Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
201509381/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de jachthut op het perceel Beestmanweg, kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie [.], nummer […], (hierna: het perceel) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509381/1/A1.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Aalten,

appellanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 november 2015 in zaak nr. 15/3562 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de jachthut op het perceel Beestmanweg, kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie [.], nummer […], (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 7 mei 2015 heeft het college opnieuw besloten het besluit van 6 november 2013 in stand te laten.

Bij uitspraak van 17 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 mei 2015 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[partij] heeft nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F. Voerman, advocaat te Doetinchem, en het college, vertegenwoordigd door B. Witjes, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De jachthut is gelegen op ongeveer 35 m achter de woning van [appellant] aan de [locatie] te Aalten.

2. De jachthut is in strijd met de ingevolge het ten tijde van het besluit op bezwaar van 7 mei 2015 geldende bestemmingsplan "Buitengebied Aalten 2004, correctieve herziening" op het perceel rustende bestemming "Bos en Natuurgebied". De jachthut is zonder een daarvoor benodigde omgevingsvergunning voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgericht, zodat het college bevoegd is daartegen handhavend op te treden.

De rechtbank heeft overwogen dat ten tijde van het besluit van 7 mei 2015 geen concreet zicht op legalisering bestond, omdat ten tijde van dat besluit geen ontwerp van een bestemmingsplan waarbinnen het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past, ter inzage heeft gelegen, geen verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de jachthut door de gemeenteraad was afgegeven en geen ontwerp van een omgevingsvergunning ter inzage was gelegd, waarmee de jachthut kon worden gelegaliseerd. De rechtbank heeft het besluit van 7 mei 2015 om die reden vernietigd, maar heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten, omdat volgens haar vanaf 27 mei 2015 (de Afdeling leest: 26 mei 2015), dus na het besluit van 7 mei 2015, concreet zicht op legalisering van de jachthut bestond, aangezien op die datum de verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad was verleend.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 mei 2015 in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat de afgegeven verklaring van geen bedenkingen niet definitief was, zodat vanaf dat moment nog geen concreet zicht op legalisering bestond. Ook overigens bestond er volgens hem geen concreet zich op legalisering, omdat er aanknopingspunten aanwezig waren om op voorhand aan te nemen dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend. Volgens hem is het legaliseren van de jachthut evident in strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid en met een goede ruimtelijke ordening.

3.1. De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure de aangevallen uitspraak van 17 november 2015 ter beoordeling voor ligt en de feiten en omstandigheden van na die datum niet aan de orde kunnen komen.

3.2. Ten tijde van de aangevallen uitspraak was door de raad van de gemeente Aalten op 26 mei 2015 een verklaring van geen bedenkingen voor de jachthut afgegeven, die door de Afdeling wordt begrepen als een ontwerp van een verklaring van geen bedenkingen. Dit ontwerp en het ontwerpbesluit tot het verlenen van omgevingsvergunning voor de jachthut zijn met ingang van 27 juli 2015 ter inzage gelegd. Nu de raad ten tijde van de aangevallen uitspraak een ontwerp van een verklaring van geen bedenkingen voor de jachthut had afgegeven, bestond voldoende zekerheid dat de omgevingsvergunning zou worden verleend, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat op dat moment concreet zicht op legalisering bestond. Anders dan [appellant] aanvoert, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen aanknopingspunten aanwezig waren dat op voorhand duidelijk zou zijn dat de omgevingsvergunning niet zou worden verleend. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4374, wordt overwogen dat het enkele feit dat onduidelijk is of wordt voldaan aan provinciaal beleid, in dit geval artikel 2.7.1.1 van de Omgevingsverordening Gelderland, onvoldoende is om op voorhand aan te nemen dat (in dit geval) de omgevingsvergunning niet zal worden verleend. Dat, zoals [appellant] betoogt, de jachthut in een woonomgeving en te dicht bij het bij [appellant] in eigendom zijnde rijksmonument aan de [locatie] te Aalten is gelegen, maakt niet dat op voorhand moet worden aangenomen dat wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening de omgevingsvergunning niet zal worden verleend. [appellant] heeft gewezen op de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 juli 2016 in zaak nr. 16/55 en op de uitspraak van de voorzieningenrechter van Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2529, inzake het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015", in welke uitspraken twijfel werd geuit over de vraag of de jachthut op het perceel in overeenstemming is met artikel 2.7.1.1 van de Omgevingsverordening Gelderland. Die uitspraken zijn evenmin grond voor het oordeel dat er ten tijde van de aangevallen uitspraak aanwijzingen waren dat op voorhand duidelijk zou zijn dat de omgevingsvergunning niet zou worden verleend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank haar beslissing om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 mei 2015 in stand te laten heeft genomen op basis van het recht en de feiten en omstandigheden zoals die waren op het tijdstip waarop de aangevallen uitspraak is gedaan. De voornoemde uitspraken dateren van na de aangevallen uitspraak.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank terecht aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 mei 2015 in stand te laten, nu ten tijde van de aangevallen uitspraak concreet zicht op legalisering van de jachthut bestond.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

262-776.