Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3234

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
201600102/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2012 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600102/1/A2.

Datum uitspraak: 7 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2015 in zaak nr. 15/2300 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2012 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 16 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan [appellant] is een voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 toegekend van € 8.937,00 voor de opvang van zijn kinderen [kind 1] en [kind 2] bij [gastouder] via [gastouderbureau]. Bij besluit van 21 juli 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit voorschot herzien en vastgesteld op € 14.398,00. De dienst heeft laatstgenoemd voorschot met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2012 op nihil gesteld, omdat [appellant] niet heeft gereageerd op het verzoek om aanvullende informatie waarin hij aantoont de kosten van kinderopvang te hebben voldaan. [appellant] dient daarom het bedrag van € 14.398,00 terug te betalen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 16 maart 2015 ongegrond verklaard.

Tussen partijen is in geschil of de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag 2012 terecht op nihil heeft gesteld en het voorschot heeft teruggevorderd, omdat [appellant] niet heeft aangetoond de kosten van kinderopvang te hebben betaald.

Kinderopvangtoeslag 2012

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe dat de bedragen op de overgelegde kwitanties niet corresponderen met de geldopnames. Reeds daarom heeft [appellant] niet aangetoond dat hij de kosten voor kinderopvang in zijn geheel, inclusief de eigen bijdrage, heeft betaald. Voorts correspondeert het totaal van de volgens de maandoverzichten maandelijks contant betaalde bedragen niet met de in het overgelegde jaaroverzicht kinderopvang 2012 als ouderbijdrage aangeduide bedragen. De rechtbank merkt op dat het aan [appellant] is om een deugdelijke administratie bij te houden. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot daarom kunnen herzien en vast kunnen stellen op nihil, aldus de rechtbank.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ouderbijdrage niet is betaald, omdat de bedragen op de kwitanties niet worden ondersteund door corresponderende geldopnames. [appellant] stelt dat de ouderbijdrage wel degelijk is betaald met het geld dat blijkens de bankafschriften is opgenomen. Hij stelt dat het niet mogelijk is om ieder gewenst bedrag via een geldautomaat op te nemen, zodat de bedragen af kunnen wijken van de op de kwitanties vermelde bedragen. De betalingen hebben plaatsgevonden aan het gastouderbureau waarna het bureau zorg heeft gedragen voor de doorgeleiding aan de gastouder. Dit hoeft niet te betekenen dat deze betalingen per bank dienden te geschieden. De betalingen zijn in bijzijn en onder toeziend oog van het gastouderbureau verricht. Duidelijk is wanneer deze hebben plaatsgevonden. Tevens heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het totaal aan maandelijks contant betaalde ouderbijdragen niet correspondeert met de ouderbijdrage zoals vermeld in de jaaropgave, aldus [appellant].

3.1. [appellant] heeft in hoger beroep stukken overgelegd als bewijs van zijn stelling dat hij alle kosten heeft voldaan. In het verweerschrift heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat dit bewijs onvoldoende is. Bovendien is niet aan de in artikel 1.49, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) neergelegde verplichte kassiersfunctie voldaan.

3.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef, van de Wkkp, zoals die luidde ten tijde van belang, is kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van kinderopvang.

Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, onder b, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 1.49, derde lid, aanhef en onder b, draagt een houder van een gastouderbureau zorg voor een verantwoorde uitvoering van de werkzaamheden van het bureau, waaronder wordt verstaan het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders. Ingevolge artikel 1.56, zesde lid, aanhef en onder b, kunnen bij regeling van Onze Minister ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden gesteld omtrent het betalingsverkeer tussen gastouders, het gastouderbureau en vraagouders.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder d en e, van de Regeling Wkkp, de in artikel 1.56, zesde lid, van de Wkkp bedoelde regeling, bevat de administratie van een gastouderbureau bankafschriften waaruit de betalingen van de vraagouder aan het gastouderbureau en van het gastouderbureau aan de gastouder blijken.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

3.3. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:114 en van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2519, overweegt de Afdeling dat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald.

3.4. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] na aftrek van het voorschot nog € 3.076,00 diende te betalen. Hieronder is een bedrag van € 300,00 voor opleidingskosten van de gastouder begrepen, zodat [appellant] een bedrag van € 2.776,00 aan kosten voor kinderopvang over 2012 zelf diende te betalen. Aldus dient [appellant] aan te tonen dat hij deze kosten heeft voldaan.

[appellant] heeft in beroep kwitanties overgelegd waarop staat vermeld dat hij voor de kinderopvang in 2012 € 2.776,00 aan de gastouder heeft betaald. In hoger beroep heeft hij kwitanties overgelegd waarop staat vermeld dat hij in totaal € 3.200,00 heeft betaald. Nu de hoogte van de bedragen zoals vermeld op de in beroep en hoger beroep overgelegde kwitanties niet met elkaar overeenkomen, bestaat er reeds daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld. [appellant] heeft aldus niet aangetoond dat hij de kosten van kinderopvang over 2012 heeft betaald.

De Afdeling stelt voorts vast dat dat de door [appellant] verrichte betalingen aan de gastouder niet giraal via het gastouderbureau hebben plaatsgevonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in de uitspraak van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2811) volgt uit de tekst van artikel 1.1, eerste lid, en artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 1.49, derde lid, aanhef en onder b, van de Wkkp en uit de doelstelling van de kassiersfunctie dat het gastouderbureau de betalingen van de ouder die bestemd zijn voor de gastouder op objectief vast te stellen en controleerbare wijze onder zich moet hebben gehad en vervolgens moet hebben doorgeleid naar de gastouder. In artikel 11, derde lid, aanhef en onder d en e, van de Regeling Wkkp is dit vereiste nader uitgewerkt in die zin, dat alle betalingen per bank dienen plaats te vinden. Nu de betalingen niet per bank aan het gastouderbureau zijn gedaan, is niet voldaan aan de wettelijk voorgeschreven kassiersfunctie.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 terecht heeft herzien en vastgesteld op nihil.

Het betoog faalt.

Hoorplicht

4. De rechtbank heeft over het betoog van [appellant] dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen om meerdere redenen van het horen heeft mogen afzien. Niet is gebleken dat [appellant] heeft gereageerd op het verzoek om op het bij brief van 24 februari 2013 gevoegde antwoordformulier aan te geven of hij zijn bezwaar mondeling zou willen toelichten. Voorts mocht de Belastingdienst/Toeslagen afzien van het horen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank heeft een motiveringsgebrek geconstateerd, omdat in het verweerschrift is gesteld dat op grond van het bepaalde onder artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is afgezien van het horen, terwijl in het besluit van 16 maart 2015 is vermeld dat van het horen is afgezien wegens de kennelijke ongegrondheid van het bezwaar. De rechtbank heeft dit geconstateerde gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat [appellant] daardoor niet is benadeeld. In het besluit van 16 maart 2015 is een van de redenen opgenomen op grond waarvan van horen kon worden afgezien.

5. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan het geconstateerde motiveringsgebrek en ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 7:3 van de Awb van het horen in bezwaar heeft kunnen afzien.

5.1. Ingevolge artikel 7:3 van de Awb, voor zover thans van belang, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien:

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen mocht afzien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Nu de reden die in het besluit van 16 maart 2015 is vermeld stand kan houden heeft de rechtbank hierin terecht geen grond gezien voor vernietiging van het besluit van 16 maart 2015.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016

17-834.