Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
201502136/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Bebouwde gebieden" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:51a
Algemene wet bestuursrecht 8:51b
Algemene wet bestuursrecht 8:51c
Algemene wet bestuursrecht 8:51d
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2017/21 met annotatie van F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502136/2/R1.

Datum uitspraak: 16 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Beesel,

2. [appellant sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C], wonend te Reuver, gemeente Beesel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

en

de raad van de gemeente Beesel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Bebouwde gebieden" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door ing. B. Hackert, werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Esley Consultants B.V., [appellant sub 2], [appellant sub 3], bijgestaan door J.J. Grouls, en de raad, vertegenwoordigd door F.M.A.M. Tegels en A.G.J. van Loon, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door I. de Lange-Verschuren, werkzaam bij Croonenburo5, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 16 december 2016, ECLI:NL:RVS:2015:3888 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 december 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2016, heeft de raad de Afdeling verzocht om de hersteltermijn te verlengen. Bij beschikking van 10 juni 2016, nr. 201502136/3/R1 is deze termijn verlengd tot en met 22 juni 2016.

Bij brief van 21 juni 2016 heeft de raad naar voren gebracht dat bij besluit van 20 juni 2016 het plan gewijzigd is vastgesteld teneinde de gebreken die in de tussenuitspraak zijn genoemd te herstellen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 20 oktober 2016, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door Hackert, [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door Tegels en Van Loon, zijn verschenen.

Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1]

Inleiding

1. [appellant sub 1] richt zich tegen het plandeel met onder meer de bestemmingen "Wonen", "Waarde - Beschermd dorpsgezicht" en "Waterstaat - Waterbergingsgebied" ten westen van zijn huidige woning op het perceel [locatie 1]. Hij heeft dit perceel in eigendom en wil een levensloopbestendige woning op het perceel realiseren.

Het besluit van 15 december 2014

2. De Afdeling heeft in overweging 4.8 van de tussenuitspraak geoordeeld dat in het besluit van 15 december 2014 onvoldoende is gemotiveerd waarom het perceel [locatie 1] niet geschikt is voor een tweede woning. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 1] gegrond. Het besluit van 15 december 2014 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen" ten westen van de huidige woning van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 1].

Het besluit van 20 juni 2016

3. Het besluit van 20 juni 2016 is een wijzigingsbesluit en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [appellant sub 1] is van rechtswege gericht tegen dit besluit.

4. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak de opdracht gegeven om toereikend te motiveren waarom de door [appellant sub 1] gewenste tweede woning ter plaatse van het perceel [locatie 1] niet wordt toegestaan, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad aanvullend gemotiveerd waarom de beoogde locatie ongeschikt is voor een tweede woning.

5. [appellant sub 1] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat een tweede woning op het perceel [locatie 1] ongewenst is. In dit verband heeft [appellant sub 1] een rapport van BRO overgelegd waarin wordt ingegaan op de argumenten die de raad voor zijn standpunt geeft.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een woning op de beoogde locatie niet wenselijk is. De raad voert hiertoe aan dat de Centrumvisie aan de gewenste woning in de weg staat. Voorts betoogt hij dat de regionale structuurvisie wonen Noord-Limburg met zich brengt dat terughoudend moet worden omgegaan met de toevoeging van extra woningen. Voorts stelt de raad dat de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied door het realiseren van de gewenste woning worden aangetast, hetgeen zich niet verdraagt met de aanwijzing van het gebied als beschermd dorpsgezicht. De raad stelt zich ten slotte op het standpunt dat deze locatie ongeschikt is voor een nieuwe woning vanwege de ligging van het perceel binnen het waterbergend rivierbed van de Maas. Hij stelt zich op het standpunt dat het de voorkeur heeft om geen tweede woning in waterbergend rivierbed te realiseren, omdat andere locaties voorhanden zijn die niet in waterbergend rivierbed liggen.

5.2. Ingevolge artikel 25, lid 25.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 25.2.2, onder a, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat nieuwbouw van woningen niet is toegestaan, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden", waarbij het aantal nieuwe woningen niet meer mag zijn dan is aangegeven.

