Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
201600110/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant sub 1] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3697
JOM 2016/1256
OGR-Updates.nl 2016-0237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600110/1/A2.

Datum uitspraak: 7 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,

2. het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 november 2015 in zaak nr. 14/721 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant sub 1] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 december 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.M. Stedelaar, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door J.M.A. van der Burgt-Willems en G.H.J. Kusters, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

De voorgaande procedure

1. Het college heeft bij afzonderlijke besluiten van 8 maart 2005 aan Stichting Cleanery Wanroij (hierna: Cleanery) en Cobemi B.V. vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor het oprichten van een co-vergistingsinstallatie (hierna: de vergistingsinstallatie of installatie) op het perceel Straatscheveld 2 onderscheidenlijk het perceel Straatscheveld 4 te Wanroij. Ter zitting heeft het college toegelicht dat Cobemi geen vergistingsinstallatie op het perceel Straatscheveld 4 heeft gerealiseerd, maar dat de daarvoor verleende vrijstelling niet is ingetrokken.

[appellant sub 1] is sinds 9 november 1992 eigenaar van het perceel met woonboerderij, schuur, stal en tuin, plaatselijk bekend [locatie] te Wanroij. Hij heeft bij aanvraagformulier met als datum 19 augustus 2010 het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van de vrijstellingen.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 november 2013 geoordeeld dat [appellant sub 1] ten gevolge van de vrijstellingen geen planschade lijdt door aantasting van zijn uitzicht. Zij heeft in die uitspraak ook geoordeeld, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD0788), dat de installatie is gelijk te stellen aan een bedrijf in milieucategorie 3. Tevens heeft de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. Van deze oordelen moet thans worden uitgegaan, omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld. De rechtbank heeft in die uitspraak tevens geoordeeld dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd dat ten gevolge van de vrijstellingen de geur- en geluidhinder ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] niet is toegenomen. De rechtbank heeft daarom het besluit op bezwaar van het college van 6 maart 2013 vernietigd.

De rechtbank heeft in de thans aangevallen uitspraak van 26 november 2015 geoordeeld dat het college in het besluit van 17 december 2013 niet toereikend heeft gemotiveerd dat de geurhinder op het perceel van [appellant sub 1] ten gevolge van de vrijstellingen niet toeneemt. Zij heeft de Stichting Advisering voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) benoemd tot deskundige voor het instellen van een onderzoek. De rechtbank heeft overwogen dat in het StAB-verslag van 26 augustus 2015 op goede gronden is geconcludeerd dat [appellant sub 1] ten gevolge van de vrijstellingen geen extra geurhinder ondervindt. De rechtbank heeft daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 december 2013 in stand gelaten.

Behandeling van het hoger beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten, heeft miskend dat bij het bepalen van zijn planologisch nadeel de hinder die hij van de vergistingsinstallatie ondervindt niet volledig is betrokken.

[appellant sub 1] voert aan dat de hinder die hij van het vrachtverkeer van en naar de vergistingsinstallatie ondervindt aan de vrijstellingen moet worden toegerekend. Volgens [appellant sub 1] rijdt het vrachtverkeer van en naar de vergistingsinstallatie door de Peelstraat en ondervindt hij daarvan trillinghinder, geluid- en geurhinder. Deze hinder is volgens hem verergerd nadat in de Peelstraat onder meer verkeersdrempels zijn aangelegd. Dat de Peelstraat voor vrachtverkeer is afgesloten en dat de verkeersdrempels in die straat niet in het plangebied van de vrijstellingen liggen, betekent volgens hem niet dat met deze hinder bij het bepalen van het planologisch nadeel geen rekening moet worden gehouden.

[appellant sub 1] voert verder aan dat de hinder die hij ondervindt van de fakkelinstallatie van de vergistingsinstallatie, anders dan in het StAB-verslag is vermeld, niet incidenteel is. Volgens [appellant sub 1] is het gebruik van de fakkelinstallatie planologisch niet beperkt. Hij voert aan dat nu volgens het StAB-advies de hinder van de fakkelinstallatie voor hem een planologisch nadeel betekent, hij recht heeft op een tegemoetkoming in de geleden planschade.

[appellant sub 1] voert tot slot aan dat de geurhinder die hij van de vergistingsinstallatie ondervindt ‘niet gebiedseigen geur’ is en daarom extra hinderlijk. Volgens [appellant sub 1] leidt die geurhinder daarom tot planologisch nadeel die voor vergoeding in aanmerking komt.

