Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
201601057/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover hier van belang, bepaald dat [appellant] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601057/1/A2.

Datum uitspraak: 16 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 december 2015 in zaak nr. 15/3589 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover hier van belang, bepaald dat [appellant] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2013.

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. [appellant] maakte in 2013 voor zijn drie kinderen [kind A], [kind B] en [kind C] gebruik van kinderopvang via gastouderbureau [gastouderbureau]. Daarvoor heeft hij kinderopvangtoeslag aangevraagd en vervolgens die toeslag in de vorm van voorschotten ontvangen. Na controle is het voorschot bij het in het procesverloop vermelde besluit van 8 november 2014 stopgezet.

Bij het besluit op bezwaar van 9 juni 2015 is de Belastingdienst/Toeslagen in zoverre tegemoetgekomen aan het bezwaar van [appellant], dat alsnog over 2013 voor de kosten van opvang van [kind A] en [kind B] kinderopvangtoeslag wordt toegekend, maar voor de kosten van opvang van [kind C] niet. Volgens de dienst is er voor het toeslagjaar 2013 voor de opvang van [kind C] geen overeenkomst opgesteld en komt [appellant] daarom niet in aanmerking voor een kinderopvangtoeslag over 2013 voor de kosten van de opvang van [kind C].

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] overgelegde overeenkomst niet voldoet aan de vereisten van artikel 1.52, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp), gelezen in samenhang met artikel 11, derde lid, van de Regeling Wkkp (hierna: de Regeling), nu daarin de naam, de geboortedatum, het adres, de postcode en de woonplaats van [kind C], evenals het aantal uren opvang voor [kind C], ontbreken. Reeds hierom heeft [appellant] over het jaar 2013 geen recht op kinderopvangtoeslag voor de kosten van kinderopvang van [kind C]. Aan beantwoording van de vraag of [appellant] heeft aangetoond dat hij alle kosten heeft betaald, komt de rechtbank daarom niet toe.

3. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de opvang van [kind C] niet heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1.52 van de Wkkp. Hij voert daartoe aan dat uit artikel 5 van de tussen hem en het gastouderbureau gesloten overeenkomst volgt dat deze ook van toepassing is op [kind C]. Hij mocht erop vertrouwen dat het sluiten van een afzonderlijke overeenkomst voor de opvang van [kind C] niet noodzakelijk was. De administratie van het gastouderbureau bevat alle in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling genoemde gegevens, waaronder urenlijsten, maandfacturen en jaaropgaven en deze gegevens hebben specifiek betrekking op de opvang van [kind C]. [kind C] is door tussenkomst van het gastouderbureau in 2013 daadwerkelijk en onbetwist opgevangen door de gastouders. Het is onder die omstandigheden in strijd met de redelijkheid dat hem de kinderopvangtoeslag ten behoeve van [kind C] is ontzegd, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp, geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), voor zover hier van belang, verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraken van 19 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8568 en van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4381) bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, thans artikel 1.52 van de Wkkp, de basis voor de opvang vormt. Ingevolge deze bepaling, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de Awir, moet degene die aanspraak op de toeslag maakt aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder van een gastouderbureau aantonen dat de opvang krachtens zodanige overeenkomst plaatsvindt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1563), valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling af te leiden dat aan de hand van de in deze bepaling vermelde gegevens, moet kunnen worden onderzocht of de aanspraak van de ouder op en de hoogte van de overheidsbijdrage overeenkomt met de overeenkomst die de ouder heeft gesloten. Dit betekent dat de ouder, om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken, inzicht dient te geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de kinderopvang door een overeenkomst over te leggen, waaruit die afspraken blijken. Gelet hierop, dient de overeenkomst, bedoeld in artikel 1.52 van de Wkkp, anders dan [appellant] stelt, in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, te bevatten, zoals de rechtbank ook heeft overwogen.