Ingevolge artikel 31, lid 31.1, zijn de voor "Waarde - Beschermd dorpsgezicht" aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundig beeld voor zover die worden bepaald door:

a. de architectonische waarden van de afzonderlijke gebouwen;

b. de historisch bepaalde rangschikking en samenhang van gebouwen;

c. de landschappelijke inpassing van de gebouwen.

Ingevolge lid 31.2, onder c, is nieuwbouw van woningen niet toegestaan.

Ingevolge artikel 34, lid 34.1, zijn de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden mede bestemd voor een waterbergende functie.

Ingevolge lid 34.2.1 mogen op deze gronden geen gebouwen worden gebouwd.

5.3. In de plantoelichting staat dat de oude kern van Beesel, Ouddorp, Kasteel Nieuwenbroeck en omgeving en het open gebied tussen de Kerkstraat en Beekstraat met de daar doorheen stromende Huilbeek op basis van de gemeentelijke erfgoedverordening zijn aangewezen als beschermd dorpsgezicht. De aanwijzing is niet bedoeld voor het exact behouden van de uiterlijke verschijningsvorm van Beesel zoals die zich nu voordoet. De belangrijkste reden voor de aanwijzing is de zorgvuldige omgang met de aanwezige waarden zoals die door de eeuwen heen zijn ontstaan.

5.4. De Centrumvisie is een stedenbouwkundige visie die door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld om in een ruimtelijk kader te voorzien voor bouw- en inrichtingsplannen die zich aandienen. Onderdeel van de Centrumvisie is een kaart waarop het perceel van [appellant sub 1] niet is opgenomen.

5.5. In de regionale structuurvisie wonen Noord-Limburg, vastgesteld door de raad bij besluit van 9 mei 2016, staat dat in de kleine kernen terughoudend wordt omgegaan met het toestaan van woningbouw.

5.6. In het rapport "Stedenbouwkundige en landschappelijke visie [locatie 1] - aanvaardbaarheid woningbouw" van 11 augustus 2016 opgesteld door BRO adviseurs in ruimtelijke ordening, economie en milieu B.V. (hierna: het rapport van BRO) wordt ingegaan op de argumenten die de raad ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat de door [appellant sub 1] gewenste woning niet wenselijk is. In het rapport van BRO wordt er op gewezen dat de Centrumvisie betrekking heeft op het centrum van Beesel en dat het perceel van [appellant sub 1] daar niet ligt. Het perceel van [appellant sub 1] ligt namelijk op een afstand van ongeveer 400 m van het centrumgebied. Met betrekking tot het argument dat het perceel van [appellant sub 1] in het beschermd dorpsgezicht ligt, staat in het rapport van BRO dat de beschermenswaardige elementen van het beschermd dorpsgezicht niet worden aangetast indien een tweede woning wordt gerealiseerd. Over het perceel van [appellant sub 1] is geen enkel doorzicht naar het achterliggende agrarische gebied aanwezig. Dit komt doordat het perceel wordt omsloten door hoog opgaand groen. Ook als het opgaand groen wordt verwijderd, levert dat slechts een zeer beperkt doorzicht op. Voorts staat in het rapport van BRO dat het opmerkelijk is dat de raad zich op het standpunt stelt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden zich niet verdragen met een nieuwe woning. Hiertoe wordt in het rapport van BRO aangevoerd dat in de omgeving van het perceel van [appellant sub 1] ter plaatse van het perceel [locatie 2] een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waardoor het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden een nieuwe woning kan toestaan. In het rapport van BRO staat voorts dat de ligging van het perceel in waterbergend rivierbed niet aan de gewenste woning in de weg hoeft te staan. Over de vraag op welke manier bij het bouwen van de nieuwe woning moet worden omgegaan met de ligging in waterbergend rivierbed kan namelijk in een later stadium overleg worden gevoerd met Rijkswaterstaat waarbij ook besproken kan worden of compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. In het rapport van BRO staat voorts dat het opmerkelijk is dat de raad zich op het standpunt stelt dat hij beleidsmatig de voorkeur heeft geen woningen in het waterbergend rivierbed te bouwen. In dit verband wijst het rapport van BRO op het perceel [locatie 2] waar voornoemde wijzigingsbevoegdheid is toegekend. Dat perceel is namelijk gelegen in het stroomvoerend rivierbed. Ook wijst het rapport van BRO op een woningbouwplan voor gronden ten zuiden van het perceel van [appellant sub 1]. Deze liggen eveneens grotendeels binnen het waterbergend rivierbed. Tot slot merkt het rapport van BRO op dat het perceel van [appellant sub 1] niet geheel in het waterbergend rivierbed ligt.

