Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201505231/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 17 september 2014 klaagt [appellant] over de wijze waarop de ombudscommissie Neder-Betuwe eerder door hem ingediende klachten heeft afgehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505231/1/A3.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ochten, gemeente Neder-Betuwe,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 mei 2015 in zaak nr. 14/7926 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe.

Procesverloop

Bij brief van 17 september 2014 klaagt [appellant] over de wijze waarop de ombudscommissie Neder-Betuwe eerder door hem ingediende klachten heeft afgehandeld.

Bij brief van 30 september 2014 heeft het college [appellant] te kennen gegeven dat tegen de afhandeling van deze eerder door hem ingediende klachten geen rechtsmiddelen openstaan en dat zijn brief van 17 september 2014 derhalve ter kennisgeving wordt aangenomen (hierna: de brief van 30 september 2014).

Uit een vergaderstuk van het college van 30 september 2014 blijkt dat het college op deze datum heeft besloten door [appellant] ingediende klachten niet meer in behandeling te nemen (hierna: het vergaderstuk).

Bij brief van 4 november 2014 heeft het college [appellant] van de inhoud van het vergaderstuk op de hoogte gesteld en hem in aanvulling daarop te kennen gegeven dat door hem ingediende klachten wél afzonderlijk zullen worden beoordeeld en, indien de noodzaak daartoe bestaat, in behandeling zullen worden genomen (hierna: de brief van 4 november 2014).

Bij besluit van 25 november 2014 heeft het college het door [appellant] tegen de brief van 30 september 2014 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het vergaderstuk en de brief van 4 november 2014 ingestelde beroep opgevat als ware het ingesteld tegen het besluit van 25 november 2014 en ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. Jansen-van der Hoek, juridisch adviseur te Brielle, zijn verschenen.

Ambtshalve overwegingen

1. Bij brief van 8 november 2014, door de rechtbank ontvangen op 11 november 2014, heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij verzuimherstelbrief van 12 november 2014 heeft de rechtbank [appellant], naar aanleiding van het door hem ingestelde beroep, in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de verzenddatum van deze brief de besluiten waarmee hij het niet eens is, over te leggen.

Bij brieven van 13 en 28 november 2014 heeft [appellant] het vergaderstuk en de brief van 4 november 2014 aan de rechtbank overgelegd. [appellant] heeft de brief van 30 september 2014 noch het besluit van 25 november 2014 in de beroepsfase aan de rechtbank overgelegd. Het college heeft het besluit van 25 november 2014 als bijlage bij het verweerschrift in beroep naar de rechtbank verstuurd.

2. De rechtbank heeft overwogen dat het college bij besluit van 25 november 2014 het door [appellant] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het vergaderstuk, gelezen in samenhang met de brief van 4 november 2014, niet op enig rechtsgevolg is gericht en derhalve niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt. Het college heeft [appellant] immers niet het recht ontnomen klachten bij het college in te dienen, aldus de rechtbank.

Door aldus te overwegen, heeft de rechtbank niet onderkend dat [appellant] geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 25 november 2014. [appellant] heeft zijn beroep gericht tegen het vergaderstuk en de brief van 4 november 2014. Tegen het vergaderstuk en de brief van 4 november 2015 heeft hij echter geen bezwaar gemaakt. Het besluit van 25 november 2014 ziet alleen op het door [appellant] tegen de brief van 30 september 2014 gemaakte bezwaar. Gelet hierop is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de omvang van het geding getreden.

3. Het hoger beroep is reeds daarom gegrond. Hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren, omdat [appellant] geen beroep heeft ingesteld tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daartoe is redengevend dat de Afdeling met de rechtbank van oordeel is dat het vergaderstuk, bezien in samenhang met de brief van 4 november 2014, niet op enig rechtsgevolg is gericht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om het beroepschrift van [appellant] van 8 november 2014 met toepassing van artikel 6:15 van de Awb naar het college door te zenden om als bezwaarschrift te worden behandeld.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 mei 2015 in zaak nr. 14/7926;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016

610.