Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
201500965/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het college aan de [vergunninghoudster] een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de wijziging van een melkrundveehouderij aan de [locatie] in Vriezenveen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1186
JNA 2016/61
JNA 2016/60
OGR-Updates.nl 2017-0014 met annotatie van Marieke Kaajan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500965/1/R2.

Datum uitspraak: 23 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob), gevestigd te Nijmegen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het college aan de [vergunninghoudster] een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de wijziging van een melkrundveehouderij aan de [locatie] in Vriezenveen.

Bij besluit van 17 december 2014 heeft het college het door Mob hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Mob beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nr. 201500968/1/R2, ter zitting behandeld op 27 juli 2016, waar Mob, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Oostvogels en A.B. Willigenburg, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Mob stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Volgens Mob zijn in de voorschriften behorende bij de verleende vergunning ten onrechte geen aanvullende maatregelen ter verdere reductie van de stikstofdepositie opgenomen die bijdragen aan de verwezenlijking van die instandhoudingsdoelstellingen.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9656), kan het bevoegd gezag, om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, op grond van artikel 19e van de Nbw 1998, beleid voeren dat inhoudt dat een vergunning slechts wordt verleend indien maatregelen worden getroffen om een verdere reductie van de stikstofdepositie te bewerkstelligen. Voor het oordeel dat een verplichting bestaat om dergelijke maatregelen in individuele vergunningen voor te schrijven indien geen zodanig beleid door het bevoegd gezag wordt gevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten. Nu is gebleken dat het college geen beleid van een dergelijke strekking maar zogenoemd "stand-still"-beleid voert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte geen aanvullende maatregelen heeft opgenomen in de voorschriften behorende bij de verleende vergunningen. Dit betoog faalt.

2. Het uitrijden van mest kan stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Mob voert aan dat het houden van dieren en het uitrijden van mest als één project moeten worden beschouwd. Het college heeft volgens Mob ten onrechte het uitrijden van mest niet betrokken bij het besluit tot verlening van de vergunning. Ter zitting heeft Mob in dit verband gewezen op een brief van de Europese Commissie inzake de wijziging van het 'Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998' (hierna: het Besluit) en op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over dezelfde wetswijziging.

2.1. [vergunninghoudster] heeft een aanvraag voor vergunning krachtens artikel 19d Nbw 1998 ingediend door het op 27 december 2013 verzonden "Aanvraagformulier vergunning Natuurbeschermingswet 1998" met bijlagen, zoals aangevuld bij brieven van 8 mei en 27 mei 2014. De Afdeling leidt hieruit niet af dat deze aanvraag mede betrekking heeft op het uitrijden van mest. Die activiteit wordt in het formulier noch in verzoeken om aanvullende informatie van de kant van het college genoemd en komt evenmin in de bijbehorende of later aangeleverde informatie voor. Tot de aanvraag behoren verschillende emissieberekeningen van de stallen van [vergunninghoudster]. Een emissieberekening voor het uitrijden van mest bevat de aanvraag niet. Het betoog van Mob komt erop neer dat het uitrijden van mest van rechtswege een onlosmakelijk onderdeel is van het aangevraagde project en daardoor ten onrechte geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag. Derhalve ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of de aangevraagde activiteit en het uitrijden van mest zodanig met elkaar zijn verbonden dat deze als één project voor de beoordeling van de vergunningplicht krachtens de Nbw 1998 dienen te worden aangemerkt.

2.2. De brief van 26 november 2015, kenmerk Ares(2015)5383148, afkomstig van een ambtelijke dienst van de Europese Commissie en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, no. W15.15.0183/IV (beide te vinden in Stcrt. 2016, nr. 7116), waar Mob op heeft gewezen, hebben beide betrekking op de destijds voorgenomen toevoeging van artikel 3a aan het Besluit.

In artikel 3a, aanhef en onder b, van het Besluit is bepaald dat de vergunningplicht als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 niet geldt voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Deze bepaling in het Besluit is op 27 april 2016 in werking getreden. De verlening van de vergunning door het college steunt niet op deze recente wetswijziging. De Afdeling overweegt dat in de bewuste brief noch in het eerdergenoemde advies van de Afdeling advisering van de Raad van State aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting dat sprake is van een zodanig onlosmakelijke samenhang tussen het houden van dieren en het uitrijden van mest in het kader van de vergunningverlening op grond van de Nbw 1998 dat sprake is van één project.

2.3. Mob stelt met juistheid dat het houden van dieren leidt tot de productie van mest en dat dit in zoverre niet los van elkaar kan worden gezien. Dit betekent echter niet dat het houden van dieren ook noodzakelijkerwijs leidt tot het uitrijden van die mest, zodat niet in alle gevallen gesproken kan worden van een onlosmakelijk samenhang tussen het houden van dieren en het uitrijden van mest.

In het voorliggende geval ziet de Afdeling in hetgeen Mob naar voren heeft gebracht en de overgelegde stukken geen aanleiding voor het oordeel dat het houden van dieren en het mogelijke uitrijden van mest op de bij de melkveehouderij behorende gronden in dit geval zodanig onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden dat het college de vergunning voor het aangevraagde project had moeten weigeren. Uitrijden van mest op deze gronden is niet noodzakelijk voor de afvoer van de mest, nu er alternatieven zijn waaronder verwerking op een andere locatie of vergisting in een biogasinstallatie. Dit betekent dat het uitrijden van mest dan ook niet als één project met het houden van vee behoefde te worden aangevraagd en vergund. Het betoog faalt.

3. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het project niet passend is beoordeeld en heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de natuurlijke kenmerken van het gebied als gevolg van het project niet zullen worden aangetast.

Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Helder w.g. Vreugdenhil

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016

571.