Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
201506612/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2014 met kenmerk 3IG5269 en bij besluit van 9 juli 2014 met kenmerk 3IG6097 heeft de raad twee aanvragen van [appellant] om toevoegingen voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506612/1/A2.

Datum uitspraak: 30 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juli 2015 in de zaken nrs. 15/30, 15/39, 15/24, 15/20, 15/62 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2014 met kenmerk 3IG5269 en bij besluit van 9 juli 2014 met kenmerk 3IG6097 heeft de raad twee aanvragen van [appellant] om toevoegingen voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft de raad de door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om vaststelling van dwangsommen ongegrond verklaard en de beroepen tegen de besluiten op bezwaar ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.J.W. Reijnders en mr. M. Doets, zijn verschenen.

Overwegingen

Bevoegdheid

1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:547) dient ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) de aanvraag om een toevoeging te worden ingediend bij de vestiging van de raad in het ressort waar de rechtsbijstandverlener kantoor houdt. Uit deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 8:7, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb, alsmede artikel 2, tweede lid, van de Wrb en het Besluit vestigingsplaatsen, vloeit voort welke rechtbank bevoegd is kennis te nemen van besluiten op bezwaar in verband met die aanvraag.

De aanvragen om een toevoeging zijn ingediend door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam. Rotterdam is gelegen in het ressort Den Haag. De aanvraag moet aldus geacht te zijn ingediend bij de vestiging van de raad te Den Haag. Dit brengt mee dat niet de rechtbank Midden-Nederland maar de rechtbank Den Haag bevoegd was kennis te nemen van het beroep tegen de besluiten van 23 oktober 2014.

Met het oog op een effectieve geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding de aangevallen uitspraak krachtens artikel 8:117 van de Awb als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

Aanleiding

2. [appellant] heeft door tussenkomst van zijn gemachtigde twee toevoegingen aangevraagd voor rechtsbijstand voor het voeren van twee kortgedingprocedures.

Het besluit van 3 juli 2014 met kenmerk 3IG5269 heeft betrekking op het voeren van een kortgedingprocedure ter verkrijging van een proces-verbaal van een wrakingszitting bij de rechtbank Noord-Nederland. Deze aanvraag om een toevoeging is door de raad afgewezen omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang dat het voeren van een kortgedingprocedure rechtvaardigt. Volgens de raad valt niet in te zien dat [appellant] de afgifte van het proces-verbaal niet kan afwachten.

Het besluit van 9 juli 2014 met kenmerk 3IG6097 heeft betrekking op het voeren van een kortgedingprocedure ter verkrijging van een schriftelijk besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen dat aan [appellant] een belverbod is opgelegd. De raad heeft deze aanvraag om een toevoeging afgewezen, omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang dat het voeren van een kortgedingprocedure rechtvaardigt, omdat [appellant] bij brief van 18 juni 2014 door het college van burgemeester en wethouders van Groningen in de gelegenheid is gesteld om informatie te verstrekken over het door hem gestelde, maar bij het college niet bekende belverbod.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten tijde van de indiening van de ingebrekestelling wegens het niet tijdig nemen van besluiten op bezwaar, de beslistermijn nog niet was verstreken. De ingebrekestelling is daardoor, aldus de rechtbank, prematuur, waardoor het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is. In aansluiting hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat geen dwangsommen zijn verbeurd.

4. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de raad de aanvragen om een toevoeging in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

Volgens de rechtbank blijkt uit de aanvraag met kenmerk 3IG5269 slechts dat bij de rechtbank Noord-Nederland is verzocht om het toesturen van een afschrift van het proces-verbaal en dat [appellant] dit niet heeft ontvangen. Dat sprake is van een spoedeisend belang dat noopt tot het voeren van een kort gedingprocedure volgt volgens de rechtbank derhalve niet uit de aanvraag. Dat ter zitting is gebleken dat [appellant] al meermalen om het proces-verbaal heeft verzocht en dat de rechtbank Noord-Nederland dit uitdrukkelijk heeft geweigerd, is een omstandigheid die de raad niet bij het beslissen op de aanvraag heeft kunnen betrekken. De rechtbank heeft overwogen dat het aan [appellant] is om in de aanvraag te onderbouwen waarom aanspraak bestaat op een toevoeging. Bij haar oordeel heeft de rechtbank voorts betrokken dat [appellant] in de bezwaarfase de gelegenheid heeft gehad zijn bezwaar te onderbouwen maar dat hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

