Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
201508315/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan van overkapte fietsenstallingen aan onder andere de zuidwestzijde van station Nijmegen Heyendaal aan de Verlengde Groenestraat te Nijmegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508315/1/A1.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Nijmegen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 oktober 2015 in zaken nrs. 14/8005, 14/8007, 14/8013 en 14/8014 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan van overkapte fietsenstallingen aan onder andere de zuidwestzijde van station Nijmegen Heyendaal aan de Verlengde Groenestraat te Nijmegen.

Bij uitspraak van 1 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2016, waar [appellant] en anderen, bij monde van [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bloemena en ir. J.H. van Zandwijk, zijn verschenen. Verder is daar de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prorail B.V., vertegenwoordigd door mr. J.A.E. Ross en [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] en anderen wonen aan de [locatie]. De omgevingsvergunning voorziet in de realisering van overkapte fietsenstallingen op ongeveer 20 m afstand van hun woningen. De fietsenstallingen worden mogelijk gemaakt ten behoeve van het NS-station. [appellant] en anderen zijn het er niet mee eens dat de fietsenstallingen worden voorzien van overkappingen, omdat dit leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

2. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het college bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot vergunningverlening voor de overkappingen van de fietsenstallingen.

3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank te lichtvaardig heeft aangenomen dat het college voldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Volgens [appellant] en anderen doet het college onvoldoende om omwonenden te ontzien. De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat de fietsenstallingen visueel worden afgeschermd door een haag. [appellant] en anderen wijzen erop dat een dergelijke haag er op dit moment niet is. Zij betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat andere NS-stations fietsenstallingen hebben zonder overkappingen. Niet valt in te zien waarom het uit het oogpunt van herkenbaarheid noodzakelijk is om aan de Verlengde Groenestraat fietsenstallingen te realiseren met een overkapping, aldus [appellant] en anderen. Zij stellen dat overkapping van de fietsenstallingen bovendien leidt tot kapitaalvernietiging, omdat station Nijmegen Heyendaal uiterlijk in 2020 wordt gerenoveerd.

3.1. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de fietsenstallingen visueel zullen worden afgeschermd met een haag die maximaal 1.80 m hoog zal zijn. Uit het oogpunt van veiligheid zal de haag verspringen. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre onjuist is.

Wat betreft de stelling van [appellant] en anderen dat op andere locaties fietsenstallingen zonder overkappingen zijn gerealiseerd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen noodzakelijkheidseis moet worden gesteld aan het overkappen van de fietsenstallingen. Het college stelt dat aan de Verlengde Groenestraat fietsenstallingen met overkappingen worden gerealiseerd, omdat dit in overeenstemming is met het beleid van het ministerie van Infrastructuur en Milieu over fietsparkeren bij stations. Prorail heeft ter zitting toegelicht dat dit beleid voorschrijft dat bij een NS-station, waar een inpandige parkeergelegenheid ontbreekt, fietsen uit het oogpunt van comfort gestald moeten kunnen worden in een fietsenstalling die is voorzien van een overkapping en verlichting. Omdat een inpandige stalling op NS-station Nijmegen Heyendaal in de bestaande situatie ontbreekt, is hiervoor gekozen. De Afdeling is van oordeel dat het college bij het verlenen van de afwijkingsvergunning gewicht heeft mogen toekennen aan het beleid over fietsparkeren bij stations. Het betoog van [appellant] en anderen dat overkapping van de fietsenstallingen leidt tot kapitaalvernietiging is ter zitting door Prorail weersproken. Prorail heeft ter zitting toegelicht dat de infrastructuur voor de overkappingen reeds is aangebracht en dat de overkappingen zich lenen voor hergebruik als het station wordt gerenoveerd.

Voor het overige bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank te lichtvaardig heeft aangenomen dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant] en anderen.

4. [appellant] en anderen betogen verder dat er schijn van belangenverstrengeling is, doordat hun belang ondergeschikt lijkt te zijn gemaakt aan de belangen van NS/Prorail van wie de gemeente een financiƫle tegemoetkoming heeft ontvangen voor de renovatie van het stationsgebied. Met betrekking tot dit betoog overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen dit voor het eerst in hoger beroep hebben aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] en anderen dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Priem

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

646.