Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
201509154/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het bouwen in afwijking van een aan hem verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een winkelpand op het perceel [locatie] te Oldenzaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509154/1/A1.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 november 2015 in zaak nr. 15/1513 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het bouwen in afwijking van een aan hem verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een winkelpand op het perceel [locatie] te Oldenzaal.

Bij besluit van 14 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard onder verbetering van de motivering van het besluit van 18 maart 2015.

Bij besluit van 3 september 2015 heeft het college besloten tot invordering van beweerdelijk verbeurde dwangsommen.

Bij uitspraak van 23 november 2015 heeft de rechtbank:

- het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard;

- het besluit van 14 juli 2015 vernietigd, voor zover daarbij de hoogte van de dwangsom is gehandhaafd op € 50.000,00 ineens;

- het besluit van 18 maart 2015 herroepen, voor zover daarbij de hoogte van de dwangsom is bepaald op € 50.000,00 ineens;

- bepaald dat de hoogte van de dwangsom € 25.000,00 ineens bedraagt;

- bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 18 maart 2015;

- het besluit van 3 september 2015 vernietigd, voor zover daarbij € 50.000,00 is ingevorderd;

- bepaald dat het in te vorderen bedrag € 25.000,00 bedraagt

- bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 september 2015.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door E.S.M. Slot en N. Roelofs, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij besluit van 27 augustus 2013 is aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een winkelpand.

Het college heeft zich bij het in bezwaar gehandhaafde besluit op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning ziet op de bouw van twee dakkapellen met een donker gepatineerd zinken roefdak en dat [appellant] in afwijking daarvan twee dakopbouwen met dakpanafdekking, goten en ramen, heeft gerealiseerd, waarbij de rechterdakopbouw is vastgezet aan het naastgelegen gebouw en de goothoogte is opgetrokken. Volgens het college heeft [appellant] hiermee gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Het college heeft [appellant] gelast binnen acht weken na verzending van het besluit van 18 maart 2015 alsnog te bouwen in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning dan wel het winkelpand terug te brengen in de oorspronkelijke staat op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 ineens. Bij brief van 14 april 2015 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na het besluit op bezwaar.

Bij besluit van 3 september 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft voldaan aan de last en heeft het een dwangsom van € 50.000,00 ingevorderd.

De rechtbank heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhaving, maar dat de hoogte van de dwangsom ten onrechte op € 50.000,00 is bepaald, gelet op de door het college daarbij gehanteerde uitgangspunten. Zelf in de zaak voorziend heeft de rechtbank de hoogte van de dwangsom bepaald op € 25.000,00 ineens.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat wat betreft het invorderingsbesluit ten onrechte een dwangsom van € 50.000,00 is ingevorderd en heeft zelf voorziend het in te vorderen bedrag vastgesteld op € 25.000,00.

Algemene grond

2. [appellant] betoogt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven omdat de rechtbank niet over alle relevante, op de zaak betrekking hebbende stukken beschikte.

2.1. [appellant] heeft zijn stelling dat de rechtbank niet beschikte over een volledig dossier niet geconcretiseerd door te noemen welke stukken ontbreken. Niet valt in te zien dat hij dat niet had kunnen doen, zodat de Afdeling in het aangevoerde geen grond ziet voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

Besluit van 14 juli 2015

3. De Afdeling begrijpt het hoger beroep van [appellant] aldus dat hij onder meer betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is overtreden, heeft miskend dat hij niet heeft gebouwd in afwijking van de eertijds en thans vergunde situatie. Daarbij maakt hij melding van een op 6 januari 2009 verleende bouwvergunning. Hij wijst erop dat een deel van de beweerdelijke afwijkingen reeds was gerealiseerd voordat op 27 augustus 2013 omgevingsvergunning is verleend, zodat niet in afwijking van die vergunning kan zijn gebouwd. [appellant] heeft de Afdeling verzocht een deskundige te benoemen om te onderzoeken in hoeverre illegaal is gebouwd.

3.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

3.2. Voor zover [appellant] heeft beoogd te betogen dat het gerealiseerde bouwwerk in overeenstemming is met een op 6 januari 2009 verleende bouwvergunning, wordt overwogen dat deze bouwvergunning op 22 december 2009 door het college is ingetrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7255, heeft een intrekking van een bouwvergunning terugwerkende kracht. Dat betekent dat hetgeen reeds op basis van die vergunning zou zijn gebouwd, geacht moeten worden te zijn gebouwd zonder bouwvergunning.

De gestelde omstandigheid dat een deel van de door het college genoemde afwijkingen reeds was gerealiseerd voordat omgevingsvergunning werd verleend, wat daar verder ook van zij, betekent niet dat in zoverre artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo niet kan zijn overtreden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ziet dit artikellid zowel op het verbod te bouwen in afwijking van een omgevingsvergunning als op het verbod te bouwen zonder omgevingsvergunning.

