Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
201602657/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] e.a. om handhavend op te treden tegen het kamergewijs bewonen van het pand [locatie] te Groningen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602657/1/A3.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Groningen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 maart 2016 in zaak nr. 15/3292 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] e.a. om handhavend op te treden tegen het kamergewijs bewonen van het pand [locatie] te Groningen afgewezen.

Bij besluit van 10 juli 2015 heeft het college het door [appellant] e.a. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] e.a. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] e.a. hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2016, waar [appellant] e.a., vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Groot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is, als derdebelanghebbende, Beleggingen Onroerend Goud Groningen B.V., vertegenwoordigd door ir. P.N. van der Kamp, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. De kamergewijze bewoning waartegen [appellant] e.a. handhavend optreden door het college hebben gevraagd, vindt plaats op de begane grond van een pand dat uit twee lagen bestaat. De begane grond heeft een oppervlakte van ongeveer 150 m2 en is in 2013 verbouwd tot 8 studentenkamers met een gemeenschappelijke ruimte. Voor deze verbouwing is een omgevingsvergunning verleend. Handhavend optreden is volgens [appellant] e.a. nodig omdat voor de kamergewijze bewoning niet wordt beschikt over de daarvoor op grond van wet- en regelgeving op het gebied van huisvesting benodigde onttrekkingsvergunning.

2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de op 1 januari 2015 in werking getreden Huisvestingswet 2014, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder woonruimte verstaan: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder c, is het verboden een woonruimte zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, van de op 1 juli 2015 in werking getreden Huisvestingsverordening 2015, geldt de vergunningplicht voor woningen die worden onttrokken aan de zelfstandige woningvoorraad ten behoeve van bewoning als onzelfstandige woonruimte.

Woonruimte

3. De rechtbank heeft overwogen dat zij zich voor de vraag gesteld heeft gezien of de begane grond in dit geval kan worden gezien als een ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden en derhalve een woonruimte is. Zij heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de begane grond feitelijk niet werd gebruikt voor bewoning en deze, zoals door de eigenaar ter zitting is toegelicht, daarvoor ook niet geschikt was en [appellant] e.a. niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit anders was.

4. [appellant] e.a. betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de begane grond geen woonruimte is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, van de Huisvestingswet 2014. Naar hun mening is dat wel het geval en is derhalve een onttrekkingsvergunning nodig voor de bewoning door studenten. Nu deze vergunning ontbreekt, had het college handhavend moeten optreden tegen de kamergewijze bewoning van de begane grond. Om te kunnen spreken van woonruimte is volgens [appellant] e.a. niet het feitelijke gebruik van de begane grond doorslaggevend, maar of het gebouw op enig moment bestemd is geweest voor permanente bewoning, hetgeen moet worden beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven. Het gebouw is in zijn geheel bestemd voor wonen waarbij de begane grond tevens mocht worden gebruikt als garage. Het gebouw is noch feitelijk, noch functioneel, noch juridisch gesplitst in twee delen. De begane grond vormde één geheel met de rest van de woning zodat door de verbouw daarvan een gedeelte van de woning is onttrokken, aldus [appellant] e.a..

5. Uit de stukken en de daarop ter zitting gegeven toelichtingen is gebleken dat de begane grond deel uitmaakt van een voor bewoning bestemd pand met daarbij de aanduiding "garage". De verdieping werd lange tijd bewoond door dezelfde personen die op de begane grond tot 1990 een bedrijf in remvoeringen hadden en de ruimte ook voor opslag van o.a. auto's gebruikten. Dit gebruik van de begane grond was aldus het college op grond van het bestemmingsplan toegestaan. De afgelopen 20 jaar is de begane grond niet meer als bedrijfsruimte gebruikt en evenmin is er gewoond. Bij de verbouwing in 2013 voor bewoning door studenten is het pand feitelijk horizontaal gesplitst. De oorspronkelijke woonverdieping is als zodanig in stand gebleven en heeft een aparte opgang. De begane grond heeft derhalve vooral gediend als aan auto's gerelateerde bedrijfsruimte en opslag en niet zozeer als garage en opslag als onderdeel van de woning van de bewoners van de verdieping. Onder deze omstandigheden vormt de begane grond geen besloten ruimte bestemd of geschikt voor bewoning door een huishouden. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat deze niet dient te worden aangemerkt als woonruimte als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, van de Huisvestingswet 2014.

Het betoog faalt.

Relativiteitsvereiste

6. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

6.1. [appellant] e.a. beroepen zich op onjuiste toepassing van artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening 2015. De in deze bepaling vervatte vergunningplicht maakt onderdeel uit van het instrumentarium van de gemeente om in te grijpen in de woonruimteverdeling en de samenstelling van de woonruimtevoorraad voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. De belangen van [appellant] e.a. houden verband met het effect dat de kamergewijze bewoning heeft op hun woonomgeving. Of deze belangen bescherming vinden in de ingeroepen bepaling uit de Huisvestingsverordening 2015 laat de Afdeling in het midden omdat het door [appellant] e.a. in hoger beroep aangevoerde, zoals blijkt uit het onder 5. overwogene, er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit wordt vernietigd.

Conclusie

7. Omdat het betoog van [appellant] e.a. faalt, is voor de kamergewijze bewoning van de begane grond geen onttrekkingsvergunning nodig als bedoeld in artikel 20, derde lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening 2015. Aan beantwoording van de vraag of voldaan is aan het relativiteitsvereiste wordt niet toegekomen omdat het in hoger beroep aangevoerde niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Omdat geen onttrekkingsvergunning nodig is, is het college niet bevoegd om wegens het ontbreken van deze vergunning handhavend op te treden. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Michiels w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

43.