Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
201602302/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1309, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag over 2014 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602302/1/A2.

Datum uitspraak: 30 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2016 in zaak nr. 15/3098 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag over 2014 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. B. Özates, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding van het hoger beroep

1. [appellant] huurde in 2014 een woning aan de [locatie] te Rotterdam en ontving daarvoor huurtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot op die toeslag voor [appellant] herzien naar nihil. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellant] geen recht op huurtoeslag omdat hij niet heeft aangetoond dat hij huur heeft betaald. [appellant] stelt contant te hebben betaald en heeft daarvan wel kwitanties overgelegd, maar geen bankafschriften die de kwitanties ondersteunen.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen recht heeft op huurtoeslag. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat hij er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij de huur contant heeft voldaan, zoals hij stelt. [appellant] heeft weliswaar kwitanties en in beroep ook bankafschriften overgelegd, maar de op de bankafschriften vermelde geldopnames zijn niet te herleiden tot de op de kwitanties vermelde betalingen. De door [appellant] eveneens overgelegde verklaring van de verhuurder komt volgens de rechtbank niet de door hem gewenste betekenis toe, omdat deze niet kan worden geverifieerd op basis van objectieve gegevens.

Het hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat het oordeel van de rechtbank geen stand kan houden. Daartoe voert hij aan dat uit de wet niet volgt dat slechts aanspraak op huurtoeslag bestaat wanneer de huur giraal is voldaan. Evenmin volgt uit de wet dat in geval van contante betaling aan de betaling geldopnames vooraf moeten gaan. [appellant] is door de Belastingdienst/Toeslagen ook nooit gewezen op deze voorwaarde. Het tegenwerpen van voorwaarden die vooraf niet bekend waren is onevenredig en daarom in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aldus [appellant].

Verder heeft de rechtbank ten onrechte geen betekenis toegekend aan de verklaring van de verhuurder. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kan die verklaring wel degelijk worden geverifieerd op basis van objectieve gegevens, nu de verhuurder de huurinkomsten dient op te geven bij de aangifte voor de inkomstenbelasting.

3.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder huurtoeslag verstaan een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) in de kosten van het huren van een woning.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Awir van toepassing, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Awir wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder tegemoetkoming verstaan een financiële bijdrage van het Rijk op grond van een inkomensafhankelijke regeling.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Vereiste van het (giraal) betalen van de huur

3.2. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat een aanspraak op huurtoeslag slechts bestaat indien de huur giraal is betaald, rust het betoog op een verkeerde lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft dat vereiste niet gesteld. De rechtbank heeft zich wel voor de vraag gesteld gezien of [appellant] met de door hem overgelegde stukken heeft voldaan aan zijn verplichting als ontvanger van huurtoeslag om desgevraagd aan te tonen dat hij de gestelde huurkosten heeft gemaakt. Die verplichting volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht. Het oordeel van de rechtbank berust dan ook op een uit de wet volgend vereiste. Of het oordeel juist is, komt hierna aan de orde.

3.3. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] gewezen op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 10 juli 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:278) waaruit volgens hem volgt dat in het geval dat gebruik wordt gemaakt van een financiële regeling, de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat vereisten worden tegengeworpen die ten tijde van belang niet voldoende kenbaar waren. De verwijzing naar deze uitspraak kan [appellant] niet baten. De verplichting tot het aantonen dat de gestelde huurkosten zijn gemaakt vloeit - zoals voormeld - voort uit artikel 1, aanhef en onder e, van de Wht gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir. Deze bepalingen gelden sinds de invoering van de huurtoeslag op 1 september 2005. [appellant] wordt dan ook geen vereiste tegengeworpen dat achteraf in het leven is geroepen en het was voldoende kenbaar dat hij de gestelde huurkosten desgevraagd moet kunnen aantonen. Dat de Belastingdienst/Toeslagen [appellant], zoals hij stelt, nooit op deze voorwaarde heeft gewezen is niet van belang, reeds omdat die verplichting volgt uit de wet en niet uit een daartoe strekkende mededeling. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb kan om dezelfde reden niet slagen.

Oordeel over de gestelde betalingen

3.4. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de bewijskracht van de overgelegde kwitanties kan worden getwijfeld omdat volgens de kwitanties maandelijks de kale huur is betaald (€ 525,00) terwijl op grond van de huurovereenkomst ook servicekosten hadden moeten worden betaald (€ 195,00; totaal: € 720,00) en [appellant] bovendien heeft gesteld dat hij maandelijks € 600,00 heeft betaald. De Belastingdienst/Toeslagen mocht daarin aanleiding zien [appellant] te verzoeken om overlegging van nadere stukken. Voor zover [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft gesteld dat hij minder heeft betaald dan in de overeenkomst is vermeld omdat de woning gebreken vertoonde, wordt daaraan voorbijgegaan. Daargelaten dat [appellant] deze verklaring eerst in hoger beroep heeft gegeven, heeft hij de verklaring geenszins onderbouwd.

3.5. [appellant] heeft geen stukken overgelegd, zoals bankafschriften, waaruit kan worden afgeleid hoeveel de door hem betaalde huur bedraagt. Over de verklaring van de verhuurder, dat [appellant] de huur heeft voldaan, heeft [appellant] ter zitting herhaald dat deze kan worden gestaafd met de aangifte inkomstenbelasting van de verhuurder. Daargelaten of uit de aangifte zou kunnen volgen dat [appellant] de gestelde betalingen heeft verricht, heeft hij die aangifte niet overgelegd. Voor zover [appellant] betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen zelf over die aangifte beschikt, wordt hij daarin niet gevolgd. De Belastingdienst/Toeslagen is een van de inspecteur van de Belastingdienst te onderscheiden bestuursorgaan. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegelicht dat hij geen toegang heeft tot de gegevens van de inspecteur. Bovendien is het aan [appellant], als aanvrager van de huurtoeslag, om aan te tonen dat hij daar aanspraak op heeft.

3.6. Conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de gestelde huurkosten heeft gehad.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Pans w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016

480-799.