De op 27 augustus 2013 verleende omgevingsvergunning ziet onder meer op de bouw van twee dakkapellen zonder ramen. De dakkapellen hebben een donker gepatineerd zinken roefdak. Blijkens de bouwtekening lopen de dakkapellen schuin af naar de bestaande zijgevels van het pand. Ten opzichte van het bestaande gebouw, zoals weergegeven op de bouwtekening, zijn bij de omgevingsvergunning geen andere goothoogten vergund.

De Afdeling constateert dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] in afwijking van de omgevingsvergunning het pand heeft uitgebreid op zodanige wijze dat dakopbouwen in plaats van dakkapellen zijn gerealiseerd. Hetgeen gerealiseerd is, heeft een andere vorm dan is vergund. De rechterdakopbouw is daarbij vastgezet aan het naastgelegen gebouw. Aan de dakopbouwen zijn goten geplaatst. Voorts heeft [appellant] een pannendak gerealiseerd en ramen geplaatst. De verleende omgevingsvergunning voorziet daar evenmin in. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat in afwijking van de verleende omgevingsvergunning is gebouwd. Ter zitting heeft [appellant] in dit verband nog gesteld dat het naastgelegen gebouw een ander dak heeft dan op de bouwtekening staat vermeld en voorts dat de eigenaar daarvan te kennen heeft gegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen de vastzetting van het dak aan zijn pand. Deze omstandigheden doen er niet aan af dat in strijd met de omgevingsvergunning is gebouwd. Verder doet de ter zitting gestelde omstandigheid dat de dakgoten zijn gerealiseerd op gronden van derden er evenmin aan af dat het gerealiseerde bouwwerk op de hierboven genoemde punten niet in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning is.

Nu vast staat op welke onderdelen [appellant] heeft gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning, ziet de Afdeling geen aanleiding om, overeenkomstig het daartoe strekkende verzoek van [appellant], een deskundige te benoemen om te laten onderzoeken of en in hoeverre in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo en dat het college bevoegd was bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit op bezwaar niet is genomen in strijd met het verbod op reformatio in peius. Hij stelt dat hij in een nadeliger positie is komen te verkeren door het besluit op bezwaar, nu het college zich daarbij niet langer op het standpunt heeft gesteld dat de dakhelling van het gerealiseerde bouwwerk afwijkt van de omgevingsvergunning, maar de hoogte van de dwangsom niet heeft gewijzigd.

4.1. Bij het besluit op bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de dakhelling, anders dan waarvan bij het besluit van 18 maart 2015 is uitgegaan, niet een afwijking vormt van het bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, maakt deze omstandigheid niet dat [appellant] in een ongunstiger positie is komen te verkeren door het instellen van bezwaar.

Het betoog faalt.

4.2. [appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift voor het overige verwezen naar hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.

De Afdeling stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak op de door [appellant] in beroep aangevoerde gronden is ingegaan. Uit het enkel herhalen van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, volgt niet dat en waarom de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen. Het aldus aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.

Voor zover [appellant] ter zitting heeft betoogd dat hij met de verwijzing naar hetgeen in bezwaar en beroep naar voren is gebracht, heeft beoogd aan te voeren dat de rechtbank ten onrechte niet op alle in beroep aangevoerde gronden is ingegaan, overweegt de Afdeling dat nu [appellant] niet heeft vermeld op welke in beroep naar voren gebrachte gronden de rechtbank volgens hem niet is ingegaan, geen aanleiding bestaat de in het hogerberoepschrift aangevoerde grond op te vatten in de door [appellant] bedoelde zin. Hierbij merkt de Afdeling nog op dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak het college heeft veroordeeld in de proceskosten van [appellant], waaronder, anders dan hij ter zitting heeft gesteld, de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

Het betoog faalt.

Zelf voorzien door rechtbank

5. [appellant] acht het onjuist dat de rechtbank zelf in de zaak voorziend de hoogte van de opgelegde en verbeurde dwangsom heeft bepaald op € 25.000,00. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte in navolging van het college wat betreft de hoogte van de dwangsom aansluiting gezocht bij de Correctierichtlijn bouwkosten 2008. De rechtbank is naar zijn stelling uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens wat betreft de vloeroppervlakte.

5.1. Het college heeft ter bepaling van de hoogte van de dwangsom aansluiting gezocht bij de Correctierichtlijn bouwkosten 2008, zoals dor het college bij besluit van 18 december 2007 vastgesteld, en het daarin genoemde bedrag aan bouwkosten per m3 voor een gebouw met de functie kantoor/showroom/winkel. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de rechtbank in navolging van het college niet met toepassing van genoemde richtlijn de hoogte van de dwangsom heeft kunnen bepalen. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de vloeroppervlakte slechts de helft bedraagt van het aantal m2, waarvan het college is uitgegaan, zodat het aantal m3 eveneens de helft bedraagt, en heeft met toepassing van de door het college gehanteerde uitgangspunten de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 25.000,00. [appellant] heeft niet geduid in welk opzicht volgens hem de door de rechtbank gehanteerde gegevens wat betreft de vloeroppervlakte onjuist zijn, welke gegevens hij eenvoudig kan verschaffen, zodat de Afdeling geen grond ziet voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak op dit punt niet in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

163.