Over de aanvraag met kenmerk 3IG6097 overweegt de rechtbank dat [appellant] door het college van burgemeester en wethouders van Groningen in de gelegenheid is gesteld om aanvullende informatie te verstrekken over het belverbod dat volgens [appellant] door het college van burgemeester en wethouders van Groningen is opgelegd en dat gelet daarop niet valt in te zien dat daarover een kort gedingprocedure gevoerd dient te worden. Voor zover [appellant] stelt dat het spoedeisend belang is dat het belverbod zo snel mogelijk moest worden opgeheven in verband met een aanvraag om bijzondere bijstand, overweegt de rechtbank dat [appellant] ook op andere manieren in contact had kunnen treden met het college.

Hoger beroep van [appellant]

5. De wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

- Niet tijdig beslissen op bezwaar en afwijzing dwangsommen

6. [appellant] richt zich allereerst tegen het oordeel van de rechtbank dat de termijn om te beslissen op zijn bezwaarschriften nog niet was verstreken, zodat de raad niet in gebreke kon worden gesteld en geen dwangsommen zijn verbeurd. Hij betoogt dat de raad hem na ommekomst van zes weken had moeten informeren over het inschakelen van de commissie voor bezwaar. Nu de raad dit heeft nagelaten moest hij volgens [appellant] na zes weken beslissen op de bezwaren, zodat de raad na ommekomst van deze termijn in gebreke was en dwangsommen zijn verbeurd.

6.1. De Afdeling stelt vast dat de afwijzing van de aanvraag met kenmerk 3IG5269 dateert van 3 juli 2014, verzonden op 7 juli 2014, en de afwijzing van de aanvraag met kenmerk 3IG6097 van 9 juli 2014, verzonden op 11 juli 2014. Dit betekent dat de bezwaartermijn is verstreken op respectievelijk 19 augustus 2014 en 23 augustus 2014. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, had de raad na het verstrijken van de bezwaartermijn zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - twaalf weken, om op de bezwaarschriften te beslissen. Bij een beslistermijn van zes weken was de termijn op 1 oktober 2014 respectievelijk 5 oktober 2014 verstreken.

Bij brief van 20 augustus 2014, ingekomen op 28 augustus 2014, heeft [appellant] de raad in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften en daarbij een beroep gedaan op de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Nu zelfs de korte termijn van zes weken om te beslissen op de bezwaarschriften van [appellant] toen nog niet was verstreken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ingebrekestelling prematuur was en dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat op grond van een prematuur ingediende ingebrekestelling geen verplichting bestaat tot het betalen van dwangsommen. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellant] dat de raad hem niet voor het verstrijken van de beslistermijn van zes weken heeft geïnformeerd over het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb geen bespreking.

Het betoog faalt.

- Vooringenomenheid

7. [appellant] voert aan dat de raad in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld, vooringenomen was en geen deugdelijke belangenafweging heeft verricht bij het beoordelen van zijn aanvragen. In dit verband wijst [appellant] erop dat door een medewerker van de raad is gezegd dat alle aanvragen om een toevoeging zullen worden afgewezen en dat een klacht wordt ingediend bij de Deken indien hiertegen bezwaar wordt gemaakt en beroep wordt ingesteld. Uit de motivering van de besluiten blijkt ook dat de raad alle aanvragen met een gelijkluidende motivering heeft afgewezen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de raad alle zaken afzonderlijk op zijn merites heeft beoordeeld en dat hieraan een deugdelijke belangenafweging ten grondslag ligt, aldus [appellant].

