Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
201602659/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft de korpschef de voor [appellant] gevraagde toestemming, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr), onthouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602659/1/A3.

Datum uitspraak: 7 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2016 in zaak nr. 15/3730 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft de korpschef de voor [appellant] gevraagde toestemming, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr), onthouden.

Bij besluit van 30 april 2015 heeft de korpschef het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. I. de Hoop en R.W. Polak, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De korpschef heeft de voor [appellant] gevraagde toestemming onthouden, omdat [appellant] op 5 februari 2013 door de strafrechter is veroordeeld tot, voor zover thans van belang, twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren en 180 uren werkstraf wegens het op 7 april 2012 meermalen buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren. Dit delict is een misdrijf.

2. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wpbr stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef.

Ingevolge het vierde lid wordt de toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, onthouden, indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die voor het te verrichten werk nodig zijn.

Volgens paragraaf 2.3, aanhef en onder b, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (hierna: de Beleidsregels) wordt de toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk te stellen, bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de Wpbr, onthouden indien de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of taakstraf is opgelegd.

Volgens paragraaf 2.3.1 kan de korpschef van het eerder in de Beleidsregels onder a en b bepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef in redelijkheid van het toepassen van de hardheidsclausule heeft kunnen afzien. Daartoe voert hij aan dat het door hem gepleegde delict niet als een ernstige aantasting van de rechtsorde kan worden aangemerkt. Volgens hem heeft hij een relatief geringe straf gekregen, heeft de strafrechter geoordeeld dat er geen sprake is van een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit in de zin van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en heeft het delict geen maatschappelijke onrust teweeggebracht. Voorts voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de ter zitting bij haar over het recidiverisico gegeven uitleg door een medewerker van Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering.

3.1. Bij de beoordeling of de desbetreffende persoon beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk, komt de staatssecretaris beoordelingsruimte toe die door de staatssecretaris is ingevuld met de Beleidsregels.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2544), mogen aan medewerkers in de beveiligingsbranche hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere betrekkingen.

3.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de korpschef bij zijn verwerping van het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule in redelijkheid meer belang kunnen hechten aan het belang van het vertrouwen in en de reputatie van de beveiligingsbranche dan aan het persoonlijk belang van [appellant]. Hierbij mocht de korpschef ervan uitgaan dat het door [appellant] gepleegde, hiervoor in 1 weergegeven, delict een ernstige aantasting van de rechtsorde vormt. De door [appellant] in het kader van zijn beroep op de hardheidsclausule aangevoerde omstandigheden, waaronder het geringe recidiverisico, noopten de korpschef niet tot een andere afweging van belangen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Hoogvliet w.g. Hartsuiker

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016

620.