Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
201601068/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2014 heeft het Waarborgfonds aan [appellante] medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van de aan de geldverstrekker uitbetaalde verliesdeclaratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601068/1/A2.

Datum uitspraak: 7 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 januari 2016 in zaak nr. 15/3320 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (hierna: het Waarborgfonds).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2014 heeft het Waarborgfonds aan [appellante] medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van de aan de geldverstrekker uitbetaalde verliesdeclaratie.

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft het Waarborgfonds het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het Waarborgfonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. Y. Eryilmaz, advocaat te Arnhem, en het Waarborgfonds, vertegenwoordigd door mr. N.P. Aanen, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 16 mei 2007 is [appellante] met [voormalig echtgenoot] gehuwd. Zij hebben samen op 18 december 2009 een woning aan de [locatie] in Arnhem gekocht. Ter financiering daarvan hebben zij met ABN AMRO N.V. (hierna: de geldverstrekker) een hypotheekovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 237.000,00, waarin een verbouwingsdepot van € 17.000,00 was begrepen. Tot zekerheid voor de nakoming van de hieruit voortvloeiende betalingsverplichtingen heeft het Waarborgborgfonds een Nationale Hypotheek Garantie (hierna: NHG) verstrekt.

Op 25 september 2014 is de woning onderhands verkocht, waarna een schuld van € 69.737,06 resteerde. Het Waarborgfonds heeft de door de geldverstrekker ingediende verliesdeclaratie tot een bedrag van € 4.572,56 voldaan. Bij het besluit van 23 december 2014 heeft het Waarborgfonds bepaald dat de schuld van [appellante] en [voormalig echtgenoot] aan het fonds ten bedrage van € 69.737,06 niet wordt kwijtgescholden omdat niet aan de voorwaarden voor kwijtschelding is voldaan.

2. Aan het besluit van 23 juni 2015 heeft het Waarborgfonds ten grondslag gelegd dat [appellante] ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening niet te goeder trouw is geweest. De geldverstrekker heeft fraude geconstateerd in de zin dat [voormalig echtgenoot] bij het verstrekken van de hypothecaire lening had moeten melden dat hij een belastingschuld had. [appellante] wordt als mede-eigenaar van de woning verantwoordelijk en aansprakelijk gehouden voor het niet melden daarvan.

Voorts heeft het Waarborgfonds aan het besluit ten grondslag gelegd dat niet aan het criterium van volledige medewerking is voldaan, omdat [appellante] onvoldoende inspanningen heeft verricht het verlies te vermijden of te beperken. Zij heeft ten laste van het verbouwingsdepot een nota ingediend voor het plaatsen van een nieuwe keuken, maar heeft uitgekeerde bedrag daar niet voor ingezet. Daarnaast acht het Waarborgfonds de constatering en aangifte van fraude door de geldverstrekker ook onverenigbaar met het criterium van volledige medewerking.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Waarborgfonds met de enkele verwijzing naar de melding van fraude door de geldverstrekker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet is voldaan aan het goede-trouwcriterium, nu hiervoor door de geldverstrekker noch door het Waarborgfonds enige onderbouwing is gegeven. Ook heeft het Waarborgfonds niet aannemelijk gemaakt dat [appellante] ten tijde van het aangaan van de hypothecaire lening wist dat een belastingschuld zou kunnen ontstaan waarmee rekening gehouden diende te worden.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Waarborgfonds zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellante] niet haar volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening en een zo hoog mogelijke opbrengst van de woning te geraken. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] het uit het verbouwingsdepot opgenomen bedrag van € 8.879,00 niet heeft gebruikt voor het doel waarvoor dat was opgenomen, namelijk het realiseren van een keuken.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Waarborgfonds zich op het standpunt mocht stellen dat zij niet heeft voldaan aan het criterium van volledige medewerking. Daartoe voert zij aan dat het bedrag uit het verbouwingsdepot van € 8.879,00 niet is besteed aan het plaatsen van een keuken, omdat de keukenleverancier tussen de bestelling en de levering van de keuken failliet is gegaan. Hierdoor is een aanbetaling van € 1.500,00 in rook opgegaan. Het resterende bedrag is besteed aan andere werkzaamheden in en om de woning, zoals het opnieuw laten betegelen van de voor- en achtertuin, het laten plaatsen van een schutting, het laten plaatsen van lichtspotjes, het laten vervangen van oude stopcontacten en het herbevestigen van planken aan de achtergevel van de woning. Nu zij het restantbedrag op andere wijze in de woning heeft geïnvesteerd om waardeverlies te voorkomen dan wel te beperken, heeft het Waarborgfonds zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er een ongunstige verhouding is ontstaan tussen de waarde van het onderpand en de hoogte van de hypotheeksom, aldus [appellante].

4.1. Niet in geschil is dat [appellante] een bedrag van € 8.879,00 uit het verbouwingsdepot heeft opgenomen voor een nieuwe keuken. Evenmin is in geschil dat door het faillissement van de keukenleverancier geen keuken aan [appellante] is geleverd en zij ook het resterende bedrag niet aan het plaatsen van een keuken heeft besteed.

Daargelaten dat [appellante] het uit het verbouwingsdepot opgenomen bedrag niet heeft gebruikt voor het doel waarvoor dit was verstrekt, het plaatsen van een inbouwkeuken met kasten en apparatuur, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij het resterende bedrag volledig heeft besteed aan de verbetering van de woning. Zij heeft niet met gegevens of bescheiden gestaafd waaraan zij het resterende bedrag heeft besteed en heeft in bezwaar gesteld dat het resterende bedrag deels door haar voormalige echtgenoot is benut om onderhandse leningen aan familie en vrienden af te lossen. Ook ter zitting is onvoldoende komen vast te staan waaraan het resterende bedrag is besteed. Nu niet vaststaat dat het uit het verbouwingsdepot opgenomen bedrag volledig is besteed aan het verbeteren en vernieuwen van de woning, mocht het Waarborgfonds zich op het standpunt stellen dat een ongunstige verhouding is ontstaan tussen de waarde van de woning en de afgesloten geldlening.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Waarborgfonds zich op het standpunt mocht stellen dat [appellante] niet haar volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening en een zo hoog mogelijke opbrengst van de woning te geraken.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Rijsdijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016

705.