Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
201508589/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft het college aan [appellante] een milieu-omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een garagebedrijf met tankstation op het perceel [locatie 1] te Laren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2017/6548
JOM 2016/1168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508589/1/A1.

Datum uitspraak: 16 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Laren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2015 in zaak nr. 13/2911 in het geding tussen:

[partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Laren.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft het college aan [appellante] een milieu-omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een garagebedrijf met tankstation op het perceel [locatie 1] te Laren.

Bij uitspraak van 13 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[partij] heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201508591/1/A1, ter zitting behandeld op 15 augustus 2016, waar [partij], vertegenwoordigd door haar [directeur], is verschenen. Voorts is ter zitting het college, vertegenwoordigd door mr. F.R.M. van Lent, werkzaam bij BEL combinatie, verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. [appellante] exploiteert een garagebedrijf met een onbemand tankstation op het perceel [locatie 1] te Laren. Zij huurt het perceel van [partij], die ook eigenaar is van de percelen [locatie 2] en [locatie 3] en de daarop aanwezige opstallen. Op die percelen bevinden zich drie woningen, waarvan één met rieten dak, opslagruimte en kantoorruimte, die zijn verhuurd aan derden. Op korte afstand van de afleverzuil van het tankstation bevindt zich een kantoorgebouw (Zevenend 33E).

De rechtbank heeft het besluit van 18 februari 2013 vernietigd omdat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de brandveiligheid en ontoereikend heeft gemotiveerd dat de vergunning uit een oogpunt van gevaarsaspecten kon worden verleend. [appellante] bestrijdt dit oordeel.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de brandveiligheid ten onrechte is uitgegaan van een incident bij het lossen van de tankauto, zoals een breuk in de losslang. In die situatie zou een plasbrand kunnen optreden van maximaal 32 m2. Volgens [appellante] moet worden uitgegaan van een incident tijdens het tanken van motorvoertuigen, in welke situatie een plasbrand van 1 m2 (bij een goed functionerende afvoerput) tot 11 m2 (bij een verstopte afvoerput) zou optreden. Zij wijst in dit verband op vergunningvoorschrift 5.2.2, waarin is bepaald dat bij het lossen van de tankauto direct bij de tankauto toezicht wordt gehouden. Verder wijst zij erop dat, wat de procedure voor het lossen van een tankauto betreft, geen onderscheid moet worden gemaakt tussen een bemand en onbemand tankstation.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:882) moeten bij de beoordeling van de brandveiligheid van een tankstation de effecten van een incident met de tankauto worden betrokken, nu de effecten van dit scenario groter kunnen zijn dan de effecten van een incident bij het tanken van een motorvoertuig bij de afleverzuil. Dit geldt voor zowel een bemand als een onbemand tankstation. Dat bij het lossen van de tankauto toezicht wordt gehouden maakt niet dat het optreden van een incident bij die activiteit kan worden uitgesloten, zodat alleen zou moeten worden uitgegaan van een incident bij het tanken van een motorvoertuig.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de warmtebestraling op de rieten kap van de woning [locatie 2] kan leiden tot brandoverslag. Nu de warmtestraling minder dan 15 kW/m2 bedraagt, behoeft volgens haar voor brandoverslag niet te worden gevreesd. Daarbij komt dat de eigenaar van deze woning zelf heeft gekozen voor materiaal dat eerder ontbrandt dan een pannendak en derhalve - en ook op grond van het Bouwbesluit - zelf brandwerende maatregelen dient te nemen, aldus [appellante].

3.1. Het college dient bij de beoordeling van het brandgevaar uit te gaan van de feitelijke situatie. Dit betekent dat het college rekening moet houden met de specifieke kenmerken van de omgeving, zoals een rieten dakbedekking van een nabijgelegen huis. Daarbij mag het college er in beginsel van uitgaan dat de rieten dakbedekking voldoet aan de daarvoor in het Bouwbesluit gestelde eisen.

Het college heeft bij de beoordeling van de brandveiligheid een norm voor warmtestralingsbelasting gehanteerd van 15 kW/m2. Het college heeft daarbij geen onderscheid gemaakt naar het type dakbedekking van de verschillende nabijgelegen woningen.

De rechtbank heeft haar oordeel dat onvoldoende onderzoek is verricht naar mogelijke brandoverslag naar de rieten kap van de woning [locatie 2] gebaseerd op het deskundigenverslag van de Stichting advisering bestuursrechtspraak van 5 december 2014, dat in het kader van de beroepsprocedure bij de rechtbank is uitgebracht.

In het deskundigenverslag is het volgende vermeld.

De woning [locatie 2] ligt buiten de warmtestralingscontour van 15 kW/m2; aannemelijk is dat de warmtestralingsbelasting ongeveer 13 kW/m2 bedraagt. Het algemene uitgangspunt is dat bij een belasting van 15 kW/m2 of minder geen brandoverslag plaatsvindt. Dit uitgangspunt geldt voor massief onbewerkt hout. Bij gelijke blootstelling aan warmtestraling zal een brand eerder overslaan naar een rieten kap dan naar een gevel van massief hout. In zoverre bestaat er in dit geval aanleiding om bij de beoordeling van het risico van brandoverslag rekening te houden met de rieten kap op de woning, aldus het deskundigenbericht.

[appellante] heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aan de juistheid van het deskundigenbericht moet worden getwijfeld en de rechtbank zich derhalve niet daarop had mogen baseren. Dit betekent dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de brandoverslag naar de rieten kap van de woning [locatie 2].

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt dat - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - de kantoor- en opslagruimten boven de showroom van het garagebedrijf tot haar inrichting behoren en daaraan derhalve geen bescherming toekomt.

4.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

4.2. De desbetreffende kantoor- en opslagruimten bevinden zich boven de showroom van de garage van [appellante] en worden door [partij] verhuurd aan [bedrijf].

[bedrijf] is een zelfstandig bedrijf. Er is geen sprake van een gemeenschappelijke exploitatie of andere organisatorische bindingen. [appellante] heeft geen zeggenschap over [bedrijf]. Gelet hierop kan niet worden gesproken van eenzelfde onderneming of instelling. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen sprake is van één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dat - zoals [appellante] stelt - gebruik wordt gemaakt van een gezamenlijke nutsvoorzienig en van dezelfde inrit, is onvoldoende om beide bedrijven als één inrichting aan te merken.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt dat het college bij de beoordeling van de brandveiligheid ten onrechte is uitgegaan van de situatie dat de afvoerput op het terrein van de inrichting verstopt is.

5.1. Dit betoog heeft [appellante] eveneens aangevoerd in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2015 in zaak nr. 13/2908, waarbij haar beroep tegen het besluit van 18 februari 2013 ongegrond is verklaard. De Afdeling heeft bij uitspraak van heden in zaak nr. 201508591/1/A1 dat hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Onder verwijzing naar overweging 2.2 van de uitspraak van heden, oordeelt de Afdeling dat dit betoog slaagt.

Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, aangezien uit de overwegingen 2 tot en met 4.2 volgt dat de rechtbank het besluit van 18 februari 2013 terecht heeft vernietigd.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2016

190.