Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
201601910/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het college een ontgrondingsvergunning verleend aan Rijkswaterstaat Oost Nederland (hierna: Rijkswaterstaat) voor het ontgronden van percelen in de uiterwaarden van de Waal bij Heesselt.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3472
JBO 2016/338 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601910/2/R4.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] (hierna: de maatschap), gevestigd te Heesselt, gemeente Neerijnen, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te Heesselt, gemeente Neerijnen,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het college een ontgrondingsvergunning verleend aan Rijkswaterstaat Oost Nederland (hierna: Rijkswaterstaat) voor het ontgronden van percelen in de uiterwaarden van de Waal bij Heesselt.

Tegen dit besluit heeft de maatschap beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De maatschap en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2016 waar de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [maat A], bijgestaan door mr. R. Ruitenberg-Segall, en het college, vertegenwoordigd door P.F.H.A. Tillie en G. Pieters, beiden werkzaam bij de provincie. Voorts is ter zitting gehoord Rijkswaterstaat, vertegenwoordigd door ing. A.A.H. Arissen en ing. N. van den Berg, beiden werkzaam bij Rijkswaterstaat.

Bij tussenuitspraak van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2287, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 3 februari 2016 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 16 september 2016 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak een gewijzigde ontgrondingsvergunning verleend aan Rijkswaterstaat voor het ontgronden van percelen in de uiterwaarden van de Waal bij Heesselt.

De maatschap is in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De ontgrondingsvergunning is verleend ten behoeve van de herinrichting van de uiterwaarden bij Heesselt in het kader van het project Heesseltsche Uiterwaarden. Het totale projectgebied bedraagt 340 hectare en de ontgrondingsvergunning heeft betrekking op ongeveer 150 hectare van dit projectgebied. Het project Heesseltsche Uiterwaarden van Rijkswaterstaat voorziet in een aantal maatregelen, waaronder de aanleg van nevengeulen en het verlagen van het maaiveld. Het doel van dit project is het verhogen van de veiligheid bij hoogwater en het realiseren van ruim tweehonderd hectare nieuwe natuur.

De maatschap is eigenaar van ongeveer 5,5 hectare landbouwgrond binnen het projectgebied Heesseltsche Uiterwaarden en pachter van ongeveer 20 hectare grond binnen het projectgebied. De verleende ontgrondingsvergunning heeft betrekking op een deel van deze gronden, waaronder de gronden die de maatschap in eigendom heeft.

2. In deze uitspraak zal de Afdeling eerst conclusies verbinden aan het in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Daarna zal de Afdeling aan de hand van de zienswijze beoordelen of het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Aan het einde van deze uitspraak staat een conclusie.

Het beroep tegen het besluit van 3 februari 2016

3. De maatschap heeft in haar beroep tegen het besluit van 3 februari 2016 onder meer aangevoerd dat in voorschrift 1 van de ontgrondingsvergunning wordt verwezen naar onjuiste kaarten.

3.1. In het verweerschrift heeft het college gesteld dat Rijkswaterstaat abusievelijk niet de juiste kaarten bij de aanvraag heeft gevoegd, zodat de verwijzing in voorschrift 1 van de ontgrondingsvergunning gebrekkig is. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geconstateerd dat het besluit van 3 februari 2016 hierdoor, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

3.2. Het beroep tegen het besluit van 3 februari 2016 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd.

De tussenuitspraak en het herstelbesluit

4. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om met inachtneming van overweging 7.2 van de tussenuitspraak artikel 1 van de voorschriften te wijzigen.

4.1. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 16 september 2016 een ontgrondingsvergunning verleend aan Rijkswaterstaat voor het ontgronden van percelen in de uiterwaarden van de Waal bij Heesselt. In deze ontgrondingsvergunning is artikel 1 gewijzigd ten opzichte van het besluit van 3 februari 2016.