5.7. De Afdeling overweegt dat de raad zich onder verwijzing naar de regionale structuurvisie wonen Noord-Limburg in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij terughoudend omgaat met het toestaan van nieuwe woningen op plekken die nu niet bestemd zijn voor woningbouw. [appellant sub 1] heeft gesteld dat de raad dit uitgangspunt niet eenduidig toepast omdat de raad bij besluit van 20 juni 2016 wel medewerking heeft verleend aan de door [appellant sub 3] gewenste woning. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het perceel van [appellant sub 3] bij de entree van een dorp ligt, niet in beschermd dorpsgezicht ligt en de toevoeging van een woning de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbetert. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie verschilt van de thans aan de orde zijnde situatie.

Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de Centrumvisie is opgesteld met als oogmerk om aan te geven waar woningbouw wenselijk is in de omgeving waar [appellant sub 1] zijn woning wenst. De door [appellant sub 1] gewenste woningbouwlocatie ligt in de omgeving van het centrum, maar is op de kaart behorend bij de Centrumvisie niet aangegeven. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat woningbouw ter plaatse van de door [appellant sub 1] gewenste locatie niet wenselijk is volgens de Centrumvisie.

De raad heeft ter zitting niet bestreden dat geen doorzicht naar het achterliggende agrarische gebied aanwezig is. De raad voert echter aan dat het aanwezige opgaande groen een andere ruimtelijke uitstraling heeft dan een woning. De raad heeft toegelicht dat een zorgvuldige omgang met het beschermd dorpsgezicht beter wordt bewerkstelligd door het behoud van het zicht op het opgaand groen dan door het realiseren van een woning, doordat het groen voor een geleidelijke overgang zorgt tussen het buitengebied en het dichter bebouwde dorpscentrum van Ouddorp. Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 2] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat ter plaatse van dat perceel thans bedrijfsbebouwing aanwezig is die zal worden verwijderd ten behoeve van een nieuwe woning, hetgeen de raad als een versterking van het beschermd dorpsgezicht beschouwt. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie verschilt van de thans aan de orde zijnde situatie.

De raad heeft ter zitting aangevoerd dat hij de voorkeur heeft om geen nieuwe woningen toe te staan in waterbergend rivierbed omdat voldoende percelen voorhanden zijn buiten het waterbergend rivierbed waar woningbouw mogelijk is. De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid dat uitgangspunt kan hanteren. Door de raad is niet bestreden dat het perceel van [appellant sub 1] niet geheel in het waterbergend rivierbed ligt, maar de raad heeft toegelicht dat de gewenste locatie voor de tweede woning wel geheel binnen waterbergend rivierbed ligt. Het toestaan van een woning ter plaatse is derhalve in strijd met het uitgangspunt dat de raad hanteert. Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 2] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat ter plaatse van dat perceel thans bedrijfsbebouwing aanwezig is die zal worden verwijderd ten behoeve van een nieuwe woning waardoor het bebouwd oppervlak niet toeneemt. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie verschilt van de thans aan de orde zijnde situatie. Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het woningbouwproject ten zuiden van het perceel van [appellant sub 1] overweegt de Afdeling dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat ter plaatse van dat plandeel het bouwvlak grotendeels is toegekend aan een gebied dat niet is aangewezen voor waterbergend rivierbed.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de raad in redelijkheid kunnen beslissen de door [appellant sub 1] gewenste woning niet toe te staan.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 2]

Inleiding

6. [appellant sub 2] richt zich tegen het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 3]. Aan dit plandeel is de bestemming "Centrum" en de aanduiding "horeca" toegekend. Op dit perceel is een horecavoorziening gevestigd. De afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de horecavoorziening is 0 m. [appellant sub 2] stelt dat hij geluidoverlast ondervindt van deze horecavoorziening.

