Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:305

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201503281/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1663, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van de met betrekking tot hem in de basisregistratie personen (hierna: de brp) geregistreerde persoonsgegevens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2016/1127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503281/1/A3.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2015 in zaak nr. 14/5918 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van de met betrekking tot hem in de basisregistratie personen (hierna: de brp) geregistreerde persoonsgegevens afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. El-Ghazi, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door D. Evora, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

2. [appellant] is op 25 september 2007 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie personen (hierna: de gba, thans: de brp) als [naam], [appellant], geboren op [..-..-….] te [plaats] (China). Deze gegevens zijn ontleend aan een aan [appellant] verstrekt identiteitsbewijs en een aan hem verstrekte registratiekaart. Op 9 februari 2010 heeft [appellant] onder belofte verklaard dat de in de gba opgenomen gegevens juist zijn.

Bij brief van 9 december 2013 heeft [appellant] het college verzocht zijn in de brp opgenomen gegevens te wijzigen in: [naam], [appellant], geboren op [..-..-….] te [plaats] (China). Ter staving van zijn verzoek heeft hij de volgende documenten overgelegd:

- een huishoudregistratieboekje (hierna: hukou), waarin is vermeld dat [naam], [appellant], geboren op 19 februari 1961, is gehuwd met [partner] en vader is van [kind];

- een 'notarial certificate', gedateerd 15 april 2013;

- een Chinees paspoort ten name van [naam], [appellant], geboren op [..-..-….] te [plaats], afgegeven op 6 januari 2010 door de Chinese ambassade te Den Haag.

3. Aan het besluit van 18 juli 2014 heeft het college ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld dat de overgelegde documenten [appellant] betreffen. De in die documenten vermelde gegevens wijken op wezenlijke punten af van de in de brp geregistreerde gegevens, waarvan [appellant] de juistheid bij onder meer zijn verklaring van 9 februari 2010 heeft bevestigd, aldus het college

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet heeft aangetoond dat de overgelegde documenten op hem betrekking hebben. Met het Chinese paspoort, in combinatie met de andere overgelegde documenten, heeft hij aangetoond dat de thans in de brp opgenomen persoonsgegevens onjuist zijn. Uit het algemeen ambtsbericht China van december 2012 van de minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat een hukou voldoende is om een geboortecertificaat te krijgen en een paspoort alleen wordt afgegeven op vertoon van een hukou. Het college heeft de authenticiteit van de overgelegde Chinese geboorteakte en het Chinese paspoort niet betwist en deze documenten hebben, gelet op artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp, een grotere bewijswaarde dan de door hem onder belofte afgelegde verklaring. Voorts gaan de Chinese autoriteiten wel uit van de persoonsgegevens die in de hukou zijn opgenomen en in andere Nederlandse gemeenten wordt een soortgelijk verzoek wel ingewilligd. Tot slot voert [appellant] aan dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst hem heeft meegedeeld dat de bij binnenkomst in Nederland bij hem afgenomen vingerafdrukken niet bewaard zijn gebleven. Daardoor kan hij niet met een vergelijkend dactyloscopisch onderzoek aantonen dat de overgelegde documenten op hem betrekking hebben, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 13 januari 2016 in zaak nr. 201500463/1/A3) zal voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze gegevens onjuist zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] met de door hem overgelegde documenten niet heeft aangetoond dat de thans in de brp geregistreerde persoonsgegevens onjuist zijn. Daarbij is van belang dat [appellant] bij de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) geen gebruik heeft gemaakt van de in die regeling vermelde gelegenheid de persoonsgegevens, die zijn opgenomen op de aan hem verstrekte documenten en waaraan de registratie in de brp is ontleend, te wijzigen. Voorts heeft [appellant] op 9 februari 2010 onder belofte verklaard dat de in de brp geregistreerde gegevens juist zijn, terwijl hij, zoals ter zitting is gesteld, op dat moment reeds beschikte over het op 6 januari 2010 door de Chinese ambassade aan hem afgegeven Chinese paspoort. Dat de Chinese autoriteiten [appellant] dit paspoort hebben verstrekt op grond van de in de hukou vermelde persoonsgegevens en dat colleges van andere Nederlandse gemeenten een soortgelijk verzoek wel inwilligen, wat daar ook van zij, betekent niet dat het college gehouden was de persoonsgegevens van [appellant] in de brp te wijzigen. Het college heeft bij een verzoek tot wijziging van persoonsgegevens in de brp een eigen verantwoordelijkheid. Dat een vergelijkend dactyloscopisch onderzoek met gebruikmaking van de bij binnenkomst in Nederland bij [appellant] afgenomen vingerafdrukken niet mogelijk is, maakt dit niet anders. [appellant] heeft ter zitting van de Afdeling niet duidelijk kunnen maken waarmee de bij binnenkomst afgenomen vingerafdrukken kunnen worden vergeleken en waarom die vergelijking geleid zou hebben tot de conclusie dat de door [appellant] overgelegde documenten op hem betrekking hebben.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Beerse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016

382-816.