Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
201602708/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:4240, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602708/1/V2.

Datum uitspraak: 9 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 april 2016 in zaak nr. 16/4854 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Bravo Mougán, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aan onderhavige - opvolgende - asielaanvraag heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat zij, anders dan waarvan de staatssecretaris bij de vorige procedure is uitgegaan, onbesneden is

De staatssecretaris heeft de opvolgende aanvraag op inhoudelijke gronden afgewezen. Dat de vreemdeling onbesneden is, is volgens de staatssecretaris weliswaar een nieuw gebleken feit, maar de vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico loopt in Guinee alsnog te worden besneden. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling tot haar twintigste in Guinee heeft verbleven zonder te zijn besneden, hetgeen er niet op duidt dat haar moeder, broers, zussen en haar oom willen dat zij wordt besneden.

De rechtbank heeft overwogen dat op het door de vreemdeling ingestelde beroep het ne bis-beoordelingskader van toepassing is (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7124; hierna: het ne bis-beoordelingskader). Dat de vreemdeling onbesneden is, is volgens de rechtbank geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Zij heeft overwogen dat zij de afwijzing daarom niet kan toetsen en het beroep daarom ongegrond verklaard.

2. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat, nu de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat het feit dat zij onbesneden is een nieuw gebleken feit is, voor de rechtbank geen ruimte meer bestond om ambtshalve tot een ander oordeel te komen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij het besluit van 11 maart 2016 niet kan toetsen, aldus de vreemdeling.

2.1. De rechtbank heeft het ten tijde van de aangevallen uitspraak geldende ne bis-beoordelingskader juist toegepast.

Dit neemt niet weg dat de Afdeling bij uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, heeft overwogen dat dit beoordelingskader met onmiddellijke ingang niet meer geldt en dat de bestuursrechter voortaan in alle gevallen het besluit op een opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Awb moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Nu de rechtbank dit niet heeft gedaan, slaagt de grief.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 11 maart 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Guinee een reëel en voorzienbaar risico loopt om te worden besneden.

4.1. In de uitspraak van 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2004, heeft de Afdeling overwogen dat uit de in die zaak aangehaalde stukken, waaronder het algemeen ambtsbericht inzake Guinee van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2014, blijkt dat er in Guinee met steun van de autoriteiten een groot aantal initiatieven is gestart om het aantal besnijdenissen terug te dringen, dat uit officiële cijfers blijkt dat 96,9 procent van de vrouwen in de leeftijdsgroep van 15 tot 49 jaar is besneden, dat zowel in de stad als op het platteland het aantal besnijdenissen afneemt, dat het kan gebeuren dat de besnijdenis wordt uitgevoerd op instigatie van andere vrouwelijke familieleden maar dat het veelal de ouders zijn, en in de eerste plaats de moeder is, die beslist of haar dochter wordt besneden. De Afdeling heeft overwogen dat uit deze stukken kan worden afgeleid dat meisjes wier moeder niet wil dat zij worden besneden, in het algemeen geen reëel risico lopen om toch te worden besneden.

4.2. In de door de vreemdeling aangehaalde stukken over de praktijk van besnijden in Guinee staat geen wezenlijk andere informatie dan in de stukken die de Afdeling heeft betrokken in voormelde uitspraak van 12 juni 2015.

De vreemdeling kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de staatssecretaris aannemelijk gemaakt had moeten achten dat haar familieleden willen dat zij wordt besneden. Dat de staatssecretaris niet uitdrukkelijk ongeloofwaardig heeft geacht dat de zussen en de moeder van de vreemdeling zijn besneden, is hiertoe onvoldoende. De vreemdeling heeft immers tot haar twintigste in Guinee verbleven zonder te zijn besneden. Dat zij niet is besneden omdat haar moeder en haar oom, bij wie zij in haar jeugd enige tijd heeft gewoond voordat zij trouwde, beiden in de veronderstelling verkeerden dat de ander de vreemdeling had laten besnijden, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Indien haar moeder en oom, zoals de vreemdeling stelt, wilden dat de vreemdeling besneden zou worden, is het niet aannemelijk dat zij hierover niet met elkaar hebben gesproken.

De door de vreemdeling aangehaalde beslissing van het 'Committee against Torture' van 15 december 2015, nr. 613/2014, F.B. tegen Nederland heeft betrekking op een vreemdeling met een familielid dat wilde dat zij werd besneden, hetgeen ook is gebeurd. Die zaak verschilt in zoverre van die van de vreemdeling. Reeds daarom kan de door de vreemdeling aangehaalde beslissing haar niet baten.

Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen hetgeen in voormelde uitspraak van 12 juni 2015 is overwogen, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Guinee een reëel en voorzienbaar risico loopt om te worden besneden.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 april 2016 in zaak nr. 16/4854;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Fernandez

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2016

753.