Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
201601851/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] verleende voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en op € 1.299,00 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601851/1/A2.

Datum uitspraak: 7 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 januari 2016 in zaken nrs. 15/4365 en 15/4406 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] verleende voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en op € 1.299,00 gesteld.

Bij besluit van 10 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellant] op huurtoeslag over 2013 op € 829,00 gesteld en € 1.982,00 aan te veel uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij onderscheiden besluiten van 18 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 20 januari 2016 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de besluiten van 21 augustus 2014 en 10 april 2015, zoals gehandhaafd bij onderscheiden besluiten van 18 juni 2015, ten grondslag gelegd dat het inkomen van de moeder van [appellant], die bij hem inwoont en dus zijn medebewoner is, bij de berekening van het recht van [appellant] op huurtoeslag over 2013 en 2014 moet worden meegenomen. Dit zou anders zijn indien uit een indicatiebesluit van het CIZ zou blijken dat aan de moeder van [appellant] de indicatie ‘verblijf’ is toegekend of zou zijn toegekend indien er geen verpleging of hulp thuis aanwezig zou zijn. Nu uit de door het CIZ aan de moeder van [appellant] afgegeven indicatieverklaring uitdrukkelijk blijkt dat geen indicatie ‘verblijf’ is toegekend omdat de zorg planbaar van aard is en in de eigen woning kan plaatsvinden, bestaat geen grond voor het buiten beschouwing laten van haar inkomen, aldus de dienst.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van de moeder van [appellant] terecht bij de berekening van het recht van [appellant] op huurtoeslag heeft betrokken.

2. [appellant] kan zich met dit oordeel niet verenigen. Volgens hem had zijn moeder in het verleden een indicatie van het CIZ voor ‘verblijf’, en had zij die indicatie nu weer moeten krijgen, omdat haar situatie sindsdien juist is verslechterd.

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht), is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) wordt, indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: de Bht), blijft op verzoek voor de toepassing van artikel 2 van de Wht, van artikel 7 van de Awir en de op die artikelen berustende bepalingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, een partner of medebewoner buiten beschouwing indien sprake is van een verzorgingsbehoefte bij de huurder, diens partner of een medebewoner.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, geldt het eerste lid uitsluitend ten aanzien van de partner of medebewoner die met het oog op de verzorgingsbehoefte van de huurder of van hemzelf op hetzelfde woonadres als de huurder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en is dit lid van toepassing indien de verzorgingsbehoefte blijkt uit een verklaring van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

2.2. Uit artikel 7, eerste lid, van de Wht en artikel 7, tweede lid, van de Awir volgt dat het inkomen van iedere medebewoner moet worden betrokken bij het toetsingsinkomen. Het inkomen van de medebewoner wordt alleen dan niet tot het toetsingsinkomen gerekend als er een verzorgingsbehoefte is die blijkt uit een verklaring van het CIZ als bedoeld in artikel 2a van het Bht. Uit de toelichting bij die bepaling volgt dat met een verzorgingsbehoefte wordt gedoeld op de situatie dat een huurder, partner of medebewoner thuis wordt verzorgd en zonder deze zorg niet thuis zou kunnen wonen (Stb. 2005, 692, pag. 12).

Nu uit de door het CIZ afgegeven verklaring niet blijkt dat de moeder van [appellant] de bedoelde verzorgingsbehoefte heeft, moet haar inkomen volgens de wet worden meegenomen bij de berekening van de aanspraak van [appellant] op huurtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen is daarom niet bevoegd het inkomen van de moeder van [appellant] bij die berekening buiten beschouwing te laten. Dat, naar [appellant] stelt, het CIZ ten onrechte niet de bedoelde verklaring heeft afgegeven en de situatie van zijn moeder juist is verslechterd, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu de door het CIZ afgegeven verklaring, na een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep daarover, in rechte onaantastbaar is geworden.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Verheij w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016

752.