3.1. Daargelaten of tussen de door [appellant sub 1] gestelde verkeershinder en de vrijstellingen een causaal verband bestaat, wordt dienaangaande het volgende overwogen. Volgens het StAB-verslag genereert al het vrachtverkeer van en naar de vergistingsinstallatie maximaal twaalf extra transportbewegingen per dag. Indien al dat vrachtverkeer dagelijks door de Peelstraat rijdt, dan leidt dat volgens het StAB-verslag niet tot trillinghinder voor personen in de gebouwen in die straat. Dit betekent dat geen schade kan ontstaan aan de woning van [appellant sub 1] door toegenomen vrachtverkeer in de Peelstraat, aldus het StAB-verslag. [appellant sub 1] heeft niet gemotiveerd aangegeven waarom deze conclusie onjuist is. Hij heeft zijn stelling dat hij door toegenomen vrachtverkeer ook extra geur- en geluidhinder ondervindt, evenmin gemotiveerd toegelicht. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant sub 1] ten gevolge van de vrijstellingen geen planologisch nadeel ondervindt door toegenomen verkeershinder.

3.2. In het StAB-verslag is vermeld dat het geluidsniveau van de fakkelinstallatie op het perceel van [appellant sub 1] gemiddeld 30-35 dB(A) en maximaal 50 dB(A) zal bedragen en dat deze waarden niet leiden tot een verstoring van het ter plaatse aanwezige goede akoestische klimaat. Daarbij is vermeld dat de fakkelinstallatie een laagfrequent geluid produceert dat, waarschijnlijk ook in de woning van [appellant sub 1], bij gebruik van de installatie steeds hoorbaar is en als hinderlijk zal worden ervaren. Volgens het StAB-verslag was een dergelijk geluid voorheen niet op het perceel van [appellant sub 1] hoorbaar en vormt de fakkelinstallatie daarom een planologische verslechtering. De StAB gaat er vanuit dat de fakkelinstallatie incidenteel zal worden gebruikt en komt daarom tot de conclusie dat het planologisch nadeel betrekkelijk gering zal zijn.

Volgens het door het college bij de rechtbank ingediende nader SAOZ-advies van 24 september 2015 zal, gezien het incidentele gebruik van de fakkelinstallatie en het goede akoestische klimaat bij de woning van [appellant sub 1], een willekeurige, redelijk denkende en handelende potentiële koper een bod op het perceel van [appellant sub 1] niet in neerwaartse zin bijstellen wegens de fakkelinstallatie. De aanwezigheid van de fakkelinstallatie betekent daarom niet dat [appellant sub 1] ten gevolge van de vrijstellingen planschade leidt, aldus het nader SAOZ-advies.

In een door Tog Nederland Zuid B.V. opgestelde reactie van 29 september 2015 op het StAB-advies, die [appellant sub 1] bij de rechtbank heeft ingediend, is weliswaar de conclusie van de StAB vermeld, maar heeft Tog op dit punt geen reactie gegeven. [appellant sub 1] heeft verder niet gemotiveerd aangegeven waarom de conclusie in het nader SAOZ-advies onjuist is.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college op dit punt niet op het nader SAOZ-advies van 24 september 2015 mocht afgaan.

3.3. In het StAB-verslag is vermeld dat de ‘ervaring van geurhinder’ afhankelijk is van een aantal factoren, zoals de hedonische waarde of de gevoelswaarde, gewenning, incidenteel of continu optredend, waardoor deze component van een geurnorm lastig te duiden en subjectief van aard is. De blootstelling aan geur in uren per jaar (hierna: de blootstellingsduur), de andere component van een geurnorm, is volgens de StAB een objectiever criterium. Volgens het StAB-verslag bedroeg op het perceel van [appellant sub 1] de blootstellingsduur onder het voorgaande planologische regime, door het uitrijden van mest op de voorheen agrarische gronden, tien uur per jaar en bedraagt de blootstellingsduur onder het nieuwe planologische regime, door de vergistingsinstallatie, negen uur per jaar. In het StAB-verslag is op grond hiervan geconcludeerd dat [appellant sub 1] ten gevolge van de vrijstellingen geen planologisch nadeel ondervind door toegenomen geurhinder.