3.3. De door [appellant] overgelegde overeenkomst is aangegaan op 28 december 2012 voor onbepaalde tijd en heeft als ingangsdatum 1 januari 2013. In artikel 2 van die overeenkomst is bepaald dat de inspanningsverplichting als bedoeld in de overeenkomst betrekking heeft op de kinderen [kind A] en [kind B], voor 150 gewenste uren per maand. Ingevolge artikel 5 van de overeenkomst valt, ingeval de ouder in de toekomst meerdere van zijn kinderen wenst te laten opvangen door de gastouder die de opvang verzorgt van het in artikel 2 vermelde kind, de opvang van die kinderen dan onder de werking van deze bemiddelingsovereenkomst zonder dat daar een nadere overeenkomst voor noodzakelijk is.

3.4. In de door [appellant] overgelegde overeenkomst ontbreken de naam van [kind C], het aantal gewenste uren gastouderopvang voor hem en het tarief. Deze overeenkomst voldoet daarmee wat betreft de opvang van [kind C] niet aan de in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling gestelde vereisten. Dit betekent dat deze niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst als bedoeld in artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp die de basis vormt voor de gastouderopvang van [kind C]. Dat in artikel 5 van de overeenkomst is vermeld dat indien de ouder in de toekomst meerdere kinderen wenst op te vangen, dit kind onder dezelfde overeenkomst valt en het niet nodig is om een nieuwe overeenkomst af te sluiten, betekent niet dat de overeenkomst wat betreft de opvang van [kind C] voldoet aan de vereisten. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat nu [kind C] niet voorkomt op de overeenkomst, het niet duidelijk is per welke datum er opvang zou plaatsvinden, hoeveel uren gastouderopvang zouden worden afgenomen en tegen welk tarief. Aldus is er geen inzicht gegeven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de opvang van [kind C]. Dat de ontbrekende gegevens blijken uit andere stukken, waaronder de jaaropgaven, urenlijsten en facturen, zoals door [appellant] is gesteld, betekent niet dat de overeenkomst moet worden geacht de benodigde gegevens te bevatten. De overeenkomst zelf voldoet daarmee immers nog niet aan de eisen die de wet stelt. Evenmin mocht [appellant] erop vertrouwen dat de overeenkomst daaraan zou voldoen.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de beantwoording van de vraag of hij heeft aangetoond dat hij de kosten ten behoeve van de opvang van [kind C] daadwerkelijk heeft betaald. Hij voert daartoe aan dat de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat ingeval [appellant] had aangetoond dat hij contante betalingen heeft gedaan van in totaal € 3.039,62 aan de gastouder, het gebrek in de overeenkomst zou worden gepasseerd. Daaruit blijkt ondubbelzinnig dat de Belastingdienst/Toeslagen aan hem in feite tegenwerpt dat hij de contante betalingen niet heeft aangetoond. Nu dit niet uit het besluit op bezwaar blijkt, mocht hij erop vertrouwen dat hij het doen van de contante betalingen genoegzaam heeft aangetoond en dat de dienst daarop achteraf niet mocht terugkomen. Ingeval hij daar niet op mocht vertrouwen, is de rechtbank buiten de omvang van het geschil getreden door zich te onthouden van een oordeel over de betalingen, aldus [appellant].

4.1. Aan het besluit op bezwaar heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat de gastouderopvang van [kind C] heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst. Daaraan ligt niet ten grondslag dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de kosten van kinderopvang van [kind C] heeft betaald. Dit besluit lag bij de rechtbank ter beoordeling voor. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht slechts getoetst of de gastouderopvang van [kind C] in 2013 heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1.52 van de Wkkp. Dat de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat de dienst de gebreken in de overeenkomst wellicht zou hebben gepasseerd ingeval [appellant] zou hebben aangetoond dat hij alle kosten daadwerkelijk heeft betaald, maakt het voorgaande niet anders. Deze verklaring moet worden opgevat als een nadere toelichting op de wettelijke vereisten om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag. Hiermee heeft de Belastingdienst/Toeslagen de grondslag van het besluit op bezwaar niet gewijzigd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht aan beantwoording van de vraag of [appellant] heeft aangetoond dat hij de door hem gestelde kosten van opvang van [kind C] in 2013 daadwerkelijk heeft voldaan, terecht niet toegekomen. Aan hetgeen [appellant] in hoger beroep over de betalingen van de kosten van kinderopvang van [kind C] en het vertrouwensbeginsel heeft aangevoerd, wordt evenmin toegekomen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Nales

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2016

680.