Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3045

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
201603923/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Wognum-Grietje Slagterlaan" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/334 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JG 2017/17 met annotatie van ing. W. Vos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603923/1/R6.

Datum uitspraak: 16 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Wognum, gemeente Medemblik,

en

1. de raad van de gemeente Medemblik,

2. het college van burgemeester en wethouders van Medemblik,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Wognum-Grietje Slagterlaan" vastgesteld.

Bij besluit van 12 april 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee woongebouwen voor starters en vergunninghouders.

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van het plan een besluit hogere waarden genomen.

De besluiten zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Op de zitting van 29 september 2016 is in overleg met partijen besloten om het onderzoek ter zitting op een andere datum te laten plaatvinden.

[appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2016, waar [appellant] en anderen, in persoon van [2 appellanten], en bijgestaan door [gemachtigden], en de raad en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. W. Smak en K. Koppenaal, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord Stichting De Woonschakel Westfriesland, vertegenwoordigd door A.B.N. Gieling.

Overwegingen

Algemeen

1. De bestreden besluiten maken de bouw mogelijk van twee gebouwen met drie bouwlagen voor in totaal 40 woningen ter plaatse van de voormalige tennisvelden aan de Grietje Slagterlaan te Wognum. De planregels maken sociale woningbouw mogelijk. Meer specifiek volgt uit de plantoelichting en een overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer, Stichting De Woonschakel Westfriesland, dat 16 woningen voor starters en 24 woningen voor vergunninghouders zijn bedoeld.

[appellant] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied en richten zich in beroep tegen het plan, de omgevingsvergunning en het besluit hogere waarden. Zij vrezen voor een vermindering van de leefbaarheid aan de voor autoverkeer doodlopende Grietje Slagterlaan.

2. Voor zover [appellant] en anderen ter zitting hebben betoogd dat het plan is achterhaald door het opnieuw toekennen van de bestemming "Sport" aan het plangebied in het bestemmingsplan "Dorpskernen IV" van 29 september 2016, is ter zitting vastgesteld dat het gewijzigd vastgestelde besluit daaromtrent geen betrekking heeft op de bij dit plan betrokken gronden. Het betoog faalt.

3. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte is gekozen om het plan gecoördineerd vast te stellen tezamen met de omgevingsvergunning en het besluit hogere waarden.

3.1. Exceptieve toetsing van een besluit van algemene strekking houdt in dat het besluit buiten toepassing blijft indien het in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit van algemene strekking betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten.

3.2. De Afdeling overweegt bij wijze van exceptieve toetsing dat de raad in redelijkheid heeft kunnen kiezen om het plan en de omgevingsvergunning en het besluit hogere waarden gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken. De besluiten strekken tot de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid als bedoeld in artikel 3.30 van de Wro. Het betoog van [appellant] en anderen dat de besluiten strekken tot uitvoering van een op het gemeentebestuur rustende wettelijke verplichting, te weten de verplichting om woningen voor vergunninghouders te realiseren, zodat de besluiten niet strekken tot verwezenlijking van vrij in te vullen gemeentelijk ruimtelijk beleid, faalt. De raad heeft immers beleidsvrijheid bij de wijze waarop hij aan deze verplichting vorm geeft, nog daargelaten of beleidsvrijheid voor de toepassing van artikel 3.30 is vereist.

4. [appellant] en anderen betogen dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) niet op het vaststellingsbesluit van toepassing is. Het plan komt volgens hen niet voor in de bijlagen bij de Chw. Voorts is niet in het bestreden besluit vermeld dat de Chw van toepassing is. Met deze beroepsgrond willen [appellant] en anderen bewerkstelligen dat artikel 1.6a van de Chw niet aan hen wordt tegengeworpen, zodat zij hun beroep nader kunnen onderbouwen.

4.1. Het plan voorziet in twee plandelen met de bestemming "Woongebied" met elk een aanduiding voor een bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor sociale huurwoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten.

Ingevolge lid 3.4, aanhef en onder a, wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor meer dan 40 woningen.

