Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3226

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
201602990/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2014 heeft de minister een verzoek om informatie van [appellant] deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602990/1/A3.

Datum uitspraak: 7 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 maart 2016 in zaak nr. 15/640 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2014 heeft de minister een verzoek om informatie van [appellant] deels afgewezen.

Bij besluit van 23 januari 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 13 november 2015 heeft de minister het besluit van 23 januari 2015 vervangen en het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:59 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) [appellant] opgeroepen ter zitting te verschijnen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2016, waar [appellant], bijgestaan door [rechtsbijstandsverlener] te Maastricht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.O. Nieuwpoort en mr. J. Jansen, beiden werkzaam bij de CVOM, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij brief van 16 september 2014 heeft [appellant] de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: de CVOM) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om het meest recente CJIB-zaakoverzicht, een kopie van het administratief beroep, het CVOM-voorbewerkingsformulier en de foto plus het bijbehorende tekstbestand aangaande CJIB-nummer […].

2. De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. De gemachtigde van [appellant], [rechtsbijstandsverlener], heeft naar het oordeel van de rechtbank de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Nu het beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee [rechtsbijstandsverlener] de Wob heeft gebruikt, heeft hij ook misbruik gemaakt van de bevoegdheid om beroep in te stellen. De handelwijze van [rechtsbijstandsverlener] moet aan [appellant] worden toegerekend, aangezien hij de betrokken handelingen namens [appellant] heeft verricht en [appellant] hem daartoe heeft gemachtigd.

De rechtbank heeft in dit oordeel betrokken dat [rechtsbijstandsverlener] een groot aantal Wob-verzoeken indient bij de CVOM en daarover een groot aantal procedures voert. Ook [appellant] heeft ervaring met het maken van bezwaar en instellen van beroep. [appellant] heeft gesteld dat hij een onderzoek verricht naar de werkwijze van de minister. De minister stelt dat [appellant] om informatie uit 21 dossiers heeft gevraagd, terwijl hij jaarlijks 446.000 administratieve beroepschriften ontvangt. De onderzoeksvragen en de probleemstelling van [appellant] kunnen met de informatie uit 21 dossiers niet gedegen worden beantwoord, omdat de bronverzameling daarvoor te gering is. Verder moet er gezien de kennis en ervaring van [rechtsbijstandsverlener] van worden uitgegaan dat hij ermee bekend is dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of op artikel 11, vierde lid, en artikel 19, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) gebaseerd informatieverzoek, ertoe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan, in geval van niet-tijdige besluitvorming, aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Voorts heeft [appellant] Wob-verzoeken en ingebrekestellingen meestal verkapt ingediend en heeft hij deze naar een verkeerd postbusnummer verzonden, terwijl hij van het juiste nummer op de hoogte is, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij doet geen kwantitatief onderzoek. Per zaak waarover hij informatie heeft gevraagd, wil hij bekijken hoe die zaak eruit ziet. Hij heeft het verzoek van 16 september 2014 ingediend naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:CA4023. Nu hij niet de betrokkene is bij de dossiers waarover hij informatie heeft gevraagd, kon hij de informatie niet opvragen op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of artikel 11, vierde lid, en artikel 19, vierde lid, van de Wahv. Het verzoek is niet verkapt ingediend, nu de brief van 16 september 2014 enkel een Wob-verzoek bevat. Hij heeft het verzoek per fax heeft verstuurd en daarop het postbusnummer vermeld dat op de website van het Openbaar Ministerie vermeld is. Ten tijde van het verzoek was hem niet bekend dat een Wob-verzoek naar postbus 8533 gestuurd moest worden. Een "no cure no pay"-afspraak tussen hem en zijn gemachtigde bestaat niet. Voorts zijn geen dwangsommen verbeurd. Hij heeft beroep ingesteld omdat hij wil dat de minister het administratief beroepschrift openbaar maakt, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt.

Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.

Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13 buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426), laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

3.3. Ingevolge artikel 7:18, tweede lid, van de Awb legt het beroepsorgaan het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

Ingevolge het vierde lid kunnen belanghebbenden van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wahv worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, kunnen partijen afschriften van of uittreksels uit door hen omschreven stukken verkrijgen. Op de voor de verstrekking van afschriften of uittreksels in rekening te brengen vergoedingen is het bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

3.3.1. De verkeersboete met CJIB-nummer [...] is niet aan [appellant] opgelegd. Hij heeft dat nummer afgeleid uit de voormelde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2013. [appellant] is derhalve geen belanghebbende als bedoeld in artikel 7:18 van de Awb, betrokkene als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Wahv, of partij als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de Wahv. Hij voert terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de documenten waarom hij heeft verzocht, op grond van die bepalingen had kunnen verkrijgen.

