Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3210

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
201605123/1/A1 en 201605123/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2015 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 57 appartementen met ondergrondse parkeergarage aan de Waardgracht te Leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3634
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605123/1/A1 en 201605123/2/A1.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2016 in zaken nrs. 15/8487 en 16/101 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2015 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 57 appartementen met ondergrondse parkeergarage aan de Waardgracht te Leiden.

Bij besluit van 14 juli 2015 heeft het college het besluit van 10 april 2015 gewijzigd. De hoogte van het bouwplan is daarbij gewijzigd van 12,2 m naar 12,1 m.

Bij besluit van 24 november 2015 heeft het college de door onder meer [appellant] en anderen tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat is ingesteld door [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D], en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stichting DUWO een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 november 2016, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kooij, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. R. Lever, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. D.G. Lasschuit, advocaat te Leiden, en de stichting DUWO, vertegenwoordigd door A.J. Dolle, bijgestaan door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het bouwplan voorziet in de realisering van 57 appartementen. De appartementen worden verdeeld in 163 kamers die door de stichting DUWO aan studenten zullen worden verhuurd. Het bouwplan bestaat uit twee gebouwen die in een L-vorm worden geplaatst. De lange zijde van het bouwplan is gelegen aan de Waardgracht en heeft een lengte van ongeveer 92 m. De korte zijde van het bouwplan is gelegen aan het Looiersplein. Tegenover de beoogde bebouwing aan de Waardgracht en het Looiersplein zijn woningen gelegen. Op enige afstand van het bouwplan is de Meelfabriek gelegen. [appellant] en anderen wonen tegenover of in de buurt van het voorziene bouwplan. Hun bezwaren tegen het bouwplan zien op de zon- en daglichttoetreding van de woningen in de omgeving van het bouwplan en op het aangezicht van de op te richten gebouwen. [appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht omdat gestart is met bouwwerkzaamheden.

2. Volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad I" hebben de delen van het perceel waarop de twee gebouwen zijn voorzien de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden zoals eengezinswoningen, meergezinswoningen, en wooneenheden, met de daarbijbehorende tuinen, erven, stoepen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, water, speelruimte en leidingen.

Ingevolge het derde lid, onder c, mag, indien op de kaart een minimale en/of een maximale goot- en/of bouwhoogte is aangegeven, de goot- en/of bouwhoogte van hoofdgebouwen niet lager of hoger zijn dan de minimale respectievelijk maximale goot- en/of bouwhoogte die is aangegeven. Op de plankaart is voor het bouwvlak aan de Waardgracht een maximale bouwhoogte van 11 m aangegeven. Voor het bouwvlak aan het Looiersplein geldt een maximale bouwhoogte van 14,5 m.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, kan het college vrijstelling verlenen voor afwijkingen van de voorgeschreven maten (waaronder bebouwingspercentages) van ten hoogste 10%.

3. Het deel van het bouwplan dat aan de Waardgracht is gesitueerd, heeft een hoogte van 12,1 m en overschrijdt daarmee de volgens het bestemmingsplan maximaal toegestane bouwhoogte van 11 m. Om realisering van het bouwplan desondanks mogelijk te maken heeft het college gebruik gemaakt van de in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid om 10% van de voorgeschreven maten af te wijken. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

Formele aspecten

4. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

5. Ter zitting heeft [appellant] het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, voor zover dat is ingesteld door personen die geen bezwaar hebben gemaakt, geen beroep hebben ingesteld of het ingestelde beroep hebben ingetrokken.

6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 24 november 2015 ten onrechte niet door de burgemeester is ondertekend.

