Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3199

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
201601411/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 26 juni 2013, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2013:17, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 mei 2012 in zaak nr. 11/304 ongegrond verklaard. Eerstgenoemde uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601411/1/A3.

Datum uitspraak: 30 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Een, gemeente Noordenveld,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013, in zaak nr. 201206182/1/A3.

Procesverloop

Bij uitspraak van 26 juni 2013, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2013:17, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 mei 2012 in zaak nr. 11/304 ongegrond verklaard. Eerstgenoemde uitspraak is aangehecht.

[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 oktober 2016, waar [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld, vertegenwoordigd door ing. M. Smit, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. In de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 lag het oordeel van de rechtbank voor over een verkeersbesluit waarbij alle verblijfsgebieden te Een als wegen werden aangewezen waarop maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het op grond van het door het college omschreven gebruik van de Hoofdstraat aannemelijk is dat deze voornamelijk een verblijfsfunctie heeft in plaats van een verkeersfunctie. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college in het wegvallen van de bescherming op grond van de Wet geluidhinder geen reden hoefde te zien om de Hoofdstraat niet als 30 km-zone aan te merken. Zij overwoog daarbij ervan uit te gaan dat de maximaal toegestane snelheid op de Hoofdstraat zal worden gehandhaafd.

3. Aan het verzoek om herziening heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat het college in de zaak over het verkeersbesluit de feiten niet correct heeft gepresenteerd. Hij wijst op het bestemmingsplan Kleine Kernen Noordenveld dat op 9 december 2015 in rechte is komen vast te staan en het Gemeentelijke Verkeers- en Vervoersplan 2015-2025 (hierna: GVVP) dat op 22 april 2015 is vastgesteld. Hieruit blijkt dat de Hoofdstraat volgens het college feitelijk een verkeersfunctie heeft. Verder heeft [verzoeker] een kaart ingebracht die op 15 april 2016 aan gemeenten beschikbaar is gesteld. Hieruit blijkt dat de Hoofdstraat een hoofdroute is voor landbouwverkeer en dus een verkeersfunctie heeft. Tot slot blijkt uit het GVVP dat het college de politie eerst zal verzoeken handhavend op te treden als onder meer is geconstateerd dat 85% van het verkeer sneller dan 45 kilometer per uur rijdt.

3.1. De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van een herzieningsverzoek uitsluitend van belang is of feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld.

Ten aanzien van het bestemmingsplan, de overgelegde kaart en het GVVP overweegt de Afdeling dat het feit dat deze zijn verkregen na de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 niet uitsluit dat zij betrekking hebben op feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór die uitspraak en aldus dienst kunnen doen ter vaststelling van een feit in de zin van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

Op de Hoofdstraat rust de bestemming ‘Verkeer’, terwijl op enkele andere wegen de bestemming ‘Verkeer - verblijfsgebied’ rust. Dit brengt evenwel niet mee dat het oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 moet worden herzien omdat niet aannemelijk zou zijn dat de Hoofdstraat voornamelijk een verblijfsfunctie heeft. Daartoe is redengevend dat het bestemmingsplan is ingegeven vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening. In het verkeersbesluit waarbij de Hoofdstraat werd aangewezen als weg waar maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden, is een andere belangenafweging aan de orde. Daar is aan de verkeersveiligheid doorslaggevend belang gehecht. Dat de Hoofstraat een hoofdroute zou zijn voor landbouwverkeer blijkens de door [verzoeker] ingebrachte kaart, maakt evenmin dat niet aannemelijk is dat de Hoofdstraat voornamelijk een verblijfsfunctie heeft. Bovendien is landbouwverkeer inherent aan het landelijke gebied waarin Een ligt. In het GVVP is een afweging gemaakt vanuit het oogpunt van verkeer en vervoer. Volgens het GVVP hebben wegen die zijn aangewezen als 30 kilometer-zone ofwel een ondergeschikte verkeersfunctie ofwel zowel een belangrijke verkeersfunctie als verblijfsfunctie, de zogenoemde grijze wegen. Ervan uitgaande dat de Hoofdstraat een grijze weg is, kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat de Hoofdstraat feitelijk voornamelijk een verkeersfunctie heeft. Ten aanzien van het in het GVVP neergelegde handhavingsbeleid met betrekking tot snelheidsovertredingen heeft het college ter zitting toegelicht dat dit slechts de reeds bestaande afspraken met de politie zijn die op schrift zijn gesteld. In zoverre is het handhavingsbeleid geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid. Indien [verzoeker] zich niet kan vinden in een eventueel afwijzend besluit op een door hem ingediend verzoek om handhaving, kan hij dat besluit aanvechten.

Gelet op al het voorgaande heeft [verzoeker] geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb aangedragen, zodat geen reden bestaat de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 te herzien.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Niane-van de Put

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016

805.