Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3186

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
201601017/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel [locatie] te Andijk (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3657
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601017/1/A1.

Datum uitspraak: 30 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Andijk, gemeente Medemblik,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 december 2015 in zaak nr. 15/3219 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel [locatie] te Andijk (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 11 juni 2015 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

[appellant] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2016, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. K. van Driel, en het college, vertegenwoordigd door F.P.M. Brieffies, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. S. Grasboer, advocaat te Alkmaar, gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 19 december 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen van 7 november 2014, zoals aangevuld bij brieven van 17 en 20 november 2014, om handhavend optreden (hierna tezamen: het verzoek om handhavend optreden) tegen het langdurig verblijf van paarden op het perceel alsmede het langdurig gebruik van de schuilstal op het perceel afgewezen. Het heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het langdurig verblijf van paarden op het perceel en in de schuilstal niet in strijd is met artikel 32 van de planregels van het op 11 december 2014 gewijzigd vastgestelde, maar nog niet in werking getreden bestemmingsplan "Dorpskernen III" (hierna: het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan), nu in dat bestemmingsplan het houden van paarden op het perceel is toegestaan en daaraan in de planregels geen maximum aantal uur is verbonden.

Bij het besluit op bezwaar van 11 juni 2015 is het besluit van 19 december 2014 in stand gelaten, met dien verstande dat ten tijde van het nemen van het besluit van 11 juni 2015 het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan in werking was getreden. Bovendien is voor zowel het gebruik van de paardenbak op het perceel alsmede voor de paardenschuilstal een omgevingsvergunning verleend, aldus het college.

2. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het handhavingsverzoek van [appellant] en anderen geen betrekking heeft op de minimale breedte van een groenzone, die volgens een voorwaarde verbonden aan het projectbesluit van 14 november 2013 rondom de paardenbak op het perceel zou moeten worden gerealiseerd en welke voorwaarde thans is opgenomen in het gewijzigd vastgestelde bestemmingplan. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of aan de voorwaarde over de groenzone wordt voldaan en of het college in dat kader handhavend kon optreden buiten de omvang van het geding valt. Het verzoek om handhavend optreden heeft volgens de rechtbank slechts betrekking op de door [appellant] en anderen gestelde omstandigheden dat de schuilstal op het perceel niet als nachtverblijf mag worden gebruikt en op het perceel maximaal anderhalf uur per dag paarden mogen worden gehouden.

De rechtbank heeft aan haar uitspraak voorts ten grondslag gelegd dat [appellant] en anderen ter zitting hebben erkend dat door het onherroepelijk worden van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan de zaak is achterhaald en dat het belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep slechts is gelegen in het verkrijgen van een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft verder overwogen dat gelet op dat bestemmingsplan ten tijde van het besluit op bezwaar van 11 juni 2015 geen sprake was van een overtreding en dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verzoek om handhavend optreden geen betrekking heeft op de breedte van de groenzone en dat de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde over de groenzone, zoals opgenomen in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan, en of het college in dat kader had kunnen afzien van handhavend optreden, buiten de omvang van het geding valt. Het verzoek om handhavend optreden is volgens [appellant] en anderen gedaan, omdat zij in het geheel geen paarden op het perceel willen. Zij wijzen erop dat ten tijde van het verzoek om handhavend optreden het bestemmingsplan "Dorpskernen III", zoals dat door de raad van de gemeente Medemblik op 4 juli 2013 is vastgesteld, gold. Het houden van paarden was volgens dat bestemmingsplan niet toegestaan en er was evenmin een beperkende voorwaarde over een groenzone opgenomen, aldus [appellant] en anderen. Eerst na de inwerkingtreding van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan op 10 februari 2015, waarin het houden van paarden is toegestaan onder voorwaarden, waaronder een minimaal te realiseren en in stand te houden groenzone van 3,5 m, konden [appellant] en anderen aanvoeren dat er nog steeds een overtreding is. Het houden van paarden bij een groenzone van 2,5 m is met het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan strijdig gebruik. De rechtbank had gezien het vorenstaande op grond van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht de beroepsgronden ambtshalve moeten aanvullen, aldus [appellant] en anderen.

