Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3047

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
201507411/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2014 heeft de minister het verzoek om nadeelcompensatie van Uptown Advertising afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/331 met annotatie van M.K.G. Tjepkema, J.H.M. Huijts
BA 2016/292
Gst. 2017/40 met annotatie van M.A.J. West
O&A 2017/10
JB 2017/18 met annotatie van B.S. ten Kate
JIN 2017/64 met annotatie van B.S. ten Kate
JOM 2016/1176
JOM 2017/685
OGR-Updates.nl 2016-0228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507411/1/A2.

Datum uitspraak: 16 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Uptown Advertising B.V., gevestigd te Heiloo,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 augustus 2015 in zaak nr. 14/4026 in het geding tussen:

Uptown Advertising

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2014 heeft de minister het verzoek om nadeelcompensatie van Uptown Advertising afgewezen.

Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft de minister het door Uptown Advertising daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 augustus 2015 heeft de rechtbank het door Uptown Advertising daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Uptown Advertising hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2016, waar Uptown Advertising, vertegenwoordigd door mr. M.W. van der Hulst en J.J. Kabel, en de minister, vertegenwoordigd door mr. ir. M.A. Drapers, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Uptown Advertising is eigenaar van een reclamemast, geplaatst langs Rijksweg A7. Uptown Advertising stelt schade te hebben geleden als gevolg van een geluidscherm dat na aanleg van een spitsstrook is geplaatst tussen de reclamemast en de A7. Het geluidscherm met een lengte van 800 meter en een hoogte van 3 meter belemmert het zicht op de reclamemast. In geschil is of de minister het verzoek om vergoeding van schade terecht heeft afgewezen op de grond dat de gestelde schade alleen het gevolg is van gemeentelijke besluiten op grond waarvan het geluidscherm is opgericht. Vraag is of de gestelde schade mede het gevolg is van feitelijk handelen in het kader van de uitoefening van een publiekrechtelijke taak door de minister.

standpunt van de minister

2. De minister heeft het verzoek om nadeelcompensatie van 14 januari 2013 van Uptown Advertising doorgezonden aan de colleges van burgemeester en wethouders van Zaanstad en Wormerland. De doorzending is in overleg met de colleges gebeurd. De minister heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de gestelde schade is te herleiden tot gemeentelijke besluitvorming. Het geluidscherm ligt op het grondgebied deels van de gemeente Wijdewormer en deels op dat van de gemeente Zaanstad.

Het college van burgemeester en wethouders van Wormerland heeft bij besluit van 19 april 2010 ontheffing en bij besluit van 23 maart 2011 bouwvergunning verleend voor de plaatsing van een geluidscherm langs de A7 te Wijdewormer. Bij besluit van 4 augustus 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad daartoe een projectbesluit genomen en bouwvergunning verleend.

3. Bij besluit van 23 juli 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wormerland het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Uptown Advertising heeft beroep ingesteld tegen de na bezwaar gehandhaafde afwijzing. Het college van burgermeester en wethouders van Zaanstad heeft nog geen beslissing genomen op het verzoek in afwachting van de uitkomst van de procedure bij de rechtbank. Vervolgens heeft Uptown Advertising de minister verzocht alsnog zelf op het verzoek te beslissen. Aan de afwijzing van het verzoek heeft de minister ten grondslag gelegd dat het geluidscherm niet is geplaatst op grond van het Wegaanpassingsbesluit Oostbaan A7 knooppunt Zaandam Purmerend-Zuid van 24 oktober 2006 (hierna: het wegaanpasingsbesluit). Dit besluit heeft de aanleg van de spitsstrook mogelijk gemaakt. De oprichting van het geluidscherm kan niet als een rechtstreeks gevolg aan dat besluit worden toegerekend, aldus de minister, nu dit besluit expliciet vermeldt dat een geluidscherm niet nodig is. Daaraan doet volgens de minister niet af dat Rijkswaterstaat het geluidscherm heeft geplaatst na het sluiten van een overeenkomst op 3 maart 2008 met de gemeente Zaanstad. De feitelijke plaatsing heeft zijn basis in de besluiten van de colleges. Dat de minister de geluidschermen mede heeft gefinancierd of daarbij belang zou hebben, betekent niet dat de gestelde schade daarmee het directe gevolg van het wegaanpassingsbesluit is.

aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde schade niet of niet rechtstreeks het gevolg is van het wegaanpassingsbesluit. Evenmin is de gestelde schade het gevolg van uit dat besluit voortvloeiende besluitvorming of uitvoeringshandelingen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de overeenkomst van 3 maart 2008 daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Dat rijkswaterstaat bij de bouw van het scherm als adviseur en uitvoerder heeft gefungeerd is daarvoor onvoldoende. Dat vloeit niet voort uit het wegaanpassingsbesluit, maar rechtstreeks uit de besluitvorming en opdrachten van de gemeente Zaanstad.

het hoger beroep

5. Uptown Advertising betoogt dat de rechtbank de strekking van de op 3 maart 2008 gesloten overeenkomst tussen de gemeente Zaanstad en Rijkswaterstaat heeft miskend. In die overeenkomst is niet alleen afgesproken dat Rijkswaterstaat langs de A7 een geluidscherm plaatst. Ook blijkt dat Rijkswaterstaat aanvrager is van de bouwvergunning, eigenaar wordt van het geluidscherm en zorgdraagt voor het beheer en onderhoud ervan. Rijkswaterstaat is als wegbeheerder ook verantwoordelijk voor het voorkomen van geluidhinder als gevolg van wegverkeer. Tot slot is volgens Uptown Advertising van belang dat de minister het geluidscherm grotendeels heeft gefinancierd en ook belang had bij plaatsing van het geluidscherm, omdat daarmee de noodzaak tot wijziging van het wegaanpassingsbesluit werd voorkomen.

beoordeling van het hoger beroep

6. In artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (hierna: de beleidsregel) is bepaald dat de minister degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toekent, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

7. Op grond van deze beleidsregel is het mogelijk dat de minister op verzoek een vergoeding toekent voor schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende taak. Dat de gestelde schade mede is te herleiden tot de besluiten van de colleges van 19 april 2010, 4 augustus 2010 en 23 maart 2011, op grond waarvan de plaatsing van het geluidscherm mogelijk is gemaakt, neemt niet weg dat Uptown Advertising ook het handelen de minister als schadeoorzaak heeft kunnen aanwijzen. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde schade alleen het directe gevolg is van de gemeentelijke besluiten. Schade kan meer dan één oorzaak hebben. Dat de gemeentelijke besluiten hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade, sluit dus niet uit dat het handelen van de minister dit evenzeer heeft gedaan.

Rijkswaterstaat ziet er als wegbeheerder bij het wijzigen, aanleggen en het dagelijks beheer van rijkswegen op toe dat het geluid binnen de wettelijk gestelde grenzen blijft. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 april 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD0628) het besluit van 9 juli 2007, waarbij het wegaanpassingsbesluit is gewijzigd, vernietigd. Bij dit besluit had de minister hogere grenswaarden vastgesteld en het aantal woningen met een hogere geluidbelasting gewijzigd. Door plaatsing van het geluidscherm ter hoogte van woonwijk ’t Kalf was de minister niet meer verplicht het wegaanpassingsbesluit opnieuw aan te passen. Ter zitting heeft de minister erkend dat hij in zoverre belang had bij plaatsing van het geluidsscherm. Uit de aanvraag van 27 november 2009 en het projectbesluit van 4 augustus 2010 blijkt dat Rijkswaterstaat aanvrager is van de vergunning voor het geluidscherm. Uit de overeenkomst tussen de gemeente Zaanstad en Rijkswaterstaat blijkt dat het Rijk het geluidscherm plaatst, eigenaar wordt van het geluidscherm en zorg draagt voor beheer en onderhoud hiervan. Niet in geschil is dat de minister het geluidscherm voor het grootste deel heeft gefinancierd. Onder deze omstandigheden dienen deze handelingen te worden begrepen als handelen op grond van een publiekrechtelijke taak. De minister heeft in zoverre aan de afwijzing van het verzoek niet ten grondslag mogen leggen dat de schade niet het gevolg is van de uitoefening door hem van een publiekrechtelijke taak of bevoegdheid.

Conclusie

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 21 augustus 2014 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Dat betekent dat de minister opnieuw dient te beslissen op het door Uptown Advertising gemaakte bezwaar.

9. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

10. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 augustus 2015 in zaak nr. 14/4026;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 21 augustus 2014, kenmerk RWS-2014/35578;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Uptown Advertising B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Uptown Advertising B.V. het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 825,00 (zegge: achthonderdvijfentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2016

299.