4.2. Het besluit van 16 september 2016 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

Bespreking van de beroepsgrond

5. De maatschap betoogt dat de tekeningen waarnaar in artikel 1 van de voorschriften wordt verwezen afwijken van de inrichtingstekeningen die de maatschap heeft ontvangen in de onteigeningsprocedure en de tekeningen die behoren bij de op 15 september 2016 verleende omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk. Zij voert hiertoe aan dat op sommige tekeningen slikkige oevers zijn ingetekend en op andere tekeningen niet. Verder wijst zij erop dat de ingang en de vorm van de nevengeul niet identiek is en de vorm van de aan te leggen stranden verschilt op de tekeningen. Volgens de maatschap leiden de onduidelijkheden en discrepanties tussen de tekeningen ertoe dat niet duidelijk is welke graafwerkzaamheden zullen worden verricht.

5.1. Ingevolge artikel 1 van ontgrondingsvergunning van 16 september 2016 moet de ontgronding worden uitgevoerd en ingericht overeenkomstig de aan het besluit toegevoegde en daarvan deel uitmakende plantekeningen nr. 258135_HEE_DTM_6 versie 4 (vergravingen, gedateerd 14 april 2016), 258135_HEE_DTM_7 versie D3 (ligging dwarsprofielen, gedateerd 14 april 2016) en twee profielenbladen 258135_HEE_DP_1 versie D2 en 258135_HEE_DP_2 versie D2 (gedateerd 15 juli 2016). Dit betekent dat geen ontgronding mag plaatsvinden buiten de insteek en beneden het vlak van de taluds en bodemlijnen.

5.2. Voor het project Heesseltsche Uiterwaarden zijn verschillende tekeningen gemaakt. Voorafgaand aan het plan is een inrichtingsplan gemaakt, waaruit, enigszins globaal, de voorziene eindtoestand blijkt. Daarnaast behoren bij de omgevingsvergunning van 15 september 2016 tekeningen. Op deze tekeningen staat waar de verschillende werken zullen worden uitgevoerd waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Tot slot zijn bij de ontgrondingsvergunning van 16 september 2016 tekeningen gevoegd waarop staat op welke locaties, tot welke diepte en onder welke taludhelling zal worden ontgrond.

De Afdeling stelt voorop dat deze procedure alleen de ontgrondingsvergunning als onderwerp heeft. Eventuele discrepanties tussen het inrichtingsplan en de tekeningen behorende bij de omgevingsvergunning kunnen daarom in deze procedure niet aan de orde komen. De door de maatschap genoemde verschillen tussen de tekeningen bij de ontgrondingsvergunning van 16 september 2016 enerzijds en de andere tekeningen anderzijds zijn het gevolg van de verschillende onderwerpen die door de besluiten en tekeningen worden geregeld. Zo zijn op de tekeningen bij de ontgrondingsvergunning de locaties die niet zullen worden ontgrond niet opgenomen, waardoor de precieze vorm van bijvoorbeeld de nevengeul afwijkt van het inrichtingsplan. Slechts de tekeningen waarnaar in artikel 1 van de ontgrondingsvergunning van 16 september 2016 wordt verwezen, zijn bepalend voor waar ontgrond mag worden.

Voor het overige heeft de maatschap geen beroepsgronden aangevoerd. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet is hersteld.

Het betoog faalt.

6. Het beroep tegen het besluit van 16 september 2016 is ongegrond.

Conclusie en proceskosten

7. De slotsom is dat het besluit van 16 september 2016 in stand blijft, zodat Rijkswaterstaat mag beginnen met de uitvoering van de ontgronding.

8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 3 februari 2016, waarbij een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet is verleend aan Rijkswaterstaat Oost Nederland voor het ontgronden van percelen in de uiterwaarden van de Waal bij Heesselt gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 3 februari 2016, waarbij een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet is verleend aan Rijkswaterstaat Oost Nederland voor het ontgronden van percelen in de uiterwaarden van de Waal bij Heesselt;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 16 september 2016, waarbij een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet is verleend aan Rijkswaterstaat Oost Nederland voor het ontgronden van percelen in de uiterwaarden van de Waal bij Heesselt ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1240,00 (zegge: duizend tweehonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van de maten bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van de maten bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Nijholt, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Nijholt

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

767.