Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
201601990/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college een eerder aan [appellant] verleende onttrekkingsvergunning om zelfstandige woonruimte in zijn appartement aan de [locatie] te Groningen (hierna: het appartement) ten behoeve van kamerverhuur in onzelfstandige woonruimten om te zetten (hierna: de vergunning), ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601990/1/A3.

Datum uitspraak: 30 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 februari 2016 in zaak nr. 15/3567 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college een eerder aan [appellant] verleende onttrekkingsvergunning om zelfstandige woonruimte in zijn appartement aan de [locatie] te Groningen (hierna: het appartement) ten behoeve van kamerverhuur in onzelfstandige woonruimten om te zetten (hierna: de vergunning), ingetrokken.

Bij besluit van 4 augustus 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 augustus 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 13 oktober 2016 ter zitting aan de orde gesteld.

Overwegingen

Het wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de op 1 januari 2015 ingetrokken Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder c, van de op 1 januari 2015 in werking getreden Huisvestingswet 2014 is het verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in artikel 21 intrekken indien de houder van die vergunning niet binnen een jaar nadat die vergunning onherroepelijk is geworden, tot omzetting is overgegaan.

Ingevolge het vijfde lid wordt een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerst lid, van de Huisvestingswet, die is verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een huisvestingsverordening, gelijkgesteld met een vergunning die is verleend met toepassing van artikel 21.

De aanleiding

2. Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft het college de vergunning aan [appellant] verleend. Dit besluit is op 23 september 2011 onherroepelijk geworden. De vergunning is een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet. Bij brief van 30 januari 2014 heeft het college [appellant] verzocht binnen twee weken een vragenlijst ingevuld te retourneren, omdat uit gegevens waarmee het college bekend is, blijkt dat [appellant] nog geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt. Indien die gegevens juist blijken te zijn, dan bestaat het voornemen de vergunning in te trekken, aldus het college in die brief. De op 13 februari 2014 door [appellant] geretourneerde vragenlijst vermeldt dat het appartement niet als kamerverhuurpand in gebruik is, maar dat het in de toekomst wél daarvoor zal worden gebruikt. In de toelichting hierbij geeft [appellant] te kennen dat hij nog geen kamers in het appartement heeft verhuurd, omdat hij ten tijde van de verlening van de vergunning nog met de renovatie van het appartement bezig was en de Vereniging van Eigenaren (hierna: de VvE) daarna het huishoudelijk reglement dusdanig heeft gewijzigd dat kamergewijze verhuur van appartementen niet langer is toegestaan. Omdat hij inmiddels een zaak bij de rechtbank tegen de VvE heeft aangespannen en hij deze zaak verwacht te winnen, heeft [appellant] verzocht om voorlopig niet tot intrekking van de vergunning over te gaan. Bij brief van 17 februari 2014 heeft het college dit verzoek ingewilligd in de zin dat [appellant] tot 1 september 2014 in de gelegenheid wordt gesteld om met de verhuur van kamers in het appartement aan te vangen. Nadat [appellant] op 1 en 2 september en 24 oktober 2014 per brief, telefoon en e-mail met de gemeente contact over de vergunning heeft gehad, heeft [appellant] het college bij e-mailbericht van 3 december 2014 verzocht de intrekking van de vergunning nogmaals voor de duur van zes maanden uit te stellen, omdat hij langdurig ziek is, hij in een reorganisatietraject zit dat van invloed kan zijn op zijn baan en de problemen met de VvE binnen afzienbare tijd lijken te kunnen worden opgelost. Bij e-mailbericht van 18 december 2014 heeft een juridisch adviseur van de gemeente [appellant] te kennen gegeven dat het voornemen tot intrekking in januari 2015 ten uitvoer zal worden gebracht, omdat geen vertrouwen bestaat dat [appellant] binnen zes maanden de vergunning zal effectueren in de zin dat hij, door kamerverhuur, de zelfstandige woonruimte in het appartement naar onzelfstandige woonruimten zal hebben omgezet.