6.1. Van het in de collegevergadering van 24 november 2015 genomen besluit is een afschrift overgelegd dat door de gemeentesecretaris is ondertekend. Het afschrift vermeldt dat de door [appellant] en anderen gemaakte bezwaren, in afwijking van het advies van de Regionale Commissie Bezwaarschriften Servicepunt71, ongegrond worden verklaard en dat de besluiten van 10 april 2015 en 14 juli 2015 worden gehandhaafd. Voorts is aan het Team Omgevingsvergunningen van het Cluster Publiekszaken, Veiligheid en Handhaving de opdracht gegeven om namens het college de brieven te ontwerpen en verzenden, waarin onder andere de in het bijgevoegde ambtelijk memo opgenomen motivering is vervat. Bij brieven van 25 november 2015 heeft de teammanager Omgevingsvergunningen namens het college aan [appellant] en anderen het besluit van het college bekendgemaakt en daarbij als bijlage de motivering gevoegd. Het college heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat de bijlage met de motivering, genaamd "Overwegingen Burgemeester en Wethouders inzake besluiten bezwaarschriften Waardgracht/Looiersplein ongegrond", de motivering is van het besluit van het college van 24 november 2015. De voorzieningenrechter twijfelt er, net als de rechtbank, niet aan dat deze bijlage met de motivering het door het college bedoelde ambtelijk memo betreft. Vast staat dat de brief van 25 november 2015 naar [appellant] en anderen is verzonden, waarmee het besluit op correcte wijze bekend is gemaakt.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het besluit van 24 november 2015 bevoegd is genomen en rechtsgeldig bekend is gemaakt.

Het betoog faalt.

Welstand

7. [appellant] en anderen betogen onder verwijzing naar het advies van ir. R. Verbeek van 15 november 2015 en de daarop ter zitting van de voorzieningenrechter voorgelezen aanvulling daarop, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

7.1. Het college heeft zich voor het oordeel of het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand gebaseerd op het advies van de Welstands- en monumentencommissie Leiden van 15 maart 2015 en de toelichting daarop. Het advies is op 9 oktober 2015 nader toegelicht door de secretaris van de welstandscommissie tijdens de hoorzitting van de Commissie Bezwaarschriften Servicepunt71, zoals is weergegeven in het advies van die Commissie van 3 november 2015. Bij de beoordeling heeft de welstandscommissie zich gebaseerd op de criteria van hoofdstuk 1, onderdeel b ("stadsvernieuwing"), van de Welstandsnota Leiden 2014. In de Welstandsnota is opgenomen dat de stadsvernieuwingsbuurten hoofdzakelijk bestaan uit stenige straten met als basis het individuele pand met stedelijk karakter. Historische eigenschappen zoals de variatie op woningniveau zijn niet overal meer herkenbaar. Voorts is daarin vermeld dat de architectuur in dit gebied niet van historische waarde is. De waarde is vooral gelegen in de stedenbouwkundige structuur zoals de straten, stegen en grachten.

De welstandscommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorziene bouwplan als onderdeel moet worden gezien van het grootschalige Meelfabriek complex. Ten aanzien van de criteria zoals ligging, massa, architectonische uitwerking, materiaal en kleur heeft de welstandscommissie op een aantal deelaspecten gemotiveerd waarom zij geen strijd met redelijke eisen van welstand aanwezig acht. Ten aanzien van de ligging heeft de welstandscommissie zich onder meer op het standpunt gesteld dat het voorziene bouwplan zich voldoende voegt naar het weefsel van de omgeving, dat bestaat uit enerzijds de Meelfabriek en anderzijds de omliggende woningen. Het water en de straat vormen volgens de welstandscommissie de structuur, die als zodanig blijft gehandhaafd. Volgens de welstandscommissie versterkt het voorziene bouwwerk het stratenpatroon. Wat betreft de massa heeft de welstandscommissie zich onder meer op het standpunt gesteld dat het gebouw zich voldoende voegt naar enerzijds de kleinschalige woningbouw richting de Waardgracht en anderzijds de grootschalige bouw van de Meelfabriek. Voorts is volgens de welstandscommissie een gelaagdheid in de voorgevel aangebracht, met een terugliggende entreepartij en terugliggende balkons. Het trappenhuis bevindt zich in een glazen verticaal deel dat het woonblok visueel in tweeën deelt, waardoor volgens de welstandscommissie variatie en geleedheid in het woonblok wordt aangebracht. Over de architectonische uitwerking heeft de welstandscommissie zich onder meer op het standpunt gesteld dat het bouwplan stedelijk is met een zorgvuldige detaillering en moderne uitstraling. Ook is duidelijk een horizontale en een verticale geleding te zien. Ten aanzien van materiaal en kleur heeft de welstandscommissie onder meer gesteld dat de kleuren ingetogen zijn en dat het metselwerk op een mooie manier veroudert en in het straatbeeld past.