Het besluit van 15 december 2014

7. De Afdeling heeft in de overwegingen 7.7 en 10.3 van de tussenuitspraak geoordeeld dat in het besluit van 15 december 2014 de artikelen 9, lid 9.5.5, en 39 van de planregels niet zijn vastgesteld zoals de raad had beoogd. Verder heeft de Afdeling in de overwegingen 7.8.1 en 11.5 van de tussenuitspraak geoordeeld dat in het besluit van 15 december 2014 onvoldoende is gemotiveerd waarom de horecavoorziening met bijbehorend terras ter plaatse van het perceel [locatie 3] met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "horeca" ruimtelijk aanvaardbaar is en waarom is voorzien in de afwijkingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 2] gegrond. Het besluit van 15 december 2014 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover dat ziet op de artikelen 9, lid 9.5.5, en 39 van de planregels. Voorts dient het besluit van 15 december 2014 te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover dat ziet op het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 3] en artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels.

Het besluit van 20 juni 2016

8. Het besluit van 20 juni 2016 is een wijzigingsbesluit en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [appellant sub 2] is van rechtswege gericht tegen dit besluit.

9. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak de opdracht gegeven artikel 9, lid 9.5.5, van de planregels te wijzigen in die zin dat legaal aanwezige horeca is toegestaan zoals hij dat had beoogd. Ook dient hij artikel 39 van de planregels te wijzigen. Voorts dient de raad toereikend te motiveren waarom de horecavoorziening met bijbehorend terras ter plaatse van het perceel [locatie 3] met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "horeca" ruimtelijk aanvaardbaar is, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. Tot slot dient de raad toereikend te motiveren waarom hij heeft voorzien in de afwijkingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

10. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad in het gewijzigde plan de artikelen 9, lid 9.5.5 en 39 van de planregels gewijzigd vastgesteld. Ook heeft de raad aanvullend gemotiveerd waarom de horecavoorziening met bijbehorend terras ter plaatse van het perceel [locatie 3] met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "horeca" ruimtelijk aanvaardbaar is en waarom hij heeft voorzien in de afwijkingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels.

11. [appellant sub 2] heeft zich in zijn zienswijze niet gericht tegen de wijze waarop de artikelen 9, lid 9.5.5, en 39 van de planregels zijn gewijzigd. Artikel 9, lid 9.5.5, van de planregels is aangepast waardoor de omvang van de horecavoorzieningen niet meer mag bedragen dan op het tijdstip van ter visie legging van het plan legaal aanwezig was. Artikel 39 van de planregels is gewijzigd waardoor algemene afwijkingsregels zijn opgenomen in plaats van een willekeurige reeks letters.

[locatie 3]

12. [appellant sub 2] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de horecavoorziening met bijbehorend terras ruimtelijk aanvaardbaar is. Hij voert hiertoe aan dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht wat de geluidsituatie in zijn woning is. Hiertoe voert hij aan dat de raad geen continuemetingen heeft verricht waardoor onbekend is wat de piekgeluiden zijn en hoe vaak die voorkomen. Voorts wijst [appellant sub 2] op een controlerapportage waarbij de geluidnormen werden overschreden. Verder geeft [appellant sub 2] aan een geluidopname aan de raad te hebben overgelegd waarop te horen is wat in zijn woning aan stemgeluid waarneembaar is afkomstig van de horecainrichting. Ook betoogt [appellant sub 2] dat de omgevingsvergunning van 17 februari 2012 één op één in het bestemmingsplan had moeten worden opgenomen. Ook voert hij aan dat het noodzakelijk is om de openingstijden in de planregels neer te leggen omdat er een experiment plaatsvindt waarbij latere sluitingsuren worden toegestaan. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat de uitgangspunten die in het eerder ingebrachte akoestisch onderzoek van Caubergh-Huygen worden gehanteerd ten onrechte niet zijn overgenomen in het bestemmingsplan. [appellant sub 2] voert aan dat hij de geluidgevolgen die hij ondervindt tot gezondheidsproblemen leiden als gevolg van het afnemen van de slaapkwaliteit. Voorts betoogt hij dat artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) wordt geschonden vanwege de geluidhinder die hij ondervindt.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de geluidsituatie ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. In dit verband voert de raad aan dat uitsluitend de bestaande legale situatie is bestemd. Ook wijst hij op tientallen controlemetingen uit de periode 2013 tot en met 2015. Verder voert de raad aan dat de richtafstanden uit het akoestisch onderzoek van Caubergh-Huygen niet van toepassing zijn op bestaande situaties.