3.4. [appellant] voert ook terecht aan dat het verzoek van 16 september 2014 niet verkapt is ingediend. De brief bevat slechts het Wob-verzoek en boven de tekst van de brief is vermeld "Betreft: verzoek betreffende CJIB-nummer [...]". Verder voert [appellant] terecht aan dat hij het verzoek van 16 september 2014 per fax heeft verzonden. De minister heeft niet gesteld dat [appellant] daarbij een onjuist faxnummer zou hebben gehanteerd. Waarom de vermelding van een onjuist postbusnummer in het verzoek desondanks tijdige besluitvorming had kunnen bemoeilijken, heeft de minister niet toegelicht.

3.5. Bij brief van 18 oktober 2016 heeft [appellant] een opzet van zijn onderzoek en een versie van een onderzoeksrapport van januari 2015 en van november 2015 overgelegd. In de onderzoeksopzet is vermeld dat hij met gebruikmaking van de Wob zal onderzoeken over welke documenten de CVOM beschikt bij een opgelegde boete en dat per zaak een kwalitatieve beoordeling zal plaatsvinden. Van eind juli tot midden september 2014 zullen verzoeken om informatie met betrekking tot 30 CJIB-nummers aan de CVOM worden verzonden. De verzoeken worden verspreid ingediend over een periode van drie maanden om de werkwijze van de CVOM niet te beïnvloeden. De onderzoeksvraag luidt: "In hoeverre is er sprake van geautomatiseerde afhandeling van WAHV zaken door de CVOM". De deelvragen luiden: "In hoeverre is sprake van standaard afwijzingen van administratieve beroepen, hoe zien de administratieve beroepen eruit indien deze door een burger worden ingediend, hoe zien de administratieve beroepen eruit indien deze door een jurist worden ingediend, welke informatie stelt de CVOM op in het kader van een WAHV procedure en welke informatie is daar in terug te vinden en in welke gevallen beschikt de CVOM over onderliggen stukken (zoals de foto)". De door [appellant] overgelegde versies van het onderzoeksrapport bevatten onder andere paragrafen getiteld "probleemstelling", "literatuur" en "eigen resultaten". Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat hij de Wob-verzoeken niet gebundeld heeft ingediend en deze over drie maanden heeft verspreid om te voorkomen dat de CVOM zou vermoeden dat die verzoeken met een onderzoek verband houden. Hij vreesde dat een zodanig vermoeden bij de CVOM de besluitvorming zou beïnvloeden. Daarnaast heeft [appellant] ter zitting toegelicht dat hij een amateuronderzoeker is, dat de overgelegde versies van het onderzoeksrapport slechts concepten zijn en dat hij voornemens is het rapport aan te vullen en het te publiceren zodra het voltooid is. [appellant] heeft de documenten die de minister naar aanleiding van zijn verzoeken heeft verstrekt, op een website geplaatst.

3.5.1. In de zaak (nr. 14/3433), die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 december 2015, waartegen [appellant] hoger beroep heeft ingesteld, zie de uitspraak van de Afdeling van heden, ECLI:NL:RVS:2016:3225, heeft [rechtsbijstandsverlener] in een brief van 13 november 2015 andere onderzoeksvragen vermeld dan die in de in deze zaak overgelegde onderzoeksopzet zijn vermeld. [rechtsbijstandsverlener] heeft ter zitting van de Afdeling verklaard dat hij de inhoud van die brief niet in detail met [appellant] had afgestemd. In het onderzoeksrapport van november 2015 is in de paragraaf getiteld "eigen resultaten" beschreven hoe de procedures betreffende de Wob-verzoeken zijn verlopen. De onderzoeksvragen zien niet op procedures betreffende Wob-verzoeken maar op procedures betreffende verkeersboetes.

3.5.2. Gelet hierop, bestaat enige twijfel over de realiteit van het onderzoek dat [appellant] stelt uit te voeren. Die twijfel is echter niet zodanig, dat dit de conclusie rechtvaardigt dat het onaannemelijk is dat [appellant] het verzoek van 16 september 2014 met het oog op een onderzoek heeft ingediend.

3.6. Zoals uit de onder 3.2 vermelde uitspraken volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de omstandigheden dat het dossier geen blijk geeft van handelingen waarvan [rechtsbijstandsverlener] dan wel [appellant] geweten moet hebben dat die een tijdige besluitvorming konden bemoeilijken en niet is gebleken dat [rechtsbijstandsverlener] in deze zaak rechtsbijstand verleent op "no cure no pay"-basis, ziet de Afdeling onvoldoende grond voor het oordeel dat [appellant] dan wel [rechtsbijstandsverlener] het recht om een Wob-verzoek in te dienen en om beroep in te stellen zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten blijk geeft van kwade trouw. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet daarop, behoeft hetgeen [appellant] overigens in hoger beroep heeft aangevoerd geen bespreking meer. De Afdeling zal hierna de beroepen van [appellant] beoordelen.

Het beroep tegen het besluit van 23 januari 2015

5. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 januari 2015. De minister heeft dat besluit door het besluit van 13 november 2015 vervangen. Daardoor is het belang van [appellant] bij het beroep tegen het besluit van 23 januari 2015 vervallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de kosten die bij [appellant] in verband met de behandeling van dit beroep zijn opgekomen.

