Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3295

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
201508525/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6333, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2014 heeft het college besloten tot invordering van een door [appellant] verbeurde dwangsom ten bedrage van € 50.000 ineens.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508525/1/A1.

Datum uitspraak: 14 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoevelaken, gemeente Nijkerk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 oktober 2015 in zaak nr. 15/937 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2014 heeft het college besloten tot invordering van een door [appellant] verbeurde dwangsom ten bedrage van € 50.000 ineens.

Bij besluit van 5 januari 2015 heeft verweerder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede Gld, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.I. Liesdek, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift na de termijn voor het indienen daarvan bij de rechtbank is binnen gekomen en de rechtbank de termijnoverschrijding niet verschoonbaar acht. Volgens de rechtbank is het beroepschrift niet voor het einde van de termijn voor het indienen daarvan ter post bezorgd zodat het niet kan worden geacht tijdig te zijn ingediend, zodat artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet van toepassing is.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, niet heeft onderkend dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. Daartoe voert hij aan dat het beroepschrift door Vip Post is opgehaald op 16 februari 2015 en diezelfde dag bij PostNL is aangeboden. Hij verwijst hierbij naar de door hem overgelegde stukken waaronder een factuur en een verklaring van Vip Post. Hij voert verder aan dat nu niet vaststaat wanneer het beroepschrift bij PostNL is aangeboden, in zijn voordeel moet worden geoordeeld dat het beroepschrift tijdig is ingediend. Ten slotte voert hij aan dat indien er sprake is van overschrijding van de termijn, deze verschoonbaar is omdat hij alles heeft gedaan om het poststuk tijdig aan te bieden en dat het door omstandigheden niet is gelukt.

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. Het bij de rechtbank aan de orde zijnde besluit van 5 januari 2015 is op dezelfde dag verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge artikel 6:7 gelezen in verbinding met artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is begonnen op 6 januari 2015 en geëindigd op 16 februari 2015. Vaststaat dat het beroepschrift na de termijn voor het indienen daarvan bij de rechtbank is binnengekomen. Voorts staat vast dat het beroepschrift binnen een week na afloop van die termijn is binnengekomen. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift niettemin tijdig zijn ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Terpostbezorging als hiervoor bedoeld vindt plaats op het moment waarop een poststuk in een brievenbus van PostNL wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging van PostNL wordt aangeboden. De datumstempel van PostNL is veelal het enige vaststaande gegeven met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. De enveloppe, waarin het beroepschrift is verzonden, bevat geen datumstempel. Wanneer in dergelijke gevallen het poststuk op de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, moet worden aangenomen dat het tijdig ter post is bezorgd, tenzij op grond van vaststaande feiten aannemelijk is dat het later ter post is bezorgd.

Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank volgt dat [appellant] ter zitting heeft verklaard dat het poststuk op 16 februari 2015 door Vip Post is opgehaald en de volgende dag, te weten 17 februari 2015 aan PostNL is aangeboden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2216, dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen door de griffier is vastgelegd in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. Alleen indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal geen juiste weergave is van het ter zitting verhandelde, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Daarvan is in dit geval geen sprake. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat het beroepschrift op 16 februari 2015 aan PostNL is aangeboden. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt slechts dat het beroepschrift op 16 februari 2015 door Vip Post is opgehaald.

Gelet op het voorgaande is het beroepschrift niet voor het einde van de termijn ter post bezorgd, zodat artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet van toepassing is. Niet is gebleken dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar is zodat de rechtbank terecht het beroep wegens het te laat indienen daarvan niet-ontvankelijk heeft verklaard. De omstandigheid dat het poststuk door omstandigheden te laat aan PostNL is aangeboden, komt voor rekening en risico van [appellant].

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Steendijk w.g. De Koning

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016

712.