12.2. Bij besluit van 26 september 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan verleend aan Café Friends voor het gebruik van de achterzijde van het pand op het perceel [locatie 3] voor horecadoeleinden, met dien verstande dat alleen een gebruik als bijeenkomstfunctie met andere (niet-geluidbelastende) activiteiten is toegestaan.

12.3. In het "Akoestisch onderzoek stemgeluid terrassen gemeente Beesel" van 14 oktober 2010 opgesteld door Caubergh-Huygen Raadgevende Ingenieurs BV (hierna: akoestisch onderzoek van Caubergh-Huygen) is onderzoek gedaan naar de geluiduitstraling van de geluidrelevante activiteiten op een terras. In het akoestisch onderzoek van Caubergh-Huygen is het uitgangspunt gehanteerd dat per tafel 4 zitplaatsen aanwezig zijn en dat dit een totale gebruiksoppervlakte van 10 m2 in beslag neemt. In het akoestisch onderzoek van Caubergh-Huygen staat dat de aanbevolen afstanden tussen een terras en een woning vanwege het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) voor het gebiedstype dorpscentrum voor een klein terras van maximaal 30 m2 voor de dag 0 m, voor de avond 7 m en voor de nacht 14 m bedraagt. Indien de afstand van de woningen tot het terras kleiner is dan deze afstanden, dan dient het bevoegd gezag een gedetailleerd onderzoek van de initiatiefnemer te verlangen waarin een beoordeling van de optredende niveaus is opgenomen.

12.4. Vast staat dat ten tijde van het voorheen geldende bestemmingsplan "Centrum Reuver" de thans aanwezige horecagelegenheid op het perceel [locatie 3] legaal aanwezig was.