7.2. Verbeek heeft zich in zijn advies van 15 november 2015 eveneens gebaseerd op de hiervoor genoemde criteria van de Welstandsnota. Verbeek heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Ten aanzien van de ligging heeft Verbeek zich onder meer op het standpunt gesteld dat het voorziene bouwplan zich wat betreft de hoogte in het geheel niet voegt naar het stedelijke weefsel. Het voorziene bouwplan heeft een meer dan tweemaal zo grote hoogte, zonder de kenmerkende kappenstructuur. Volgens Verbeek vereist hogere bebouwing dan historische bebouwing op zijn minst een evenredig grotere afstand tot de gracht om de hiërarchie van grachten, kades en wegen daarlangs geen geweld aan te doen. Wat betreft de massa heeft Verbeek zich onder meer op het standpunt gesteld dat het gebouw zich niet voegt naar de maat, schaal of karakter van de binnenstad. Het voorziene gebouw is een duidelijke moderne toevoeging, is uniform ontwikkeld en heeft een gevel met gridopbouw. Volgens Verbeek zijn incidenten zoals de entreepartij of balkons moeilijk afleesbaar in de gevel en ondergeschikt aan het repeterende grid. Over de architectonische uitwerking heeft Verbeek zich onder meer op het standpunt gesteld dat het bouwplan stedelijk is maar dat de detaillering eenvormig en monotoon is. Er is geen hoofd- of subgeleding afleesbaar. De horizontale en verticale geleding zijn volgens Verbeek gelijkwaardig. Ten aanzien van materiaal en kleur heeft Verbeek onder meer gesteld dat van horizontaal beton vervuiling en aangroei van algen bekend is en dat onderzoek nodig is naar de veroudering van de te gebruiken steenstrips.

7.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies van Verbeek niet volledig is omdat hij het bouwplan slechts heeft getoetst in relatie tot de woonbebouwing aan de Waardgracht en Looiersplein, en dat de welstandscommissie het bouwplan wel in relatie tot zowel de omliggende bebouwing als het Meelfabriek complex heeft bezien. De welstandscommissie heeft desgevraagd in het advies van Verbeek geen aanleiding gezien haar advies aan te passen en het college heeft die conclusie overgenomen. De secretaris van de welstandscommissie, ir. W.L.P. van Nieuwland, heeft ter zitting van de rechtbank gereageerd op het advies van Verbeek en toegelicht dat gebruik wordt gemaakt van bakstenen op beton en dat dit eruit ziet als metselwerk, maar niet veroudert zoals metselwerk. Voorts heeft hij gesteld dat de detaillering van moderne architectuur abstract is. Van Nieuwland heeft in dat verband gesteld dat het bouwplan moderne architectuur betreft en dat het zeer zorgvuldig is gedetailleerd.

Verbeek heeft zijn advies van 15 november 2015 ter zitting van de rechtbank toegelicht. Hij heeft gesteld dat de Meelfabriek op een oud bolwerk staat en te zien is als een "landmark". Op de voorziene locatie van het bouwplan moet volgens Verbeek naar de stad worden gekeken omdat het bij de stad hoort. Voorts heeft hij gesteld dat het hele gebouw er hetzelfde uit ziet. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft [appellant] een toelichting van Verbeek op zijn advies voorgelezen. Daaruit blijkt dat, net als in het advies van 15 november 2015, Verbeek het bouwplan wat betreft de hoogte en de uitwerking niet in overeenstemming met redelijke eisen van welstand acht.

