Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3132

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
201600199/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om een subsidie voor omscholing, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600199/1/A2.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Medemblik,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2015 in zaak nr. 14/4844 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om een subsidie voor omscholing, afgewezen.

Bij besluit van 10 oktober 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer van de Afdeling heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2016, waar het college, vertegenwoordigd door H. Mentink, werkzaam voor de gemeenschappelijke regeling Werksaam Westfriesland, is verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1. Bij brief van 20 december 2013, voor zover thans van belang, heeft [appellant] het college verzocht hem een subsidie te verlenen. De brief vermeldt:

"De aanvraag is gericht op de periode 2002 (2007) t/m 2020 en betreffen de totale beschikbare gestelde gelden (EU en Ned.) voor betreffende groepen waartoe belanghebbende ook is ingedeeld - bijstandsgerechtigden met ‘verouderde kennis’ of zonder de benodigde kennis komen in aanmerking voor op- en / of omscholing."

2. Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft toegelicht dat het geen Europese of nationale subsidies heeft gereserveerd en dat het, indien dat anders zou zijn, niet mogelijk was geweest deze ter beschikking te stellen aan een individuele werkzoekende. Waar in de afgelopen jaren gebruik is gemaakt van dergelijke subsidies, zijn deze ingezet om groepen werkzoekenden te ondersteunen via toeleidingstrajecten. Deze ondersteuning bestaat volgens het college nimmer uit een financiële bijdrage aan een individuele werkzoekende, zodat het verzoek van [appellant] daartoe niet kan worden gehonoreerd.

3. Aan het besluit op bezwaar van 10 oktober 2014 heeft het college ten grondslag gelegd dat het Europees Sociaal Fonds (hierna: ESF) het belangrijkste Europese middel is om werkgelegenheid te ondersteunen en dat uitsluitend de centrumgemeenten binnen de 35 arbeidsmarktregio’s (hierna: de centrumgemeenten), het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) en het ministerie van Veiligheid en Justitie subsidie uit dit fonds kunnen ontvangen. Particulieren, zoals [appellant], kunnen geen rechtstreeks beroep op het ESF doen.

4. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen aanspraak kan maken op subsidiegelden uit het ESF. Volgens de rechtbank heeft het college de afwijzing van de aanvraag duidelijk en correct gemotiveerd.

Bevoegdheid van de Afdeling

5. [appellant] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) ingesteld, die het hogerberoepschrift aan de Afdeling heeft doorgezonden. [appellant] heeft in de aan de Afdeling toegezonden nadere stukken de vraag opgeworpen of het doorzenden van zijn hogerberoepschrift terecht was.

5.1. Uit artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat hoger beroep bij de Afdeling moet worden ingesteld, tenzij uit hoofdstuk 4 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of een ander wettelijk voorschrift blijkt dat een andere hoger beroepsrechter, zoals de CRvB, bevoegd is. In hoofdstuk 4, artikel 9, van die regeling is bepaald dat hoger beroep bij de CRvB kan worden ingesteld tegen besluiten die zijn genomen op grond van de daar opgesomde wettelijke voorschriften. Aan het bij de rechtbank bestreden besluit van 10 oktober 2014 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] geen aanspraak heeft op een subsidie uit het ESF, omdat particulieren geen rechtstreeks beroep op dat fonds kunnen doen. Het betreft hier geen besluit dat is genomen op grond van een in artikel 9 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak genoemd wettelijk voorschrift, zodat niet de CRvB, maar de Afdeling bevoegd is over het hoger beroep van [appellant] te oordelen.

Beoordeling van het hoger beroep

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn verzoek om subsidie zowel op nationale als op Europese subsidies betrekking heeft. De rechtbank gaat ten onrechte niet in op de nationale subsidies waarop hij recht heeft. Voor zover zijn verzoek ziet op Europese subsidies, betreft dat subsidies die zijn omgezet naar nationale subsidies, waar het college bij de centrumgemeenten, het UWV, etc. om kan verzoeken.

6.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] als burger niet direct aanspraak kan maken op subsidie uit het ESF.

Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich in het besluit op bezwaar had moeten uitlaten over nationale subsidiemogelijkheden, wordt overwogen dat hij deze grond voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom [appellant] dit betoog niet reeds bij de rechtbank heeft kunnen aanvoeren, hetgeen hij uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

686.