7.1. De Afdeling overweegt dat [appellant] tegen de afwijzingen van de aanvragen om een toevoeging bezwaar heeft gemaakt. Alvorens op deze bezwaren is beslist, zijn door de Commissie voor Bezwaar, die bestaat uit commissieleden die niet in dienst zijn van de raad, afzonderlijke adviezen uitgebracht, waarin de bezwaargronden van [appellant] inhoudelijk zijn beoordeeld. De raad heeft deze adviezen ten grondslag gelegd aan de besluiten op bezwaar. Daarmee is de inhoud van deze adviezen onderdeel gaan uitmaken van de motivering van de besluiten op bezwaar. Nu aan de besluiten op bezwaar een inhoudelijke motivering ten grondslag ligt die is toegespitst op de specifieke omstandigheden van het geval, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld, vooringenomen was of geen deugdelijke belangenafweging heeft verricht. Voor zover [appellant] er met zijn betoog op doelt dat de raad bij het nemen van de primaire besluiten vooringenomen heeft gehandeld, overweegt de Afdeling het volgende. Op grond van artikel 7:11 van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaats van het primaire besluit. Eventuele gebreken die kleven aan het primaire besluit kunnen in het besluit op bezwaar worden hersteld. De rechtbank oordeelt vervolgens over de besluiten op bezwaar.

Het betoog faalt.

- De aanvragen met kenmerken 3IG5269 en 3IG6097

8. [appellant] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de raad hem op de voet van artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid had moeten stellen om zijn aanvragen aan te vullen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank hem ten onrechte verweten dat hij eerst ter zitting bij de rechtbank een onderbouwing van de aanvraag heeft gegeven, aangezien het volgens hem op de weg van de raad lag om hierom bij de beoordeling van zijn aanvragen te verzoeken. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat de raad door dit na te laten heeft gehandeld in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank over het besluit met kenmerk 3IG5269 ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang, zodat de raad de aanvraag voor een toevoeging in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Volgens [appellant] is nergens vermeld dat voor het kunnen aanvragen van een toevoeging sprake moet zijn van een spoedeisend belang en biedt het aanvraagformulier overigens ook onvoldoende ruimte om dit te onderbouwen.

Over de aanvraag met kenmerk 3IG6097 voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat er wel aanleiding bestond voor het voeren van een kort gedingprocedure tegen de gemeente Groningen, nu het college van burgemeester en wethouders van Groningen zijn aanvraag om bijzondere bijstand niet in behandeling wilde nemen en hij daarvoor afhankelijk was voor het betalen van zijn huur. Doordat het college van burgemeester en wethouders feitelijk wel een telefoonverbod had opgelegd maar weigerde dit in een besluit neer te leggen, kon hij hiertegen geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden. Ook hier heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat de raad heeft gehandeld in strijd met het EVRM, het IVBPR en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

8.1. Anders dan [appellant] stelt, is artikel 4:5, eerste lid, van de Awb in dit geval niet van toepassing. De raad heeft de aanvragen om een toevoeging immers niet buiten behandeling gelaten, maar onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Bezwaar op inhoudelijke gronden afgewezen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre onjuist is. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar artikel 4:2, tweede lid, van de Awb terecht geoordeeld dat het op de weg van [appellant] lag om zijn aanvraag te onderbouwen. De door [appellant] bij de aanvraag vermelde gegevens waren op zichzelf voldoende om een beslissing op de aanvraag te nemen, zodat de raad hem daartoe niet in de gelegenheid hoefde te stellen. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad - door die gelegenheid niet te bieden - heeft gehandeld in strijd met het EVRM, het IVBPR en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