7.4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2952, overweegt de voorzieningenrechter dat het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

7.5. In het door [appellant] en anderen overgelegde advies van Verbeek en de daarop gegeven toelichting wordt een andere visie gegeven op het bouwplan dan de visie die is neergelegd in het advies van de welstandscommissie. Dat brengt op zichzelf niet mee dat het advies van de welstandscommissie niet deugdelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de in de Welstandsnota neergelegde criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan. Uit het advies van Verbeek kan worden afgeleid dat hij het beoogde bouwplan niet in de omgeving vindt passen in relatie tot de woonbebouwing aan de Waardgracht en het Looiersplein. Uit het advies van de welstandscommissie blijkt dat de commissie het voorziene bouwplan bij de omliggende woonbebouwing vindt passen, maar dat zij van mening is dat het voorziene bouwplan onderdeel uitmaakt van het grootschalige Meelfabriek complex en mede in dat licht moet worden bezien. Daarbij lijkt een rol te spelen dat ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse van de Waardgracht een omvangrijk gebouw mag worden opgericht, aangezien het bebouwingsvlak volledig mag worden bebouwd en ter plaatse een hoogte van 11 m is toegestaan, terwijl aan de andere zijde van de Waardgracht een gebouw niet hoger dan 8 m is toegestaan. De welstandstoets dient in beginsel de in een bestemmingsplan toegekende bouwmogelijkheden en maatvoering te respecteren. De opmerkingen van Verbeek over de maat, schaal en hoogte van het voorziene bouwplan kunnen daarom in zoverre niet leiden tot het oordeel dat het bouwplan niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand of het oordeel dat het advies van de welstandscommissie zodanige gebreken vertoont, dat het college zich daarop niet heeft mogen baseren. Wat betreft de gemaakte opmerkingen over de vormgeving van het bouwplan valt op dat Verbeek en de welstandscommissie met name de moderne uitstraling van het voorgenomen bouwplan verschillend waarderen. Zoals hiervoor is overwogen, brengt een andere visie op zichzelf niet mee dat het advies van de welstandscommissie of dat van Verbeek niet deugdelijk is. De opmerkingen van Verbeek over het advies van de welstandscommissie zijn, in het licht van de uiteenlopende benadering van beide partijen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van dien aard dat moet worden geoordeeld dat het advies van de welstandscommissie wat betreft de inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Gelet daarop heeft de rechtbank naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

Belangenafweging

8. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan voor teveel schaduwwerking, zonbeperking en verlies van uitzicht zorgt, zodat de omgevingsvergunning niet in redelijkheid kon worden verleend. In dat verband verwijzen zij naar de bezonningsstudie van ir. T. Anholts. Ook voeren [appellant] en anderen aan dat het door het college uitgevoerde onderzoek naar de schaduwwerking van het bouwplan niet goed is uitgevoerd. Volgens [appellant] en anderen is de bouwhoogte van 12,1 m funest voor hun leefbaarheid.

8.1. Volgens het bestemmingsplan mag ter plaatse van de Waardgracht een gebouw worden gerealiseerd met een hoogte van 11 m. Het college heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid die in het bestemmingsplan is opgenomen om 10% van de voorgeschreven maten af te wijken. Het college acht de realisering van een gebouw met een hoogte van 12,1 m, gelet op de betrokken belangen, aanvaardbaar. Het heeft daarbij de schaduwdiagrammen betrokken die op 15 juli 2015 door het team Ruimtelijke Ontwikkeling Stedenbouw zijn opgesteld. Uit dat onderzoek blijkt dat er weinig verschil bestaat tussen de schaduwwerking op de omliggende woningen als er gebouwd wordt volgens het bestemmingsplan (11 m) of met gebruikmaking van de afwijkingsmogelijkheid van het bestemmingsplan (12,1 m). Datzelfde geldt voor het uitzicht vanuit de omliggende woningen.

