Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201606535/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:9826, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606535/1/V2.

Datum uitspraak: 2 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 18 augustus 2016 in zaak nr. 16/16962 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In zijn eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling niet kan worden tegengeworpen wisselende verklaringen te hebben afgelegd, doordat hij in het vrije relaas heeft verklaard dat het door hem gestelde schietincident eind 2014 heeft plaatsgevonden, maar later tijdens het nader gehoor dat het februari 2015 was. Volgens de staatssecretaris is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de vreemdeling geen verklaring heeft gegeven voor het noemen van deze verschillende data. Door te overwegen dat de verklaringen van de vreemdeling bovendien voldoende specifiek zijn, heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris voorts niet onderkend dat van de vreemdeling verwacht mag worden dat hij de datum van het schietincident preciezer kan duiden dan dat het op een vrijdag ergens eind 2014 of in februari 2015 was.

1.1. De rechtbank heeft voor haar oordeel van belang geacht dat de vreemdeling de datum van het schietincident in hetzelfde gehoor nog heeft gecorrigeerd en op het moment dat het, nadat hij in zijn vrije relaas erover had verklaard, voor het eerst weer ter sprake kwam. Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, heeft de rechtbank hiermee niet onderkend dat de vreemdeling, eerst nadat hij met zijn wisselende verklaringen werd geconfronteerd, te kennen heeft gegeven dat de eerder door hem genoemde datum niet klopt, zonder daarbij - uit eigen beweging - uitleg te geven waarom hij in eerste instantie onjuist heeft verklaard. Ook in zijn correcties en aanvullingen op het rapport van het nader gehoor heeft de vreemdeling hiervoor geen verklaring gegeven. Gelet hierop en nu, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, blijkens het advies van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht van 25 mei 2016 bij de vreemdeling geen beperkingen zijn geconstateerd die van invloed kunnen zijn op het horen en derhalve niet is gebleken dat hij moeite heeft met het onthouden of het noemen van concrete data, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdeling niet kan worden tegengeworpen dat hij over de datum van het schietincident wisselend heeft verklaard.

1.2. Voor haar oordeel dat de vreemdeling hierover voldoende specifiek heeft verklaard, heeft de rechtbank van belang geacht dat het nader gehoor plaatsvond anderhalf jaar nadat het incident zich had voorgedaan. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank dusdoende eraan is voorbijgegaan dat het schietincident volgens de verklaringen van de vreemdeling op hem en zijn gezin grote indruk heeft gemaakt en dat hij direct na het incident heeft besloten zijn huis maandenlang, tot het moment van vertrek uit zijn land van herkomst, niet te verlaten. Hieruit volgt dat het voor de vreemdeling een ingrijpende gebeurtenis is geweest, die behoort tot de kern van zijn asielrelaas. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling verwacht mocht worden dat hij over de datum waarop het schietincident zou hebben plaatsgevonden specifieker kon verklaren dan hij heeft gedaan.

De eerste grief slaagt.

2. In zijn tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet onlogisch is dat de vreemdeling, zoals hij heeft verklaard, in Afghanistan nog gevaar liep nadat hij was gestopt met werken voor het aannemersbedrijf dat naar eigen zeggen voor de Amerikanen en buitenlandse bedrijven opdrachten uitvoerde. Daartoe betoogt hij dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan de verklaringen van de vreemdeling heeft gegeven. Voorts heeft de rechtbank, door in dit verband te verwijzen naar de door de vreemdeling ingebrachte stukken, volgens de staatssecretaris niet onderkend dat daaruit niet kan worden afgeleid dat personen die niet langer voor de Amerikanen of buitenlandse bedrijven werkzaam zijn een verhoogd risico lopen op bedreigingen en represailles van de zijde van de Taliban.

2.1. De rechtbank heeft voor haar oordeel allereerst van belang geacht dat de vreemdeling heeft verklaard dan hij in november 2014 telefonisch is bedreigd, waarbij hem te kennen is gegeven dat hij zou worden vermoord omdat hij nog steeds werkzaamheden verricht voor de Amerikanen en buitenlandse bedrijven. Hem is daarbij niet medegedeeld, zo heeft de rechtbank overwogen, dat de Taliban hem met rust zou laten als hij met die werkzaamheden zou stoppen. De staatssecretaris betoogt terecht dat de reden voor de bedreiging volgens de verklaringen van de vreemdeling was dat hij nog steeds voor de Amerikanen en buitenlandse bedrijven werkte. In het licht hiervan is het niet logisch dat hij, zoals hij heeft verklaard, hoewel hij na die bedreiging onmiddellijk met zijn werkzaamheden is gestopt, nog steeds te vrezen heeft van de zijde van de Taliban. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.2. Daar komt bij dat, zoals de staatssecretaris voorts terecht betoogt, uit de door de vreemdeling ingebrachte stukken weliswaar blijkt dat personen die voor de Amerikanen of buitenlandse bedrijven werken een verhoogd risico lopen op bedreigingen en represailles van de zijde van de Taliban, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat personen die niet langer als zodanig werkzaam zijn nog steeds hetzelfde risico lopen. De rechtbank heeft in die stukken dan ook ten onrechte grond gezien voor het oordeel dat het niet onlogisch is dat de vreemdeling, hoewel hij zijn werkzaamheden heeft beƫindigd, nog altijd te vrezen zou hebben.

Ook de tweede grief slaagt.

3. In zijn derde grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de omstandigheid dat de vreemdeling na het schietincident nog een periode in zijn eigen huis heeft verbleven niet kan worden afgeleid dat hij niet langer in de negatieve aandacht stond van de Taliban. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank ten onrechte in de door de vreemdeling afgelegde verklaringen hierover aanleiding gezien om tot dit oordeel te komen.

3.1. De rechtbank heeft voor haar oordeel van belang geacht dat niet onaannemelijk is dat de vreemdeling, zoals hij heeft verklaard, ondanks de door hem ondervonden problemen, in Afghanistan wilde blijven omdat hij zijn vrouw en kinderen niet wilde achterlaten en daarom besloot binnenshuis te blijven om zo de Taliban te ontlopen. Evenmin acht de rechtbank onaannemelijk dat de vreemdeling, nadat er een bomaanslag had plaatsvonden op het huis van zijn buurman die werkte voor de overheid en om die reden in de negatieve aandacht van de Taliban stond, vreesde dat hem hetzelfde zou overkomen, wat voor hem aanleiding gaf zijn land van herkomst te verlaten.

3.2. Volgens de verklaringen van de vreemdeling heeft de Taliban hem in zijn eigen huis persoonlijk bedreigd en geprobeerd hem te beschieten, en heeft hij vervolgens nog meer dan zes maanden zonder problemen in diezelfde woning verbleven. Zoals de staatssecretaris terecht betoogt en anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is het vreemd dat de vreemdeling enerzijds verklaart dat de Taliban, die dus op de hoogte zou zijn van zijn verblijfplaats, hem wilde doden, maar anderzijds dat hij deze lange periode in zijn huis heeft kunnen verblijven, zonder daarbij opnieuw geconfronteerd te zijn met telefonische bedreigingen en zonder dat de Taliban opnieuw een poging heeft ondernomen hem te doden. In het licht hiervan heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling, zoals hij veronderstelt, nog altijd in de negatieve aandacht van de Taliban staat en dat hij om die reden niet voor vergunningverlening in aanmerking komt.

De derde grief slaagt ook.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep tegen het besluit van 27 juli 2016 alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 18 augustus 2016 in zaak nr. 16/16962;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2016

549.