Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
201509337/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2014 heeft de staatssecretaris op de rijksbijdrage ten nadele van de stichting een correctie van € 101.616,00 aangebracht en dit bedrag verrekend met de maandelijkse bekostiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2016/547
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509337/1/A2.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Stichting voor christelijk onderwijs te Alphen aan den Rijn en omstreken (hierna: de stichting), gevestigd te Alphen aan den Rijn,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 november 2015 in zaak nr. 15/112 in het geding tussen:

de stichting

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2014 heeft de staatssecretaris op de rijksbijdrage ten nadele van de stichting een correctie van € 101.616,00 aangebracht en dit bedrag verrekend met de maandelijkse bekostiging.

Bij besluit van 27 november 2014 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2015 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2016, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.A. Keijser, advocaat te Den Haag, en bijgestaan door P.K. Jansen en mr. G.J. Scholte, beiden werkzaam bij de stichting, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.C.E. de Kiefte, mr. ir. E.J. van de Lisdonk en mr. G.A.G. Tijbosch, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De stichting is het bevoegd gezag van een scholengroep die bestaat uit scholen in het primair en (speciaal) voortgezet onderwijs en een school voor praktijkonderwijs. In het jaarverslag over 2011 heeft het bestuur van de stichting melding gemaakt van de beloning van de voorzitter van het college van bestuur, [voorzitter]. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspectie van het Onderwijs onderzoek verricht naar deze beloning. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het definitieve rapport van 28 maart 2014. In dat rapport is vermeld dat de totale beloning van [voorzitter] over 2011 € 325.803,00 bedroeg, bestaande uit een salaris van € 147.403,00 en een eenmalige pensioenuitkering van € 178.400,00. Het laatstgenoemde bedrag bestaat uit verlofrechten ten behoeve van de bevordering arbeidsparticipatie ouderen - het zogenoemde ‘bapoverlof’ - en spaarverlof die tezamen in de vorm van een pensioenvoorziening zijn uitgekeerd. De inspectie heeft geconcludeerd dat de totale beloning van [voorzitter] € 101.616,00 hoger is dan het toekomstige in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: Wnt) opgenomen normbedrag van € 224.187,00 en dat deze overschrijding om die reden ondoelmatig is. Bij brief van 30 april 2014 heeft de staatssecretaris de stichting op de hoogte gesteld van zijn voornemen om het bedrag van de overschrijding in mindering te brengen op de rijksbijdrage.

2. Aan het besluit van 20 juni 2014, gehandhaafd bij besluit van 27 november 2014, heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de rijksbekostiging ondoelmatig door het bevoegd gezag is aangewend, omdat de bezoldiging van [voorzitter] hoger is dan de door de staatssecretaris gehanteerde bezoldigingsnorm, gebaseerd op de destijds toekomstige maximumnorm in de Wnt.

3. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de rijksbekostiging ten nadele van haar mocht corrigeren. Daartoe voert de stichting aan dat artikel 21 van het Bekostigingsbesluit Wvo niet de voorwaarde kan bevatten dat de ontvangen bekostiging doelmatig dient te worden besteed, nu een dergelijke voorwaarde niet in de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: Wvo) is opgenomen.

3.1. Ingevolge artikel 21, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit Wvo kan de minister, indien uit de jaarrekening, uit de in artikel 18, derde lid, bedoelde verklaring van de accountant of uit op grond van artikel 19 ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging of aanvullende bekostiging voor een school waarop de jaarrekening betrekking heeft, onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging of aanvullende bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging respectievelijk aanvullende bekostiging.

3.2. Desgevraagd heeft de staatssecretaris ter zitting toegelicht dat artikel 21, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit Wvo zijn grondslag vindt in artikel 106, derde lid, van de Wvo. In die bepaling, noch in de afdeling van de Wvo waarnaar in die bepaling wordt verwezen, is voorzien in een specifieke bevoegdheid voor de staatssecretaris om in het geval van ondoelmatige aanwending van de rijksbekostiging door het bevoegd gezag de rijksbijdrage te corrigeren. Ook overigens is in de Wvo geen bepaling te vinden waaruit volgt dat de bekostiging behalve rechtmatig ook doelmatig moet worden aangewend. Dit betekent dat de door de staatssecretaris veronderstelde wettelijke basis voor het toepassen van een correctie op de rijksbijdrage wegens ondoelmatige besteding ontbreekt. Nu de correctie in dit specifieke geval, gelet op het voorgaande, niet op artikel 21, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit Wvo kan worden gebaseerd, slaagt het betoog.

4. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen de stichting in hoger beroep voorts nog heeft aangevoerd geen bespreking.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 november 2015 in zaak nr. 15/112;

III. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 november 2014, kenmerk 4468858;

IV. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot vergoeding van bij de Stichting voor christelijk onderwijs te Alphen aan den Rijn en omstreken in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Stichting voor christelijk onderwijs te Alphen aan den Rijn en omstreken het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 828,00 (zegge: achthonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Rijsdijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

705.