Anholts heeft in haar bezonningsstudie weergegeven wat de schaduwwerking van het beoogde bouwplan is op de woningen aan de Waardgracht. In het begeleidend schrijven is vermeld dat de schaduwwerking groot is en dat de lichttoetreding beperkt is als gevolg van de realisering van het bouwplan. Voorts is daarin vermeld dat een gebouw met een hoogte van 11 m weinig uitmaakt, maar dat een gebouw van hooguit drie verdiepingen met zadeldaken zoals de bestaande bouw wel degelijk verschil zal maken.

8.2. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de schaduwdiagrammen niet bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Over het betoog van [appellant] ter zitting van de voorzieningenrechter dat het college zich bij het opstellen van de schaduwdiagrammen niet aan de zogeheten "Haagse regels" heeft gehouden die het college bij het opstellen van dergelijke onderzoeken gebruikt, heeft het college gesteld dat de schaduwdiagrammen volgens de gebruikelijke systematiek zijn opgesteld waarbij het effect van het voorziene gebouw op de bezonning voor vaste momenten op de dag en voor verschillende maanden in de winter en zomer in kaart is gebracht. Voorts heeft het college gesteld dat de door [appellant] bedoelde regels op een andere situatie zien en niet van toepassing zijn bij het opstellen van schaduwdiagrammen. De voorzieningenrechter oordeelt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat onjuiste richtsnoeren zijn gebruikt voor de opstelling van de schaduwdiagrammen. De bezonningsstudie van Anholts geeft de voorzieningenrechter evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de schaduwdiagrammen niet bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Er zijn weliswaar enige verschillen tussen de bezonningsstudie van Anholts en de schaduwdiagrammen van het college, maar de studie van Anholts is op een andere schaal en vanuit een andere hoek gemaakt dan de diagrammen van het college. Ook heeft Anholts geen vergelijking gemaakt tussen de situatie dat gebouwd wordt volgens de in het bestemmingsplan toegestane hoogte van 11 m en de situatie dat wordt gebouwd met gebruikmaking van de afwijkingsmogelijkheid van het bestemmingsplan. Verder kan uit het begeleidend schrijven van Anholts worden opgemaakt dat Anholts erkent dat een gebouw met een hoogte van 11 m ten opzichte van een gebouw van 12,1 m wat de schaduwwerking en de daglichttoetreding betreft weinig verschil maakt.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college ervan kon uitgaan dat er weinig verschil zal zijn tussen de schaduwwerking op de omliggende woningen als er wordt gebouwd volgens het bestemmingsplan en de situatie dat er wordt gebouwd met gebruikmaking van de afwijkingsmogelijkheid van het bestemmingsplan. Dat geldt ook voor de mogelijkheid tot plaatsing van zonnecellen en zonnecollectoren op de daken van omliggende woningen. Uit de schaduwdiagrammen van het college blijkt dat de bouw van een gebouw met een hoogte van 12,1 m ten opzichte van een gebouw van 11 m hoog nauwelijks voor een verschil in schaduwwerking op de daken van de omliggende gebouwen zorgt. De toename van de schaduw op de gevels en daken van de omliggende woningen als gevolg van realisering van het bouwplan is voornamelijk het gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bouwhoogte, welke afweging in de bestemmingsplanprocedure aan bod had kunnen komen, maar niet in deze procedure over een omgevingsvergunning.

8.3. De voorzieningenrechter ziet, net als de rechtbank, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de afwijking van het bestemmingsplan van 1,1 m zal leiden tot een zodanige extra belemmering van uitzicht, daglichttoetreding of toename van schaduw dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de in het bestemmingsplan opgenomen bevoegdheid om 10% af te wijken van de daarin gestelde maximale hoogte. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college, bij de afweging van alle betrokken belangen, in aanmerking nemend de mogelijkheden van het bestemmingsplan, in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van [belanghebbende] en stichting DUWO bij de uitvoering van het bouwplan zoals aangevraagd.

Het betoog faalt.

Conclusie

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Voor zover [appellant] en anderen de voorzieningenrechter hebben verzocht om terugbetaling van het griffierecht voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, wijst de voorzieningenrechter dat verzoek af.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Smulders-Wijgerde

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

672.