Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
201506377/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2009 definitief vastgesteld op nihil.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1165
JGROND 2018/132 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2017/132 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506377/1/A2.

Datum uitspraak: 16 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2015 in zaken nrs. 15/125 en 15/126 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2009 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 27 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 11 februari 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 27 mei 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2015 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 27 november 2014 en 16 december 2014 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 2 juni 2016 heeft de Afdeling schriftelijke vragen aan de Belastingdienst/Toeslagen gesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze vragen bij brief van 1 juli 2016 beantwoord.

Bij brief van 6 juli 2016 heeft de Afdeling [appellante] verzocht schriftelijk mede te delen of zij het hoger beroep wenst in te trekken.

[appellante] heeft hierop bij brief van 18 juli 2016 gereageerd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.H.G. [gemachtigde], advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam voor de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft van januari tot en met juli 2008 voor haar twee kinderen gebruik gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau A] en van september tot en met december 2008 en geheel 2009 van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau B]. [appellante] heeft hiervoor voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van kinderopvang heeft betaald.

2. Ter zitting heeft [appellante] haar hoger beroep, voor zover dat betrekking heeft op het toeslagjaar 2008, ingetrokken, omdat de Belastingdienst/Toeslagen haar, naar aanleiding van de brief van de Afdeling van 2 juni 2016, op dit punt geheel tegemoet is gekomen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte uitspraak heeft gedaan zonder haar te horen. Zij was op 25 juni 2015 tijdig aanwezig bij de rechtbank. Haar [gemachtigde] had zich gemeld bij de bode in het gebouw waar doorgaans zittingen worden gehouden. Daar is hem te kennen gegeven dat de zitting in een ander gebouw werd gehouden. De zitting is om 11:00 uur aangevangen, zonder [appellante] en [gemachtigde]. Toen [gemachtigde] daar aankwam, had de rechtbank het onderzoek ter zitting reeds gesloten. De rechtbank heeft diens verzoek om alsnog stukken, waaronder een pleitnota, over te leggen, afgewezen. De rechtbank heeft door aldus te handelen in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor gehandeld, aldus [appellante].

3.1. Het was aan [gemachtigde] om tijdig te verschijnen op de locatie waar de zitting in de zaak van zijn cliënte, [appellante], zou worden gehouden. [gemachtigde] had er rekening mee moeten houden dat de zitting ergens anders werd gehouden dan op de locatie waar hij kennelijk doorgaans zittingen bijwoont. In de brief waarbij [appellante] is uitgenodigd voor de behandeling van haar zaak ter zitting is het adres Wilhelminaplein 100-125 te Rotterdam vermeld. Dat [gemachtigde] zich uit gewoonte op de verkeerde locatie heeft gemeld, komt voor zijn rekening en daarmee ook voor rekening van [appellante]. Het kan de rechtbank voorts niet worden verweten dat de zitting op de aangekondigde tijd is aangevangen. Evenmin kan haar worden verweten dat zij toen [gemachtigde] alsnog, maar na sluiting van het onderzoek ter zitting, op de juiste locatie was aangekomen geen stukken meer wilde aannemen. Er bestaat dan ook geen grond de aangevallen uitspraak te vernietigen, omdat de rechtbank in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor zou hebben gehandeld.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat zij voor het jaar 2009 alle kosten van kinderopvang heeft betaald en dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag voor dat jaar daarom terecht op nihil heeft gesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft haar niet kenbaar gemaakt dat zij zelf kosten van kinderopvang diende te betalen en dat zij dit ook zou moeten kunnen aantonen. Verder heeft zij voldoende stukken overgelegd om aan te tonen dat zij kosten van kinderopvang heeft gehad, aldus [appellante].

4.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Awir van toepassing.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

4.2. Zoals de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling met juistheid heeft overwogen, volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7 van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte van die kosten zijn (zie onder andere de uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1610). Dit betekent dat het aan de vraagouder is om een deugdelijke administratie van de betalingen in het kader van de opvang bij te houden. Dat [appellante] dit niet wist, zoals zij stelt, komt voor haar rekening.

[appellante] heeft een jaaropgave van [gastouderbureau B] overgelegd, waaruit blijkt dat de totale kosten van kinderopvang in 2009 € 11.224,00 bedroegen. Uit de door [appellante] overgelegde bankafschriften blijkt voorts dat [appellante] in totaal € 2.546,60 aan [gastouderbureau B] heeft betaald. Verder heeft [appellante] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij kosten van kinderopvang heeft gehad. [appellante] kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat, aangezien de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag heeft gestort op een gezamenlijke bankrekening van haar en de gastouder, haar moeder, dit als betalingen aan de gastouder moeten worden beschouwd. Zoals de Belastingdienst/Toeslagen terecht heeft aangevoerd, had [appellante] ook zelf de volledige beschikking over deze rekening. Uit de aangifte inkomstenbelasting over 2009 van de gastouder kan evenmin worden afgeleid dat [appellante] kosten van kinderopvang heeft gehad, omdat uit die aangifte niet blijkt dat de gastouder betalingen van [appellante] heeft ontvangen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij voor het jaar 2009 alle kosten van kinderopvang heeft betaald.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2009 niet op nihil heeft kunnen stellen, nu duidelijk is dat zij in elk geval € 2.546,60 aan [gastouderbureau B] heeft betaald. Aangezien eerst aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat als alle kosten van kinderopvang zijn betaald en, zoals hiervoor is overwogen, [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten voor het jaar 2009 heeft betaald, heeft [appellante] voor dat jaar geheel geen aanspraak op kinderopvangtoeslag.

6. Nu [appellante] geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft over 2009, behoeft hetgeen zij over de aan de opvang ten grondslag liggende overeenkomst heeft aangevoerd geen bespreking.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Omdat de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] tegemoet is gekomen voor het toeslagjaar 2008, zal de Afdeling de dienst veroordelen in de door [appellante] gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 293,00 (zegge: tweehonderddrieënnegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2016

735.