12.5. De raad heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat de situatie al jaren bestaat. In de tussenuitspraak is echter reeds overwogen dat hoewel in beginsel een bestaande legale situatie als zodanig in het plan moet worden opgenomen, dit niet betekent dat in het geheel geen betekenis hoeft te worden toegekend aan de gevolgen van de horecavoorziening en het terras voor de omgeving. Het laten voortbestaan van een bestaande, legale situatie kan onder omstandigheden in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft als motivering voor zijn standpunt gewezen op de uitspraken van de Afdeling van 17 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7773, waarin het voorheen geldende bestemmingsplan voorlag en 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:173, waarin de omgevingsvergunning van 26 september 2011 voorlag en waarbij de akoestische gevolgen van de horecagelegenheid geen aanleiding waren voor de Afdeling om het desbetreffende besluit te vernietigen. De Afdeling overweegt dat hij ondanks die uitspraken aanleiding heeft gezien om in de tussenuitspraak te oordelen dat in het besluit van 15 december 2014 onvoldoende is gemotiveerd waarom de horecavoorziening met bijbehorend terras ter plaatse van het perceel [locatie 3] ruimtelijk aanvaardbaar is waarbij aan de raad de opdracht is gegeven om toereikend te motiveren waarom die horecavoorziening ruimtelijk aanvaardbaar is. Met betrekking tot het betoog van de raad dat [appellant sub 2] de stellingen met betrekking tot de geluidoverlast niet met onderzoeken heeft onderbouwd, overweegt de Afdeling dat in de tussenuitspraak reeds is overwogen dat [appellant sub 2] aannemelijk heeft gemaakt dat hij aanzienlijke geluidoverlast ondervindt door onder meer stemgeluid afkomstig van de horecavoorziening en het terras. Het was daarmee na de tussenuitspraak aan de raad om te motiveren dat de desbetreffende horecavoorziening met bijbehorend terras ruimtelijk aanvaardbaar is gelet op de akoestische gevolgen die dit heeft voor de nabijgelegen woning. Voor zover de raad wijst op de controlemetingen uit de periode 2013 tot en met 2015 als onderbouwing van zijn standpunt dat de akoestische gevolgen van de horecagelegenheid en het terras aanvaardbaar zijn, overweegt de Afdeling dat de controlemetingen zijn opgesteld om te bepalen of de geluidnormen zoals die zijn neergelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden overtreden. Bij het bepalen van de geluidniveaus als bedoeld in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft stemgeluid echter buiten beschouwing. Dat bij de controlemetingen derhalve is gebleken dat aan de geluidnormen zoals opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan, zegt op zichzelf niets over de geluidoverlast als gevolg van stemgeluid ter plaats van de woning van [appellant sub 2]. Ook heeft de raad aangevoerd dat de richtafstanden tussen terrassen en woningen zoals die worden genoemd in het akoestisch onderzoek van Caubergh-Huygen niet van toepassing zijn op deze situatie omdat sprake is van een bestaande situatie. In de tussenuitspraak is echter reeds overwogen dat hoewel de richtafstanden niet zonder meer op deze situatie van toepassing zijn, hieruit wel valt af te leiden dat de raad een afstand van 0 m tussen een terras en een woning bij nieuwvestiging van een horecagelegenheid in beginsel niet aanvaardbaar acht. De raad heeft in zijn nadere motivering niet onderbouwd waarom hij in een nieuwe situatie een afstand van minder dan 14 m tussen een terras en een woning niet zonder meer aanvaardbaar vindt, terwijl hij in deze bestaande situatie een afstand van ongeveer 0 m aanvaardbaar vindt. Voorts is sinds de tussenuitspraak in de gemeente gestart met een experiment waarbij flexibele openingstijden voor horecagelegenheden worden gehanteerd. De raad had de geluidgevolgen voor [appellant sub 2] gedurende de nachtperiode in ieder geval moeten bezien bij het toestaan van een dergelijke uitbreiding van de openingstijden. Gelet op het voorgaande heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom de geluidgevolgen van de horecavoorziening en het terras op de woning van [appellant sub 2] aanvaardbaar zijn. De Afdeling overweegt dat de raad het besluit in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd. Aan de beroepsgronden van [appellant sub 2] dat artikel 2 van het EVRM wordt geschonden vanwege de geluidhinder die hij heeft te verduren en dat het plan in beperkingen aan het gebruik van de horecavoorziening en het terras had moeten voorzien, komt de Afdeling derhalve niet toe.

Het betoog slaagt.

Artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels

13. [appellant sub 2] richt zich voorts tegen artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels. Hij voert aan dat bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid ten onrechte geen rekening hoeft te worden gehouden met het woon- en leefklimaat. Hierdoor kunnen terrassen worden aangelegd binnen 14 m van woningen, hetgeen in het akoestisch onderzoek van Caubergh-Huygen niet wenselijk wordt gevonden.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij de afwijkingsbevoegdheid heeft opgenomen om binnen het plan in enige flexibiliteit te voorzien. Voorts wijst hij er op dat in artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels voorwaarden zijn opgenomen om het woon- en leefklimaat te waarborgen.

13.2. In de omgeving van de woning van [appellant sub 2] is aan verschillende plandelen de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. voorzieningen voor verkeer en verblijf;

d. parkeervoorzieningen.

Ingevolge lid 22.4, onder a, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 22.1 voor het realiseren van nieuwe terrassen, met dien verstande dat:

1. nieuwe terrassen uitsluitend zijn toegestaan indien behorend bij nabijgelegen horecagelegenheden;

2. het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast;

3. geen onevenredig nadelige gevolgen voor de parkeerbalans ontstaan.