De rechtbank heeft met juistheid op dit punt het StAB-verslag gevolgd. Het door [appellant sub 1] gestelde verschil tussen ‘gebiedseigen’ en ‘niet gebiedseigen’ geur, dat de gevoelswaarde van geur betreft, moet worden gerekend tot de component ‘ervaring van geurhinder’ en doet daarom niet af aan de conclusie in het StAB-verslag.

3.4. Het betoog faalt.

Het incidenteel hoger beroep van het college

4. Het betoog van [appellant sub 1] dat het college geen belang heeft bij een uitspraak op zijn incidenteel hoger beroep, omdat het de conclusies in het StAB-verslag heeft onderschreven en de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van het college van 17 december 2013 in stand blijven, faalt. Het college komt op tegen de vernietiging van dat besluit en de veroordeling tot vergoeding aan [appellant sub 1] van betaald griffierecht en opgekomen proceskosten en heeft daarom belang bij een rechterlijk oordeel in hoger beroep.

5. Het college betoogt dat de rechtbank het besluit van 17 december 2013 ten onrechte heeft vernietigd en hem ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding aan [appellant sub 1] van betaald griffierecht en opgekomen proceskosten. Het college voert aan dat het terecht is afgegaan op het, aan dat besluit ten grondslag gelegde, nader SAOZ-advies van 27 november 2013. Daarin is vermeld dat volgens de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (hierna: de VNG-brochure) de minimale afstand tussen een categorie-3-inrichting, zoals de vergistingsinstallatie, en een geur- en geluidgevoelig object, zoals de woning van [appellant sub 1], honderd meter bedraagt. Nu de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de vergistingsinstallatie 283 meter bedraagt, zijnde meer dan tweeëneenhalf keer de richtafstand in de VNG-brochure, kan in redelijkheid niet worden geoordeeld dat van de installatie extra geurhinder kan worden ondervonden die tot waardevermindering van het perceel lijdt, aldus het nader SAOZ-advies. Nu in het StAB-verslag ook is geconcludeerd dat [appellant sub 1] geen planologisch nadeel lijdt door een toename van geurhinder op zijn perceel en de rechtbank het StAB-verslag op dit punt heeft gevolgd, had zij het beroep van [appellant sub 1] ongegrond moeten verklaren, aldus het college.

5.1. De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat wordt voldaan aan richtafstanden in de VNG-brochure niet betekent dat geen planologisch nadelige situatie kan ontstaan, zelfs niet als de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de installatie meer dan tweeëneenhalf keer de richtafstand is. Volgens de rechtbank verliest het college met zijn standpunt de aard en omvang van de installatie uit het oog alsmede de invloed van het gebruik dat in de oude planologische situatie van de gronden kon worden gemaakt. In de VNG-systematiek blijft de relevante richtafstand bij een categorie-3-installatie gelijk, ongeacht de aard en omvang van de installatie, hetgeen zich niet laat rijmen met de grote diversiteit aan categorie-3-bedrijven. Op voorhand kan niet kan worden gezegd dat een redelijk denkend en handelend koper zich niet laat leiden door de aard van een bedrijf in de omgeving en dat de omvang van een bedrijf niet relevant is voor de mate van hinder, aldus de rechtbank.

5.2. De rechtbank heeft aldus op goede gronden geoordeeld dat het college met het nader SAOZ-advies van 27 november 2013 niet toereikend heeft gemotiveerd dat [appellant sub 1] ten gevolge van de planologische verandering geen planologisch nadeel ondervindt door toegenomen geurhinder. De richtlijnen in de VNG-brochure geven immers slechts een indicatie van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bepaalde ruimtelijke functie op een bepaalde locatie. Het voldoen aan een dergelijke richtlijn biedt geen garantie dat omwonenden van de nieuwe ruimtelijke functie geen hinder ondervinden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de VNG-brochure niet zonder meer kan worden afgeleid dat in een concreet geval geen planschade kan ontstaan. Nu het besluit van 17 december 2013 op dit punt een toereikende motivering ontbeerde, heeft de rechtbank dat besluit terecht vernietigd. Dat in het StAB-verslag evenzeer is geconcludeerd dat [appellant sub 1] van de vergistingsinstallatie geen extra geurhinder ondervindt, kon slechts leiden tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, zoals de rechtbank heeft geoordeeld.

Het betoog faalt.

6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Oranje

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016

507.