Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201600143/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:5885, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600143/1/V3.

Datum uitspraak: 3 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 december 2015 in zaak nr. 15/21678 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 december 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Meijerink, advocaat te Nieuw-Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. De door de vreemdeling eerst in hoger beroep overgelegde kopie van de gelegaliseerde verklaring van de Afghaanse ambassade in Den Haag van 31 maart 2016, wordt niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken, nu de aangevallen uitspraak in de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) dwingend is aangewezen als object van het hoger beroep en de vreemdeling geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven waarom hij dit stuk redelijkerwijs niet reeds in de bestuurlijke fase of in beroep heeft kunnen overleggen.

3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling door het overleggen van een kopie van de verblijfskaart van zijn vader ten minste een begin van bewijs heeft geleverd van de door hem gestelde identiteit, Afghaanse nationaliteit en herkomst. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het stuk een kopie is waarvan de authenticiteit niet kan worden onderzocht en dit stuk geen betrekking heeft op de vreemdeling, maar op zijn vader. Dat de persoonsgegevens die in dit stuk staan overeenstemmen met de gegevens die de vreemdeling als persoonsgegevens van zijn vader heeft opgegeven maakt volgens de staatssecretaris nog niet dat hij hiermee een begin van bewijs van zijn eigen identiteit en nationaliteit heeft geleverd. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling geen documenten heeft overgelegd die zien op hem zelf ter onderbouwing van zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Verder voert de staatssecretaris aan dat - gelet op de omstandigheid dat de vreemdeling zijn hele leven in Iran zou hebben geleefd en hij aldaar naar school zou zijn gegaan - mag worden aangenomen dat in Iran documenten beschikbaar zijn die op hem betrekking hebben, zodat van hem verwacht mag worden dat hij deze documenten opvraagt en overlegt.

3.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit en het daarin ingelaste voornemen op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen enkel document heeft overgelegd dat zijn gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst bevestigt en met zijn verklaringen evenmin die nationaliteit, identiteit en herkomst aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris voert, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van september 2014, aan dat van de ouders van de vreemdeling, die naar wordt gesteld meer dan zestien jaar geleden samen met de vreemdeling uit Afghanistan zijn vertrokken, mag worden verwacht dat zij in het bezit zijn geweest van identificerende documenten uit Afghanistan, zoals een Tazkera. Dat ten tijde van het vertrek uit Afghanistan sprake was van discriminatie en ernstige misstanden, maakt volgens de staatssecretaris niet dat voor de vreemdeling dan wel zijn ouders geen mogelijkheid is om in het bezit te kunnen zijn of te komen van een identificerend document. Het is mogelijk om een Tazkera aan te vragen bij de Afghaanse ambassade in Iran. Daartoe verwijst de staatssecretaris naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van december 2013, waaruit blijkt dat Tazkera's kunnen worden aangevraagd vanuit het buitenland via Afghaanse vertegenwoordigingen. De verklaring van de vreemdeling dat hij wel zelf over een Iraans verblijfsdocument beschikte, maar dat dit document door de autoriteiten is ingenomen, heeft de staatssecretaris niet geloofwaardig geacht. De verklaring van de vreemdeling dat hij dit document niet mee naar buiten nam omdat hij bang was dat hij het document kwijt zou raken, strookt niet met de omstandigheid dat hij driemaal zonder toestemming de stad zou hebben verlaten, terwijl hij wist dat hij daarmee het risico liep dat het document opgeheven zou worden.

3.2. De staatssecretaris voert terecht aan dat de door de vreemdeling in beroep overgelegde verblijfskaart die van zijn vader zou zijn slechts een kopie is, zodat de authenticiteit daarvan niet kan worden onderzocht. Verder heeft dit stuk geen betrekking op de vreemdeling. Weliswaar stelt de vreemdeling dat zijn vader het document in Iran nodig heeft en derhalve het originele document niet aan de staatssecretaris kan worden overgelegd, maar in dit verband voert de staatssecretaris terecht aan dat gelet op de omstandigheid dat de vreemdeling bijna zijn gehele leven in Iran zou hebben geleefd en hij aldaar naar de basisschool zou zijn gegaan, mag worden aangenomen dat in Iran documenten beschikbaar zijn die op hem persoonlijk betrekking hebben, zodat van hem verwacht mag worden dat hij deze documenten opvraagt en overlegt. Door te overwegen dat de vreemdeling met het overleggen van voormelde kopie in ieder geval een begin van bewijs heeft geleverd en het aan de staatssecretaris is de verklaringen van de vreemdeling nader te onderzoeken en in dat onderzoek te betrekken de situatie van Hazara's ten tijde van het vertrek van zijn ouders uit Afghanistan en de situatie van Afghanen in Iran in de loop der jaren, heeft de rechtbank niet onderkend dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan de vreemdeling is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken.

Gelet op het voorgaande en de motivering zoals weergegeven onder 3.1. stelt de staatssecretaris zich terecht op het standpunt dat hij geen aanleiding heeft hoeven zien nader onderzoek te doen en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 7 december 2015 toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De beroepsgronden over de gestelde problemen in Iran en het risico bij terugkeer kunnen geen doel treffen, reeds omdat, zoals hiervoor onder 3.2. is overwogen, de Afdeling de staatssecretaris volgt in zijn standpunt dat de vreemdeling zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt.

6. De vreemdeling heeft in beroep voorts betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte geen taalanalyse heeft laten verrichten om uitsluitsel te krijgen omtrent zijn gestelde nationaliteit.

6.1. Zoals voormeld is het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan de vreemdeling om zijn gestelde herkomst aannemelijk te maken. De staatssecretaris kan de vreemdeling daarin weliswaar tegemoet komen door een taalanalyse te laten verrichten indien bij hem twijfel is gerezen over de door de vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, doch hij is daartoe niet gehouden. Gelet op hetgeen onder 3.2. is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van het laten verrichten van een taalanalyse. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het feit dat de vreemdeling Dari spreekt geen uitsluitsel geeft over zijn nationaliteit, nu het Dari behalve in Afghanistan ook in andere landen, zoals Iran, wordt gesproken.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 december 2015 in zaak nr. 15/21678;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016

47-722.

BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 31

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2. De vreemdeling brengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen.

3. De elementen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de verklaringen van de vreemdeling en alle relevante documentatie in het bezit van de vreemdeling.

4. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt onder meer rekening gehouden met:

a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;

b) de door de vreemdeling afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de vreemdeling aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, overeenkomen;

d) de vraag of zijn activiteiten, sinds hij zijn land van herkomst of een land van eerder verblijf heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de vreemdeling, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, zou worden blootgesteld;

e) de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de vreemdeling zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn nationaliteit kan beroepen.

5. Het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reƫel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

6. Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;

b) alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c) de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;

d) de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en

e) vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

7. Een aanvraag wordt niet onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beslissing afgewezen indien de door de vreemdeling bij de aanvraag aangevoerde elementen en bevindingen grond bieden voor het vermoeden dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die hieraan in de weg staan.

8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met zevende lid.