13.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2618) kan de raad bij algemene afwijkingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op een specifieke locatie en waarbij voorschriften zijn gesteld die verzekeren dat de toepassing daarvan niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening, in beginsel volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat belanghebbenden tegen de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheden rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Dat ligt anders indien een concrete aanleiding bestaat om af te wegen of een dergelijke afwijkingsbevoegdheid op een specifieke locatie op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast dan wel in het geval van wettelijke verplichtingen. De raad heeft toegelicht dat de afwijkingsbevoegdheid in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast. Ook zijn voorwaarden opgenomen die verzekeren dat de toepassing van artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe is in artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels opgenomen dat toepassing van deze bevoegdheid niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. [appellant sub 2] heeft voorts niet op een specifieke locatie gewezen waar artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels niet op een ruimtelijk aanvaardbaar wijze kan worden toegepast. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afwijkingsbevoegdheid zoals die in artikel 22, lid 22.4, onder a, van de planregels is neergelegd in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 3]

Het besluit van 15 december 2014

14. De Afdeling heeft in overweging 14.3 van de tussenuitspraak geoordeeld dat in het besluit van 15 december 2014 ten onrechte geen rekening is gehouden met het voornemen van [appellant sub 3] om op het in zijn eigendom zijnde kadastrale perceel B 2557 een woning te realiseren. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 3] gegrond. Het besluit van 15 december 2014 voor zover dat ziet op het kadastrale perceel B 2557 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het besluit van 20 juni 2016

15. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak de opdracht gegeven om toereikend te motiveren waarom de door [appellant sub 3] gewenste woning ter plaatse van het kadastrale perceel B 2557 niet wordt toegestaan, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad in het gewijzigde plan de bestemming "Wonen" met de aanduiding "bouwvlak" aan het plandeel ter plaatse van het kadastrale perceel B 2557 toegekend.

16. Nu de door [appellant sub 3] gewenste woning is toegestaan, heeft hij onvoldoende belang bij een beroep tegen het besluit van 20 juni 2016. In dit geval is geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog dient te worden beslist. Overigens heeft [appellant sub 3] naar aanleiding van het nieuwe besluit geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant sub 3] geen bezwaren heeft tegen het besluit van 20 juni 2016.

Conclusie

Besluit van 15 december 2014

17. Gelet op de rechtsoverwegingen 2, 7 en 14 zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 15 december 2014 gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover dat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ten westen van de woning op het perceel [locatie 1], de artikelen 9, lid 9.5.5, artikel 22, lid 22.4, onder a, en 39 van de planregels, het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 3] en het plandeel ter plaatse van het kadastrale perceel B 2557.

Besluit van 20 juni 2016

18. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan voor zover dat ziet op het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 3] is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de raad opdragen om binnen 26 weken op dit punt een nieuw besluit te nemen.

Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 20 juni 2016 is ongegrond.

19. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

20. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C], en [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] tegen het besluit van 15 december 2014 gegrond;

II. vernietigt het besluit van 15 december 2014 voor zover dat betreft:

- het plandeel met de bestemming "Wonen" ten westen van de woning op het perceel [locatie 1],

- de artikelen 9, lid 9.5.5, artikel 22, lid 22.4, onder a, en 39 van de planregels,

- het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 3],

- het plandeel ter plaatse van het kadastrale perceel B 2557;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C] tegen het besluit van 20 juni 2016 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 20 juni 2016 voor zover dat betreft het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 3];

V. draagt de raad van de gemeente Beesel op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen voor het vernietigde plandeel zoals omschreven onder IV. een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. draagt de raad van de gemeente Beesel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onder IV. genoemde onderdeel wordt verwerkt op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 20 juni 2016 ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Beesel tot vergoeding van bij [appellant sub 1], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2665,00 (zegge: tweeduizend zeshonderdvijfenzestig euro), waarvan € 1240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Beesel tot vergoeding van bij [appellant sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 764,00 (zegge: zevenhonderdvierenzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Beesel tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 601,68 (zegge: zeshonderdeen euro en achtenzestig cent), waarvan € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Beesel aan [appellant sub 1] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt;

XII. gelast dat de raad van de gemeente Beesel aan [appellant sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XIII. gelast dat de raad van de gemeente Beesel aan [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W.A.M.M. Delauw, griffier.

w.g. Michiels

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2016

812.