Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201503236/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:1823, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen twee bouwwerken op het perceel [locatie 1] te Huizen (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/71
Gst. 2016/64 met annotatie van Mr. A. Snijders
OGR-Updates.nl 2016-0037
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503236/1/A1.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Huizen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 maart 2015 in zaken nrs. 13/6030 en 14/5783 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Huizen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen twee bouwwerken op het perceel [locatie 1] te Huizen (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend ter legalisering van twee bouwwerken op het perceel.

Bij uitspraak van 5 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 28 mei 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het tegen het besluit van 8 oktober 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2015, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. M.A. de Boer, de erfgenamen van [vergunninghouder], vertegenwoordigd door  [vergunninghouder], en het college, vertegenwoordigd door M.A. van Lunteren en S.A. Pijnappel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1˚ met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2˚ in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3˚ indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk:

a. binnen de bebouwde kom [..].

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt in deze bijlage onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Ingevolge het bestemmingsplan "Dorp" rust op het perceel onder meer de bestemming "Bedrijf" met de nadere aanduiding "Bedrijf tot en met categorie A".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "Bedrijf tot en met categorie A" bestemd voor bedrijfsactiviteiten tot en met categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging"(bijlage 1).

Ingevolge artikel 3.2 mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de volgende regels:

3.2.1, aanhef en onder a, worden gebouwen binnen het bouwvlak gebouwd.

2. [appellante] woont op het perceel [locatie 2] te Huizen en exploiteert op dit perceel een kapsalon. Op het perceel bevindt zich een bedrijfsgebouw en zijn voorts zonder vergunning een garagebox en werkplaats opgericht. Het geschil spitst zich toe op de garagebox. Deze is gebouwd tegen de rechterzijgevel van de woning/kapsalon van [appellante]. Niet in geschil is dat de garagebox in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorp", nu deze buiten het bouwvlak is opgericht. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning verleend ter legalisering van de garagebox.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor de garagebox. Daartoe voert zij aan dat de garagebox, anders dan het college meent, niet kan worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor, nu de garagebox door [vergunninghouder] wordt gebruikt voor privédoeleinden en de garagebox dan ook niet functioneel verbonden is met het hoofdgebouw op het perceel.

3.1. Vast staat dat het bedrijfsgebouw op het perceel moet worden aangemerkt als hoofdgebouw in de zin van bijlage II van het Bor. Uit de nota van toelichting op het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 133) volgt dat met functionele verbondenheid, als bedoeld in de definitie van bijbehorend bouwwerk in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, is bedoeld dat sprake moet zijn van een gebruik van het bijbehorende bouwwerk dat in planologisch opzicht is gerelateerd aan het gebruik van het hoofdgebouw.

Er is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat het gebruik van de garagebox in planologisch opzicht gerelateerd is aan het gebruik van het bedrijfsgebouw op het perceel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals ter zitting ook door [vergunninghouder] is bevestigd, de garagebox altijd voor privédoeleinden, te weten privé-opslag en het parkeren van een auto en een motor, is gebruikt en ook om die reden is opgericht. De rechtbank wordt niet gevolgd in de overweging dat de aard van de opslag niet doorslaggevend is bij de vraag of het gebruik van de bouwwerken functioneel verbonden is met het gebruik van het hoofdgebouw, omdat dit volgens haar in planologisch opzicht niet van voldoende betekenis is, nu de ruimtelijke effecten van privé-opslag niet wezenlijk anders, althans in elk geval niet zwaarder, zijn dan de op grond van het bestemmingsplan toegestane bedrijfsmatige opslag van goederen. Het gebruik van de garagebox voor privé-doeleinden is niet in planologisch opzicht gerelateerd aan het gebruik van het bedrijfsgebouw, daargelaten de ruimtelijke effecten van dat gebruik.

Uit het voorgaande volgt dat de garagebox niet kan worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor, zodat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen voor de garagebox. Het besluit van 28 mei 2014 berust dan ook op een onjuiste wettelijke grondslag.

