rivieroevers (H 3270) en stroomdalgraslanden (H 6120). Met hetgeen de KNNV heeft aangevoerd acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat deze habitattypen voorkomen in de gebieden Bakenhof, Meinerswijk en Stadsblokken. Ook is niet vast komen te staan dat die gronden natuurwaarden bevatten die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen behoren en die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen in stand te houden of te herstellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gebieden Meinerswijk en Stadsblokken niet grenzen aan het aangewezen gebied.

Wat betreft het betoog van de KNNV dat de gebieden Bakenhof, Meinerswijk en Stadsblokken ten onrechte buiten de begrenzing van het gebied zijn gelaten vanwege het door de KNNV gestelde voorkomen van de habitatsoort tonghaarmuts (H 1387) in de gebieden, overweegt de Afdeling dat het enkele voorkomen van deze soort in die gebieden niet maakt dat de staatssecretaris de bedoelde gronden in het aangewezen gebied had moeten opnemen. Daarvoor is van belang, zoals hiervoor overwogen, of de gronden natuurwaarden omvatten die integraal deel uitmaken van de ecosystemen waartoe de habitattypen en leefgebieden van soorten behoren waarvoor het gebied is aangewezen en die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen. Niet gebleken is dat daarvan ten aanzien van de tonghaarmuts (H1387) sprake is, reeds nu het gebied Rijntakken niet voor deze soort is aangewezen. Daartoe heeft de staatssecretaris ook geen aanleiding hoeven zien nu niet gebleken is dat de tonghaarmuts (H 1387) in het aangewezen gebied voorkomt.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid de volgens de KNNV ten onrechte niet aangewezen gronden buiten de begrenzing van het aangewezen gebied heeft kunnen laten. Het betoog faalt.

44.4. Het beroep van de KNNV is ongegrond.

Proceskosten

45. De staatssecretaris dient ten aanzien van GNMF op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van RGV Holding B.V., het college van Rhenen, [appellante sub 3], [appellante sub 12], Rodruza B.V. en Castra B.V. en Ekstefa B.V. is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van Recreatiepark De Veerstal B.V., [appellante sub 5], Dorado Beach B.V., het college van Deventer, Stichting IJsselarm Doesburg-Steenderen, Camping IJsselstrand B.V., Camping Het Zwarte Schaar, Gieterij Doesburg B.V., [appellante sub 15], Landgoed Linschoten, K3Delta B.V., Middelwaard B.V., [appellante sub 19], Graansloot Kampen B.V. en Millenium B.V., [appellant sub 21] en anderen en de KNNV, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid K3Delta B.V. niet-ontvankelijk, voor zover dat betrekking heeft op gronden in de Bemmelse Waard die volgens haar ten onrechte niet als Natura 2000-gebied zijn aangewezen;

II. verklaart de beroepen gegrond van:

a. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RGV Holding B.V.;

b. [appellante sub 3];

c. het college van burgemeester en wethouders van Rhenen;

d. [appellante sub 12];

e. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ekstefa B.V.;

f. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rodruza B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Castra B.V.;

g. de vereniging Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie.

III. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-038 voor zover:

a. de toegangsweg, parkeerplaatsen en toiletgebouwen ter plaatse van de Noordoever zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied;

b. de laad- en loswal ter plaatse van de gronden van [appellante sub 3] is aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied;

c. de parkeerplaats de Paardenmarkt is aangewezen als Vogelrichtlijngebied,

d. de nieuwe toegangsweg ter plaatse van de gronden van [appellante sub 12] zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied;

e. het parkeerterrein ter plaatse van de gronden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ekstefa B.V. is aangewezen als Vogelrichtlijngebied;

f. de laad- en loswal ter plaatse van de gronden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rodruza B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Castra B.V. is aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied;

g. zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kolgans (A041), grauwe gans (A043), brandgans (A045), de smient (A050) en de toendrarietgans (A039).

IV. draagt de staatssecretaris van Economische Zaken op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

V. treft de voorlopige voorziening inhoudende dat de instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld onder III, sub g, blijven gelden, met dien verstande dat tevens de foerageerfunctie van het gebied tot de instandhoudingsdoelstellingen behoort;

bepaalt dat de onder V. getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment waarop het door de staatssecretaris te nemen besluit in werking treedt;

VI. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recreatiepark de Veerstal B.V., [appellante sub 5], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dorado Beach B.V., het college van burgemeester en wethouders van Deventer, de stichting Stichting IJsselarm Doesburg-Steenderen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping IJsselstrand B.V., de besloten vennootschap Rhedermeer Giesbeek B.V. h.o.d.n. Het Zwarte Schaar, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gieterij Doesburg B.V., [appellante sub 15], de stichting Stichting Landgoed Linschoten, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid K3Delta B.V. voor het overige, [appellante sub 18], [appellante sub 19], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Graansloot Kampen B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Millenium B.V., [appellant sub 21] en anderen, de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Afdeling Arnhem, ongegrond;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 38,44 (zegge: achtendertig euro en vierenveertig cent);

VIII. gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro)voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RGV Holding B.V.;

b. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de beroepen van [appellante sub 3];

c. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro)voor het college van burgemeester en wethouders van Rhenen;

d. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 12];

e. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ekstefa B.V.

f. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rodruza B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Castra B.V., met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

g. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de vereniging Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Brand

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016

575.