Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
201607323/1/A1 en 201607323/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2016 heeft het college, voor zover hier van belang, locatie 45, gelegen ter hoogte van de woning [locatie] te Utrecht, aangewezen als locatie voor de plaatsing van een ondergrondse afvalcontainer ten behoeve van de inzameling van restafval.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607323/1/A1 en 201607323/2/A1.

Datum uitspraak: 9 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], wonend te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2016 heeft het college, voor zover hier van belang, locatie 45, gelegen ter hoogte van de woning [locatie] te Utrecht, aangewezen als locatie voor de plaatsing van een ondergrondse afvalcontainer ten behoeve van de inzameling van restafval.

Bij besluit van 11 augustus 2016, verzonden op 16 augustus 2016, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. [appellante] heeft de voorzieningenrechter voorts verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 november 2016, waar [appellante], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Ramdoelare Tewari, S. Gangabisoensingh en H. Tu─črulsan, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij het besluit van 12 april 2016 heeft het college op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, en artikel 10, derde en vierde lid, van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 en artikel IV en V van het Verzameluitvoeringsbesluit krachtens Afvalstoffenverordening Utrecht 2010, locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers.

3. [appellante] woont in de woning die is gelegen op de hoek van de Professor Adolf Mayerlaan en de Raiffeisenlaan. Locatie 45 betreft de ondergrondse afvalcontainer die geplaatst zal worden aan de Raiffeisenlaan ter hoogte van haar woning.

4. [appellante] betoogt dat het college niet in redelijkheid tot aanwijzing van deze locatie voor de afvalcontainer heeft kunnen komen. Zij vreest problemen bij onder meer het onderhoud van haar woning, nu daarvoor in verband met de hoogte van haar woning een speciale hoogwerker moet worden gebruikt die over het trottoir om de hoek van de Professor Adolf Mayerlaan en de Raiffeisenlaan moet kunnen rijden. Volgens haar is voorts sprake van zes alternatieven, waaronder die aan de overkant van de Raiffeisenlaan, die ook voldoen aan de criteria die het college hanteert en dat het college daar geen onderzoek naar heeft gedaan.

4.1. Bij de keuze voor een locatie voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers komt het college beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden en de naar voren gebrachte alternatieve locaties beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

4.2. Bij de bepaling van locaties van ondergrondse afvalcontainers hanteert het college een aantal criteria. In het besluit van 11 augustus 2016 heeft het college de belangrijkste criteria vermeld. Deze zijn:

- de ondergrondse container is goed bereikbaar voor het inzamelvoertuig.

- De ondergrondse container past logisch in het inrichtingsplan.

- Nabijgelegen woningen ondervinden geen grote belemmeringen van het uitzicht. De ondergrondse containers zijn niet hoger dan 1.15 m.

- Verkeer en voetgangers worden niet belemmerd.

- De ondergrondse container is goed bereikbaar voor alle woningen.

- De loopafstand naar de ondergrondse container is vrijgegeven. De streefafstand is 125 m.

- De afstand van de ondergrondse container tot de erfgrens bedraagt minimaal 2 m.

- De afstand van de ondergrondse container tot de gevel van een woning bedraagt minimaal 3 m. Van deze regel kan worden afgeweken indien het een dichte muur betreft, in dat geval kan de afstand minimaal 2 m zijn.

- Bij voorkeur wordt een ondergrondse container niet geplaats aan de zuidwestkant van tuinen waar een terras is aangelegd. In Nederland komt de wind vaak uit zuidwestelijke windrichting. Een container aan de zuidwestkant kan dan stankoverlast veroorzaken.

4.3. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden geconcludeerd dat locatie 45, gelet op de door het college gehanteerde criteria, op zichzelf geschikt is voor de plaatsing van een ondergrondse afvalcontainer. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat, hoewel [appellante] mogelijk problemen zal ondervinden bij onder meer het onderhoud van haar woning door plaatsing van de ondergrondse afvalcontainer, vast staat dat, zoals zij ook ter zitting heeft bevestigd, de plaatsing van de afvalcontainer dit onderhoud niet onmogelijk maakt. [appellante] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de zes door haar aangevoerde alternatieve locaties zodanig geschikter zijn dat het college in redelijkheid voor aanwijzing van een van die locaties had moeten kiezen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college in het besluit op bezwaar van 11 augustus 2016 is ingegaan op de zes door [appellante] aangedragen alternatieven en uiteen heeft gezet dat er geen geschikter alternatief is voor onderhavige locatie. De voorgestelde locatie aan de overkant van de Raiffeisenlaan tegenover het huis van [appellante] is volgens het college niet geschikt in verband met de ondergrondse infrastructuur (riolering en leidingen) en een andere straat is geen optie in verband met de loopafstand die dan voor de omwonenden te groot wordt. Dit laatste is door [appellante] niet betwist. Het college heeft ter zitting voorts aan de hand van een plattegrond nader gemotiveerd dat er, gelet op de ondergrondse infrastructuur, geen geschikter alternatief is. Voor het oordeel dat er, zoals [appellante] betoogt, voorafgaand aan de besluiten van 12 april 2016 en 11 augustus 2016 geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de ondergrondse infrastructuur bestaat geen grond. Voor zover zij in dit kader verwijst naar het wijkbericht van augustus 2016 waaruit zou blijken dat pas na het besluit van 11 augustus 2016 een onderzoek heeft plaatsgevonden en bovendien uitsluitend naar kabels en leidingen, wordt overwogen dat dit laatste onderzoek, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, een gedetailleerder onderzoek in het kader van de feitelijke plaatsing van de ondergrondse afvalcontainers betrof.

[appellante] heeft pas ter zitting te kennen gegeven de blijkens de brief van het college van 2 maart 2016 oorspronkelijk voorgenomen plaatsing van de ondergrondse afvalcontainer aan de Professor Adolf Mayerlaan ter hoogte van haar woning minder bezwaarlijk te vinden dan de definitieve locatie aan de Raiffeisenlaan. Gelet op de omstandigheid dat dit pas ter zitting in beroep naar voren is gebracht wordt het ter zitting ingenomen standpunt van het college dat met het besluit van 12 april 2016 aan de zienswijze van [appellante] naar aanleiding van dit voornemen tegemoet is gekomen en het de locatie niet meer kan wijzigen buiten beschouwing gelaten.

Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Kos

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2016

580.