Het besluit van 4 augustus 2015

3. Bij besluit van 4 augustus 2015 heeft het college het besluit van 20 januari 2015 gehandhaafd. Voor de motivering heeft het college verwezen naar het bij dit besluit overgenomen advies van de algemene bezwaarschriftencommissie van 17 juli 2015. Het college acht het betreurenswaardig dat [appellant] door omstandigheden niet in staat is geweest de vergunning te effectueren. Echter, nu nog steeds geen concreet zicht op effectuering van de vergunning bestaat, kan niet worden verwacht dat de vergunning in stand wordt gelaten. Daartoe heeft het college gewezen op de ontvangst van twee aanvragen tot verlening van onttrekkingsvergunningen om zelfstandige woonruimte aan de Gorechtkade in Groningen ten behoeve van kamerverhuur in onzelfstandige woonruimten te mogen omzetten, alsmede op de behoefte die in Groningen bestaat aan nieuwe kamerverhuurpanden. Indien de vergunning niet wordt ingetrokken, dan kan geen van deze aanvragen worden ingewilligd, aldus het college. Dit omdat het volgens het toepasselijke beleid per straat geldende maximum percentage van woningen ten behoeve waarvan een dergelijke onttrekkingsvergunning mag worden verleend in dat geval zou worden overschreden. Gelet hierop heeft het college tevens gewezen op het belang van een geactualiseerd vergunningenbestand.

Het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid tot intrekking van de vergunning heeft mogen overgaan. [appellant] betoogt daartoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de intrekking van de vergunning geen belang is gediend, terwijl hij door deze intrekking ernstig in zijn belangen wordt geraakt. In dit kader wijst [appellant] op zijn hypotheeklasten en op het belang van inkomsten uit kamerverhuur. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij de gemaakte belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met verschillende omstandigheden die ertoe hebben bijgedragen dat hij de vergunning niet heeft kunnen effectueren. In dit kader voert [appellant] aan dat de gemeente Groningen in 2006 ten onrechte beslag heeft gelegd op bestanddelen van zijn vermogen, waardoor hij in de financiële problemen is gekomen en langdurig ziek is geworden. Dit heeft hem lange tijd belet de renovatie van het appartement ten behoeve van kamerverhuur te voltooien. Nadat het appartement in 2013 voor kamerverhuur gereed was, heeft hij de vergunning niet kunnen effectueren door voormelde ziekte, zijn verplichtingen als mantelzorger, een reorganisatietraject op zijn werk en een wijziging van het huishoudelijk reglement van de VvE. Inmiddels heeft hij de rechtszaak tegen de VvE gewonnen, zodat het huishoudelijk reglement thans niet langer in de weg staat aan kamergewijze verhuur van het appartement, aldus [appellant].

4.1. Het college heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het algemeen belang is gediend bij intrekking van de vergunning. Gelet hierop kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog dat geen belang is gediend bij de intrekking van de vergunning. Evenmin kan [appellant] worden gevolgd in zijn betoog dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de situatie waarin hij, naar gesteld, sinds de verlening van de vergunning is komen te verkeren. Het college heeft [appellant] immers bij brief van 17 februari 2014 wegens de toentertijd door [appellant] aangevoerde omstandigheden tot 1 september 2014 in de gelegenheid gesteld met de verhuur van kamers in het appartement aan te vangen en heeft de vergunning daarna pas op 20 januari 2015 ingetrokken. Nu [appellant] voorts het standpunt van het college dat ten tijde van het besluit van 4 augustus 2015 nog steeds geen concreet zicht op effectuering van de vergunning bestond, in beroep noch in hoger beroep afdoende gemotiveerd heeft weersproken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid tot intrekking van de vergunning heeft mogen overgaan. De stelling van [appellant] dat hij de rechtszaak tegen de VvE inmiddels heeft gewonnen, doet daaraan niet af, reeds omdat [appellant] daarmee heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het nemen van het besluit van 4 augustus 2015 concreet zicht op effectuering van de vergunning bestond.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd voor zover aangevallen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016

610.