4.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge artikel 1.6a, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1, kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

In categorie 3, onder 3.1, van bijlage I van de Chw wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wro ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

Het bestreden besluit is vastgesteld krachtens artikel 3.1, eerste lid, van afdeling 3.1 van de Wro en het plan maakt de bouw van maximaal 40 woningen mogelijk, zodat afdeling 2, van hoofdstuk 1, van de Chw op dit besluit van toepassing is. Het betoog faalt.

4.3. Ingevolge artikel 11 van het Besluit uitvoering Chw wordt, indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.

Vaststaat dat de toepasselijkheid van de Chw is vermeld in de bekendmaking en het raadsvoorstel. In dit geval maakt het raadsvoorstel deel uit van het bestreden besluit. Derhalve is voldaan aan artikel 11 van het Besluit uitvoering Chw. Het betoog faalt.

4.4. Uit de toepasselijkheid van de Chw vloeit voort dat ingevolge artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Dit laat onverlet dat de aangevoerde beroepsgronden nog konden worden voorzien van nieuwe argumenten. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4003. [appellant] en anderen hebben overigens van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Het plan

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

6. [appellant] en anderen betogen dat de behoefte aan het plan onvoldoende is onderzocht. Hierbij voeren zij aan dat alternatieve locaties in beeld waren zoals de locatie Tripkouw te Midwoud. Voorts heeft het behoefteonderzoek betrekking op permanente woningen terwijl het plan voorziet in semi-permanente woningen.

6.1. In bijlage 1 bij de plantoelichting zijn nut en noodzaak van het plan onderbouwd. Over de locatie Tripkouw is vermeld dat deze minder of niet geschikt is vanwege het beperkte aanbod van voorzieningen en de lagere frequentie van openbaar vervoer in Midwoud dan in Wognum. Gelet hierop, en nu de doelgroep van het plan doorgaans niet over eigen vervoer beschikt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de locatie Tripkouw geen geschikt alternatief is. Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat de gemeente achterloopt op de gemeentelijke planningsopgave, zodat ook om die reden behoefte bestaat aan een nieuwe locatie.

Voorts is in de plantoelichting vermeld dat semi-permanente woningen zullen worden gebouwd. De raad heeft toegelicht dat het semi-permanente karakter uitsluitend ziet op de bouwwijze. Het is een manier om snel en flexibel in de onderzochte behoefte aan sociale huurwoningen te voorzien. De behoefte is permanent en de omgevingsvergunning is niet beperkt in duur. De manier van bouwen is voorts niet in de planregels vastgelegd.

Voor het overige hebben [appellant] en anderen geen redenen aangevoerd waarom de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op het behoefteonderzoek heeft kunnen baseren. Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 13 en artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV) in woningen buiten het bestaand bebouwd gebied voorziet.

7.1. Ingevolge artikel 1, onder v, van de PRV wordt onder landelijk gebied verstaan het gebied, niet zijnde bestaand bebouwd gebied (hierna: BBG).

Ingevolge artikel 9 wordt onder bestaand bebouwd gebied verstaan de bestaande of de bij een - op het moment van inwerkingtreding van de verordening - geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing, uitgezonderd bebouwing op agrarische bouwpercelen en kassen. Onder toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing wordt mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe woningbouw in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw indien:

a. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de provinciale woonvisie 2010-2020 (vastgesteld bij besluit van 27 september 2010, nr. 62) en de door het college van gedeputeerde staten en de regiogemeenten vastgestelde regionale actieprogramma’s;

b. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de door het college van gedeputeerde staten vastgestelde provinciale woningbouwmonitor en provinciale woningbouwprognose;

c. nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied en;

d. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

Artikel 15, eerste lid, stelt voor een bestemmingsplan dat voorziet in verstedelijking in het landelijk gebied ruimtelijke kwaliteitseisen en verwijst daarbij naar de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. De eisen hebben onder andere betrekking op landschapstypen, de bestaande dorpsstructuur, de openheid van het landschap, historische structuurlijnen en cultuurhistorische objecten.

Ingevolge het tweede lid dient de plantoelichting onder meer in te gaan op de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap.

Ingevolge het vierde lid wordt in het kader van de bestemmingsplanprocedure als bedoeld in het eerste lid de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies gevraagd over plannen met grote impact.

