Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3020

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
201602064/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:614, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2015 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om zijn geslachtsnaam te wijzigen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2017/4989
FJR 2017/18.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602064/1/A3.

Datum uitspraak: 16 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2016 in zaak nr. 15/7632 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2015 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om zijn geslachtsnaam te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 14 oktober 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 8 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2016, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. V.N. Chaudron, werkzaam bij de Dienst Justis van het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) wordt de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger gewijzigd, indien de naam op zichzelf of in verband met het beroep, de maatschappelijke positie of een persoonlijke hoedanigheid van de betrokkene kennelijk onwelvoeglijk of bespottelijk is.

2. [appellant] heeft een aanvraag om naamswijziging ingediend, omdat hij zijn geslachtsnaam, wegens de betekenis van het woord '[…]' in het Sarnami Hindoestani, kennelijk bespottelijk vindt. [appellant] maakt deel uit van de Surinaams-hindoestaanse gemeenschap in Nederland. In deze gemeenschap wordt het Sarnami Hindoestani gesproken. Als kind is hij vaak met zijn geslachtsnaam gepest en hij wil voorkomen dat zijn onlangs geboren dochter hetzelfde overkomt, aldus [appellant].

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft getoetst of zijn geslachtsnaam op zichzelf bezien kennelijk bespottelijk is [appellant] voert daartoe aan dat de rechtbank had moeten toetsen of zijn geslachtsnaam in verband met zijn persoonlijke hoedanigheid als lid van de Surinaams-hindoestaanse gemeenschap in Nederland kennelijk bespottelijk is.

3.1. Het besluit van 14 oktober 2015 vermeldt dat het besluit van 11 september 2015 wordt gehandhaafd, omdat de geslachtsnaam [appellant], in verband met de persoonlijke hoedanigheid van [appellant] en naar objectieve maatstaven bezien, niet bespottelijk is.

3.2. De omstandigheid dat de rechtbank in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak bij de weergave van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit alleen heeft vermeld dat de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek wordt gewijzigd, indien de naam op zichzelf kennelijk bespottelijk is, laat onverlet dat de rechtbank heeft getoetst of de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de geslachtsnaam [appellant], uitgaande van de door [appellant] gestelde betekenis van het woord '[…]' in het Sarnami Hindoestani, kennelijk bespottelijk is. In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat de gestelde betekenis van dat woord niet per se negatief is en dat de enkele omstandigheid dat dat woord ook een negatieve betekenis kan hebben, onvoldoende is om de geslachtsnaam [appellant] als kennelijk bespottelijk aan te merken. Gelet hierop is de rechtbank bij haar toetsing niet voorbijgegaan aan de betekenis van het woord '[…]' in het Sarnami Hindoestani en de omstandigheid dat [appellant] deel uitmaakt van de Surinaams-hindoestaanse gemeenschap in Nederland.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, indien het woord '[…]' in het Sarnami Hindoestani vluchteling betekent, de betekenis van dit woord niet zonder meer negatief is [appellant] voert daartoe in de eerste plaats aan dat van de juistheid van de door hem gestelde betekenis van het woord '[…]' moet worden uitgegaan. Daartoe wijst hij op door hem gemarkeerde woorden in het 'Beknopt Nederlands-Sarnami Hindoestani woordenboek' van het in Paramaribo gevestigde Instituut voor Taalwetenschap (hierna: het woordenboek) en op een door hem op schrift gestelde vervoeging van het werkwoord vluchten in het Sarnami Hindoestani, welke vervoeging is geaccordeerd door [persoon], een pandit die naar gesteld Hindi en Sarnami Hindoestani heeft gestudeerd. In de tweede plaats voert [appellant] aan dat de betekenis van het werkwoord vluchten of ontvluchten in het Sarnami Hindoestani zeer agressief en denigrerend is en dat leden van de Surinaams-hindoestaanse gemeenschap in Nederland geen enkele positieve associatie bij zijn geslachtsnaam hebben. In feite wordt het woord '[…]' in de Surinaams-hindoestaanse gemeenschap als een scheldwoord gebruikt. De bespottelijkheid van zijn geslachtsnaam zou door een ieder die deze geslachtsnaam zou dragen, kunnen worden gevoeld, aldus [appellant].

4.1. Gezien hetgeen de Afdeling eerder (onder meer de uitspraak van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3599) heeft overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en de nota van toelichting bij het Besluit, voortvloeit dat beoogd is de maatstaf 'bespottelijk' te objectiveren. Naamswijziging kan niet worden verkregen uitsluitend op basis van het oordeel of gevoel van de betrokkene zelf. De onwelvoeglijkheid of bespottelijkheid moet door een ieder, als hij deze geslachtsnaam zou hebben, zo gevoeld kunnen worden.

4.2. [appellant] heeft in het woordenboek de woorden 'bhaage', als enige betekenis van het werkwoord vluchten en als tweede betekenis van het werkwoord ontvluchten, '[…]', als enige betekenis van het zelfstandig naamwoord vluchteling, en 'oe', als betekenis van het persoonlijk voornaamwoord hij, gemarkeerd. [appellant] heeft in de door hem op schrift gestelde vervoeging van het werkwoord vluchten het woord 'gevlucht' gemarkeerd in de zin van 'hij is gevlucht, dat hij heeft vertaald als 'wo bhagel'.

4.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van [appellant] geen objectieve gronden in de hiervoor onder 4.1 bedoelde zin bestaan om zijn geslachtsnaam bespottelijk te achten. Het woordenboek noch de door [appellant] op schrift gestelde vervoeging van het werkwoord vluchten, maakt melding van het woord '[…]'. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat de betekenis daarvan vluchten of ontvluchten is, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat deze betekenis zodanig agressief of denigrerend is. Datzelfde geldt ten aanzien van de stelling dat het woord '[…]', gezien zijn betekenis, als een scheldwoord moet worden aangemerkt. In de omstandigheid dat [appellant] als kind met zijn geslachtsnaam is gepest, hoe betreurenswaardig dat ook is, ligt derhalve geen objectieve grond voor het oordeel dat zijn geslachtsnaam bespottelijk is in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit. Dat zijn geslachtsnaam geen positieve associaties bij leden van de Surinaams-hindoestaanse gemeenschap in Nederland oproept, is, wat daarvan ook zij, niet bepalend bij de beoordeling of een geslachtsnaam kennelijk bespottelijk is.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2016

610.