Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201607261/1/A3 en 201607261/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2016 heeft het college geweigerd [appellant] op diens aangeven (hierna: de aanvraag) in te schrijven op het briefadres [locatie] te Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module BRP 2017/1190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607261/1/A3 en 201607261/2/A3.

Datum uitspraak: 4 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], woonplaats kiezend te Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 21 september 2016 in zaak nrs. 16/5359 en 16/5360 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2016 heeft het college geweigerd [appellant] op diens aangeven (hierna: de aanvraag) in te schrijven op het briefadres [locatie] te Rotterdam.

Bij besluit van 25 juli 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 oktober 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C. Lekkerkerker, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. [appellant] is sinds juli 2014 gedetineerd in Frankrijk. Hij zal nog tot augustus 2018 zijn detentie moeten uitzitten in Frankrijk. Naar aanleiding van een adresonderzoek op initiatie van de Directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is [appellant] op 21 maart 2016 door het college opgenomen in het Register Niet Ingezetenen. Op 13 januari 2016 heeft [appellant] een aanvraag ingediend bij het college ter verkrijging van een briefadres.

3. Ingevolge artikel 2.40, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) kan degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid, in afwijking van de artikelen 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder c, kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft: penitentiaire instellingen.

Ingevolge 2.43, eerste lid, doet de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.

Ingevolge artikel 19 van de Regeling basisregistratie personen worden als penitentiaire instellingen als bedoeld in artikel 2.40, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet brp, aangewezen: de inrichtingen die door de minister van Veiligheid en Justitie zijn bestemd voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeneming, niet zijnde inrichtingen als bedoeld in artikel 18.

Volgens artikel 5 van de Regeling briefadres gemeente Rotterdam 2015 (hierna: de beleidsregel) is het niet mogelijk om ingeschreven te worden op een briefadres, indien:

(…)

b. de aanvrager langer dan acht maanden gedurende één jaar in het buitenland verblijft en niet beroepshalve varend is op een schip dat zijn thuishaven in Nederland heeft;

(…).

Volgens artikel 8 kan worden afgeweken van het bepaalde in deze regeling als vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in deze regeling zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat is gebleken dat [appellant] sinds juli 2014 gedetineerd is in Frankrijk en een penitentiaire instelling in Frankrijk geen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen instelling is waarbij in plaats van het woonadres een briefadres kan worden gekozen.

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet bevoegd is om de aanvraag toe te wijzen, omdat [appellant] twee derde van het jaar buiten Nederland verblijft, hij nog tot augustus 2018 zijn detentie moet uitzitten in Frankrijk en de penitentiaire instelling waar hij thans verblijft niet een door de minister aangewezen instelling is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van [appellant] op artikel 8 van de beleidsregel faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van het college om hem in te schrijven op een briefadres tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt.

6.1. Met de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Daartoe wordt overwogen dat de Wet brp in dit geval geen mogelijkheid biedt om een briefadres te registeren. De penitentiaire instelling in Frankrijk waar [appellant] momenteel verblijft, is geen door de minister aangewezen instelling. De beleidsregel kan aan het vorenstaande niet afdoen. Daarom kan ook hetgeen in artikel 8 van de beleidsregels is vermeld niet leiden tot het door [appellant] gewenste resultaat.

Het betoog faalt.

7. Hetgeen [appellant] voor het overige als gronden in zijn hogerberoepschrift aanvoert, is nagenoeg een letterlijke herhaling van de gronden die hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden gemotiveerd verworpen. [appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift noch ter zitting uiteengezet, dat en waarom het desbetreffende oordeel onjuist is. Gelet hierop kan het aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Nell

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2016

597.