3.1. Weliswaar had het verzoek om handhavend optreden van [appellant] en anderen niet expliciet betrekking op de minimale breedte van de groenzone, maar in dat verzoek is wel in algemene zin gesteld dat het houden van paarden op het perceel in strijd is met het op dat moment geldende bestemmingsplan. Ten tijde van de hoorzitting van de bezwarencommissie van de gemeente Medemblik op 9 april 2015 alsmede ten tijde van het besluit op bezwaar van 11 juni 2015 was het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan, waarin het houden van paarden alleen onder voorwaarden is toegestaan, waaronder de voorwaarde dat een groenzone van minimaal 3,5 m breed dient te worden gerealiseerd en in stand gehouden, in werking getreden. Bij de hoorzitting van de bezwarencommissie is het al dan niet voldoen aan de voorwaarde inzake de groenstrook ook aan de orde geweest, op grond waarvan de bezwarencommissie een rapportage van het college op dit punt heeft verlangd. Blijkens het advies van de bezwarencommissie dat bij het besluit op bezwaar van 11 juni 2015 is overgenomen door het college, is een zogeheten constateringenrapport over de breedte van de groenzone aangeleverd en ook bij het door het college overgenomen advies betrokken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, dient hetgeen [appellant] en anderen in bezwaar naar voren hebben gebracht en op grond waarvan de bezwarencommissie een nadere motivering van het college heeft verlangd, als aanvullende motivering op het verzoek om handhavend optreden van [appellant] en anderen te worden beschouwd. Dit betekent dat bij het antwoord op de vraag of het perceel in strijd met de bestemming wordt gebruikt, dient te worden bezien of wordt voldaan aan de voorwaarde dat een groenstrook van minimaal 3,5 m is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en anderen terecht voorgedragen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vraag of aan de voorwaarde over de groenzone wordt voldaan en of het college in dat kader van handhavend optreden had kunnen afzien, buiten de omvang van het geding valt. Dit leidt gelet op hetgeen hierna wordt overwogen evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3.2. Ingevolge artikel 32.5, aanhef en onder h, van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan wordt in ieder geval tot een gebruik, strijdig met de bestemming, gerekend het houden van paarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - houden van paarden’, zodanig dat […] er niet (ter landschappelijke inpassing) wordt voorzien in de realisatie en instandhouding van een groenzone van minimaal 3,50 m breed rondom de paardenbak, op de wijze zoals aangegeven in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de vergunning voor de paardenbak op het aangeduide perceel, nummer IO-13-13066.

3.3. Het controlerapport van 23 april 2015 betreft een controlerapport over de groenzone op het perceel. Hierin staat dat in de noordoosthoek van het perceel de groenstrook over een lengte van 3 m op dat moment niet voldoet aan de minimale te realiseren breedte van 3,5 m, dat de afwijking minimaal is en er snelgroeiende beplanting is geplaatst. Het college concludeert in het besluit op bezwaar van 11 juni 2015 dat geen sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Anders dan [appellant] en anderen stellen, is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. Daartoe overweegt de Afdeling dat [vergunninghouder] uitvoering heeft gegeven aan de voorwaarde door een groenzone te realiseren door middel van het aanbrengen van beplanting. Niet in geschil is dat, waar voorgeschreven, een groenzone is gerealiseerd met een minimale breedte van 3,5 m behoudens bij een stuk van 3 m in de noordoosthoek. Op dat stuk is een breedte van 2,5 m geconstateerd. Ter zitting is door [vergunninghouder] gesteld dat de beplanting in de noordoosthoek niet meteen aansloeg. Er zijn daar vervolgens jonge snelgroeiende en groenblijvende planten aangeplant om er voor te zorgen dat de groenstrook ook op die plek binnen afzienbare tijd de gewenste breedte heeft. Voorts is gebleken dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de groenzone in de noordoosthoek reeds 3,1 m breed was. Niet aannemelijk is gemaakt dat [vergunninghouder] ter plaatse een groenzone van slechts 2,5 m breed in stand wil laten, hetgeen in strijd zou zijn met het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan. Er zijn in het bestemmingsplan geen eisen gesteld aan de hoogte van de groenzone. Nu de groenzone wel is gerealiseerd en niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een situatie die niet is gericht op het in stand houden van die groenzone over een breedte van 3,5 m zodra de groenstrook in de noordoosthoek is hersteld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan artikel 32.5 van het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat de schuilstal op het perceel niet als nachtverblijf mag worden gebruikt en op het perceel maximaal anderhalf uur per dag paarden mogen worden gehouden, faalt dat betoog. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 11 juni 2015 in zoverre van strijdig gebruik geen sprake was. Volgens het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan zijn er geen voorwaarden verbonden aan het houden van paarden op het perceel voor maximaal anderhalf uur per dag. Evenmin is aan de bouwvergunning die voor de paardenschuilstal is verleend de voorwaarde verbonden dat daarin slechts anderhalf uur per dag paarden mogen staan. Daarbij wordt opgemerkt dat [vergunninghouder] ter zitting heeft toegelicht dat de paarden ook ’s nachts vrij de schuilstal kunnen in- en uitlopen, zodat de stal in zoverre een schuilstal blijft.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016

374.