7.2. Vaststaat dat het plangebied bestaat uit voormalige tennisvelden die worden omgeven door BBG als bedoeld in artikel 2, onder v, van de PRV. Het voorheen geldende bestemmingsplan maakte ter plaatse bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk zoals dug-outs, een fietsenstalling, ballenvangers en lichtmasten. Gelet hierop is niet evident of het plangebied binnen of buiten BBG ligt. Weliswaar ligt het plangebied op de kaart bij de PRV buiten BBG, maar in de toelichting bij artikel 9 van de PRV is vermeld dat die kaart slechts illustratief is en bewust niet is genoemd in de tekst van de bepaling. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het plangebied formeel buiten BBG ligt, maar dat de inhoudelijke criteria voor bouwen buiten BBG zijn opgesteld ter bescherming van het open landschap en de karakteristieken van dorpsranden en daarom niet goed op het plan kunnen worden toegepast. Gelet op al het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om te bezien hoe het plan zich verhoudt tot de inhoudelijke criteria uit artikel 13 en 15 van de PRV.

7.3. Zoals volgt uit 6.1 komt bij de toetsing van het plan aan de provinciale woonvisie en het regionale actieprogramma geen bijzondere betekenis toe aan het beoogde semi-permanente karakter van de woningen. In zoverre is het plan niet in strijd met artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van de PRV.

Voorts heeft de raad, zoals onder 6.1 is overwogen, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen geschikte alternatieve locaties aanwezig zijn. Daardoor is niet gebleken dat het plan in strijd is met artikel 13, aanhef en onder c, van de PRV.

Ook voor het overige bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 13 van de PRV. Het betoog faalt.

7.4. Wat betreft het betoog dat de door het college van gedeputeerde staten verzochte nadere onderbouwing van het plan in verband met de ruimtelijke kwaliteitseisen niet is gekomen, overweegt de Afdeling dat de brief waarin het college van gedeputeerde staten daarom verzocht dateert van voor de terinzagelegging van het ontwerpplan. De raad heeft toegelicht dat de nadere onderbouwing in het ontwerpplan is verwerkt.

In de plantoelichting is beschreven wat de eigenschappen en kwaliteiten van het plangebied en de omgeving zijn en hoe daarmee is omgegaan. Zo is gekozen voor gesloten bouwblokken met de uitstraling van permanente bouw en het zoveel mogelijk behouden van het uitzicht van omwonenden. Verder is vermeld dat geen specifieke kernkwaliteiten aanwezig zijn als bedoeld in de lijst kernkwaliteiten van de dorpsstructuur. Het plangebied ligt in een gebied waar woongebouwen met drie tot vier bouwlagen en grondgebonden woningen voorkomen. De nieuwbouw past hier wat betreft bouwvorm en schaal goed bij, aldus de plantoelichting. Voorts is een Archeologische Quickscan uitgevoerd. Hierin is geconcludeerd dat er vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen zijn voor het bestemmingsplan.

Ten aanzien van het betoog dat het plan ten onrechte niet aan de ARO is voorgelegd, wordt overwogen dat artikel 15, vierde lid, van de PRV dat slechts vereist in geval van plannen met grote impact. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

Voor het overige hebben [appellant] en anderen in het beroepschrift noch ter zitting aangegeven op welke punten het plan in strijd is met de ruimtelijke kwaliteitseisen. Het betoog dat het plan in strijd is met artikel 15 van de PRV faalt.

7.5. Gelet op het vorenstaande faalt het betoog dat het plan in strijd is met de PRV. Voor dat oordeel is niet bepalend of het plangebied binnen of buiten BBG ligt. Derhalve behoeft voor de beoordeling van het voorliggende geschil niet te worden beoordeeld of het plan binnen of buiten BBG ligt.

8. [appellant] en anderen betogen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun nu de gemeente de inrichting van het openbare gebied en eventuele planschade voor haar rekening neemt. Ook zijn de gronden onder de werkelijke waarde aan initiatiefnemer verkocht.