8.2. Over het betoog van [appellant] over het besluit met kenmerk 3IG5269, dat nergens wordt vereist dat het spoedeisend belang wordt onderbouwd, overweegt de Afdeling dat in artikel 12 van de Wrb is bepaald dat rechtsbijstand niet wordt verleend indien de daartoe strekkende aanvraag van elke grond is ontbloot. Uit artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand (hierna: Brb) volgt dat dit het geval is indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft. Uit de Nota van Toelichting (Stb.1994, 32) bij artikel 3, aanhef en onder b, van het Brb komt naar voren dat een rechtsbijstandverzoek enige kans van slagen dient te hebben. De aanvraag is gedaan met het oog op het voeren van een civiele kort gedingprocedure. Voor een succesvol kort geding is op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een spoedeisend belang vereist. In de aanvraag is niet onderbouwd waarom het voeren van een kortgedingprocedure noodzakelijk is voor het kunnen verkrijgen van een proces-verbaal van een wrakingszitting. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag wegens het ontbreken van een onderbouwing van het spoedeisend belang van elke grond is ontbloot.

Voor zover [appellant] ter zitting heeft aangevoerd dat andere aanvragen met een vergelijkbare omschrijving van het rechtsprobleem door de raad wel zijn toegewezen, heeft de raad toegelicht dat gelet op de hoeveelheid aanvragen van [appellant] kritischer is gekeken naar de onderbouwing van de haalbaarheid en de noodzakelijkheid van de procedure waarvoor een toevoeging wordt aangevraagd. De Afdeling acht dit gelet op het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, waarbij het door het Rijk beschikbaar gestelde budget zo adequaat mogelijk dient te worden verdeeld en besteed, niet onredelijk.

Over het betoog van [appellant] dat het aanvraagformulier onvoldoende ruimte biedt om alle relevante informatie te vermelden, heeft de rechtbank overwogen dat het mogelijk is om een bijlage bij de aanvraag te voegen met een toelichting, en dat de gemachtigde van [appellant] hiermee bekend bleek. [appellant] heeft dit niet bestreden.

8.3. Over het betoog van [appellant] dat de rechtbank bij het besluit met kenmerk 3IG6097 heeft miskend dat er wel een spoedeisend belang is, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant] heeft aangevoerd dat het voeren van een kort gedingprocedure noodzakelijk was omdat hij de aangevraagde bijzondere bijstand nodig had voor het betalen van zijn huur, maar het college van burgemeester en wethouders van Groningen zijn aanvraag niet in behandeling wilde nemen en hem voorts een telefoonverbod had opgelegd. De rechtbank heeft verwezen naar artikel 12, tweede lid, onder a, van de Wrb en geoordeeld dat het geschil zich nog niet in een fase bevond dat een kort gedingprocedure kon worden gevoerd omdat [appellant] door het college van burgemeester en wethouders van Groningen in de gelegenheid was gesteld om nadere informatie te verstrekken over het vermeende belverbod. De Afdeling onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat een spoedeisend belang ontbrak. Bovendien heeft de rechtbank daarbij terecht betrokken dat [appellant] zijn zaak had kunnen bespoedigen door te reageren op de brief van het college van burgemeester en wethouders en hij ook op andere manieren in contact had kunnen treden met de gemeente. Voor zover [appellant] aanvoert dat de rechtbank daarbij heeft miskend dat een dreigende huisuitzetting een spoedeisend belang oplevert, overweegt de Afdeling dat dit een andere kwestie betreft dan waarvoor [appellant] een aanvraag om een toevoeging heeft ingediend.

De Afdeling ziet gezien het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad - door het afwijzen van de aanvraag - heeft gehandeld in strijd met het EVRM, het IVBPR en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Conclusie

9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Verheij w.g. Fenwick

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016

608.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 4:2

1. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de aanvrager;

b. de dagtekening;

c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 4:5

Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijke is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Artikel 7:10

1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Artikel 7:11

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

(...)

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 254

1. In alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, is de voorzieningenrechter bevoegd deze te geven.

Wet op de rechtsbijstand (Wrb)

Artikel 12

2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

a. de daartoe strekkende aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot;

(...)

Besluit rechtsbijstand (Brb)

Artikel 3

Rechtsbijstand wordt als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer:

(...)

b. waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft;

(...)