Het betoog slaagt.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van omgevingsvergunning in de weg staat.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2:12, eerste lid, van de Wabo in de weg staat slechts aanleiding bestaat wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om de vraag over het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering te beantwoorden.

4.2. Het door [appellante] aangevoerde biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat, zoals zij betoogt, sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering omdat erfgrensoverschrijdend is gebouwd. Van een geval waarin zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwwerk is gebouwd op grond die in eigendom aan een ander toebehoort is geen sprake. Tussen partijen is in geschil dat sprake is van de overschrijding van de erfgrens. De veldwerktekening waarnaar [appellante] ter onderbouwing van haar betoog verwijst, en die ook reeds bij de rechtbank is overgelegd, biedt geen uitsluitsel. Voor zover [appellante] stelt dat medewerkers van het Kadaster hebben bevestigd dat de strook grond van 15 cm direct achter de muur van de woning/het kapsalon in eigendom aan haar toebehoort, is dit niet met stukken onderbouwd.

4.3. Het door [appellante] aangevoerde biedt voorts onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat de garagebox is gebouwd tegen een muur die geheel haar eigendom is en zij daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat tussen partijen in geschil is of de muur waartegen de garagebox is aangebouwd, voorafgaand aan die bouw reeds een gemeenschappelijke en mandelige muur, als bedoeld in artikel 5:62 van het Burgerlijk Wetboek betrof en hierover geen uitsluitsel is verkregen in deze procedure. Voorts staat niet vast dat, indien geen sprake was van een gemeenschappelijke muur, [appellante] de verwijdering van de garagebox kan vorderen bij de burgerlijke rechter, onder meer gelet op de omstandigheid dat de garagebox, naar het college stelt, mogelijk reeds in 1987 is opgericht en [appellante] tot op heden geen procedure met betrekking tot de garagebox bij de burgerlijke rechter aanhangig heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 8 oktober 2013 in stand heeft gelaten, nu het college ten onrechte omgevingsvergunning heeft verleend voor de garagebox.

5.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college zijn standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan kon worden afgezien van handhaving niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Om die reden heeft zij het besluit van 8 oktober 2013 vernietigd. Partijen zijn niet opgekomen tegen de desbetreffende overwegingen van de rechtbank, zodat dit oordeel thans niet ter beoordeling voorligt en hetgeen het college in zijn verweerschrift ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan kon worden afgezien van handhaving naar voren heeft gebracht onbesproken dient te blijven. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 8 oktober 2013 in stand gelaten, omdat de bouwwerken zijn gelegaliseerd door middel van de omgevingsvergunning van 28 mei 2014 en geen sprake meer is van een overtreding en derhalve evenmin van een bevoegdheid om handhavend op te treden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.1 volgt dat de omgevingsvergunning van 28 mei 2014 berust op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 8 oktober 2013 dan ook ten onrechte in stand gelaten.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van 28 mei 2014 gegrond verklaren. Het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2013 zal eveneens gegrond worden verklaard. Het besluit van 8 oktober 2013 komt wegens strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Het besluit van 28 mei 2014 komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Het college dient opnieuw te beslissen op het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 15 februari 2013 en dient opnieuw te beslissen op de aanvraag om omgevingsvergunning.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 maart 2015 in zaken nrs. 13/6030 en 14/5783;

III. verklaart de beroepen van [appellante] tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Huizen van 28 mei 2014, kenmerk ROW - 140090, en 8 oktober 2013, kenmerk bajz/rdq, gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Huizen van 28 mei 2014, kenmerk ROW - 140090, en 8 oktober 2013, kenmerk bajz/rdq;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Huizen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2976,00 (zegge: tweeduizendnegenhonderdzesenzeventig euro);

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Huizen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 578,00 (zegge: vijfhonderdachtenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H.C.P. Venema en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Kos

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016

580.