8.1. Daargelaten of sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun door de gemeente, hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. Gelet hierop, en de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1077, bestaat in de eventueel ongeoorloofde staatssteun geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

Aan beantwoording van de vraag of de normen waarop [appellant] en anderen zich in zoverre beroepen strekken tot bescherming van hun belangen en of het relativiteitsvereiste hen moet worden tegengeworpen, wordt niet toegekomen.

9. [appellant] en anderen vrezen dat het plan een verslechtering van het woon- en leefklimaat met zich brengt. In dit verband betogen zij dat 40 nieuwe wooneenheden een te groot aantal is gelet op het bestaande aantal woningen, de beperkte omvang van het plangebied en het karakter van de Grietje Slagterlaan als een doodlopende weg. Voorts ligt er reeds een sociale druk op de wijk vanwege de daar gevestigde maatschappelijke voorzieningen. [appellant] en anderen vrezen voor een toename van deze druk als gevolg van het plan, nu de wooneenheden grotendeels zijn bedoeld voor vergunninghouders, die nog hun plek in de maatschappij moeten vinden en veelal geen vast dagprogramma hebben. Om die reden had het in de rede gelegen om te kiezen voor spreiding van de vergunninghouders over een groter gebied, aldus [appellant] en anderen.

9.1. Het plan voorziet in een bouwvlak van ongeveer 430 m2 en een bouwvlak van ongeveer 630 m2. Gelet op de bouwhoogte van 10 m en de drie toegestane bouwlagen voorziet het plan in ongeveer bruto 3180 m2 vloeroppervlakte. Met de 40 toegestane appartementen is dat gemiddeld 80 m2 per appartement, al wordt die oppervlakte nog verkleind door aftrek voor niet voor bewoning bedoelde ruimtes en bouwkundige voorzieningen.

Gelet op de aard van de omgeving, waaronder de bestaande woningdichtheid en bouwhoogte in de omgeving, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorziene aantal wooneenheden in de omgeving past. Voorts grenst het plangebied behalve aan de Grietje Slagterlaan ook aan het Sweelinckhof op de omgeving. Daargelaten of het plan leidt tot enige sociale druk zal deze worden verspreid over een groter gebied dan alleen de Grietje Slagterlaan. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat aan de Grietje Slagterlaan. Voor zover [appellant] en anderen vrezen voor overlast, is dat een handhavingskwestie die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

10. [appellant] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar bodemverontreiniging. Hierbij voeren zij aan dat ten onrechte pas na de vaststelling van het plan een nader bodemonderzoek heeft plaatsgevonden en dat zij het rapport daarvan ten onrechte niet toegestuurd hebben gekregen. Voorts heeft volgens hen onvoldoende onderzoek plaatsgevonden naar een goed woon- en leefklimaat in verband met veiligheidsrisico’s.

10.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75, volgt dat de toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) met zich brengt dat ten aanzien van beroepsgronden die betrekking hebben op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, zoals de normen neergelegd in de Wet bodembescherming, wordt bezien of de in zoverre ingeroepen norm strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De normen uit de Wet bodembescherming strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem.

Uit het beroepschrift van [appellant] en anderen blijkt dat zij uitsluitend het oog hebben op de kwaliteit van de bodem van het plangebied en niet op die ter plaatse van hun eigen woningen. Voor zover zij ter zitting hebben betoogd dat het vervoer van afgegraven grond een verspreidingsrisico met zich brengt, is gebleken dat de ontsluitingsroute niet langs hun woningen loopt. De bepalingen van de Wet bodembescherming strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen.

10.2. Hetzelfde geldt voor het betoog dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied in verband met veiligheidsrisico’s niet is verzekerd. De Afdeling verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:638.

11. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Conclusie

12. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen het plan, ongegrond.

13. [appellant] en anderen hebben ter onderbouwing van hun beroep tegen de verleende omgevingsvergunning en het besluit hogere waarden geen andere beroepsgronden aangevoerd dan de beroepsgronden die zijn ingediend tegen het plan. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte de omgevingsvergunning en het besluit hogere waarden heeft vastgesteld.

Het beroep, voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning en het besluit hogere waarden, is eveneens ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

15. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Hupkes

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2016

635.