Het beroep tegen het besluit van 13 november 2015

6. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

6.1. Bij de brief van 14 november 2015 heeft [appellant] een grond tegen het besluit van 13 november 2015 voorgedragen. Dat besluit wordt daarom van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

6.2. Bij het besluit van 13 november 2015 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij het administratief beroepschrift waarom [appellant] heeft verzocht, heeft geweigerd openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Volgens de minister moet iemand die een administratief beroepschrift indient, het vertrouwen hebben dat dat document vertrouwelijk wordt behandeld en enkel voor het afdoen van het administratief beroep wordt gebruikt. Als administratieve beroepschriften openbaar worden gemaakt, zullen ontvangers van verkeersboetes zich minder vrij voelen om administratief beroep in te stellen en hun standpunten in het beroepschrift tot uitdrukking te brengen, aldus de minister.

6.3. [appellant] heeft in beroep betoogd dat zich bij openbaarmaking van het administratief beroepschrift geen onevenredige benadeling voordoet, nu een advocaat het heeft ingediend.

6.4. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

6.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1831), betekent het enkele feit dat informatie in vertrouwen is verstrekt niet dat het uitgangspunt van de Wob dat informatie in beginsel openbaar is, opzij gezet wordt. Daartoe dient een afweging te worden gemaakt, waarbij het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar dient te wegen.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van het door de minister geweigerde administratief beroepschrift. De groep personen aan wie mogelijk een verkeersboete is opgelegd is zeer omvangrijk. Het administratief beroepschrift bevat geen gronden die tot een bepaald persoon of een bepaalde kleine groep van personen zijn te herleiden. Daarom kan door gegevens weg te lakken het administratief beroepschrift effectief worden geanonimiseerd.

Gelet hierop, heeft de minister zich naar oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorkomen van een mogelijke onevenredige benadeling, die erin bestaat dat ontvangers van verkeersboetes zich wellicht minder vrij voelen om administratief beroep in te stellen en hun standpunten in het beroepschrift tot uitdrukking te brengen, in dit geval zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.

Het betoog slaagt.

7. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 november 2015 van de minister alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] gegrond te verklaren, het besluit van 1 oktober 2014 te herroepen voor zover de minister daarbij het verzoek om openbaarmaking van het administratief beroepschrift heeft afgewezen en de minister op te dragen het administratief beroepschrift betreffende CJIB-nummer [...] openbaar te maken na weglakking van de tot de ontvanger van de verkeersboete herleidbare gegevens. Nu openbaarmaking van die gegevens ertoe leidt dat een ieder die persoon in verband kan brengen met een verkeersovertreding, weegt openbaarmaking daarvan niet op tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Die gegevens worden derhalve op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob geweigerd. De minister wordt niet opgedragen om de gegevens die herleidbaar zijn tot de rechtsbijstandsverlener die het administratief beroepschrift namens de persoon die de boete heeft ontvangen heeft ingediend weg te lakken, nu het gaat om handelen van de rechtsbijstandsverlener in het kader van zijn beroepsmatig functioneren. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Proceskostenvergoeding

8. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij wordt het volgende in acht genomen. Zaak nr. 201600659/1/A3 en deze zaak zijn voor de vergoeding van de proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In beide zaken heeft [rechtsbijstandsverlener] namens [appellant] hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij de rechtbank het beroep wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De gronden waarop de rechtbank dat heeft gedaan en de gronden die [rechtsbijstandsverlener] namens [appellant] daartegen in hoger beroep heeft aangedragen zijn nagenoeg gelijkluidend. De Afdeling heeft de zaken voorts gelijktijdig ter zitting behandeld. In zaak nr. 201600659/1/A3 is de minister bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2016:3225, veroordeeld in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep zijn opgekomen. Nu die zaak en deze zaak samenhangende zaken zijn, worden ze ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht als één zaak beschouwd en bestaat derhalve in deze zaak geen aanleiding de minister in kosten van door een derde verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het hoger beroep te veroordelen. Gelet op hetgeen in de uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2016:3225, is overwogen, komen in deze zaak de reis- en verletkosten van [appellant] tot een bedrag van € 44,70 voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 maart 2016 in zaak nr. 15/640;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 23 januari 2015 niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 13 november 2015 gegrond;

V. vernietigt dat besluit van de minister van Veiligheid en Justitie van 13 november 2015, kenmerk V74050;

VI. herroept het besluit van 1 oktober 2014, kenmerk V74050, voor zover de minister daarbij het verzoek om openbaarmaking van het administratief beroepschrift heeft afgewezen;

VII. draagt de minister van Veiligheid en Justitie op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak het administratief beroepschrift met betrekking tot CJIB-nummer [...] openbaar te maken na weglakking van de tot de ontvanger van de verkeersboete herleidbare gegevens;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IX. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.036,70 (zegge: duizendzesendertig euro en zeventig cent), gedeeltelijk toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. verstaat dat de minister van Veiligheid en Justitie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 416,00 (zegge: vierhonderdzestien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Noordhoek, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Noordhoek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016

819.