Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201605964/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:8965, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 30 juni 2016 zijn de vreemdelingen in vreemdelingenbewaring gesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 6.1f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605964/1/V3.

Datum uitspraak: 1 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 juli 2016 in zaken nrs. 16/14512 en 16/14514 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (hierna: tezamen de vreemdelingen),

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 30 juni 2016 zijn de vreemdelingen in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 27 juli 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de vreemdelingen schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij besluit van 4 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Pb 2013 L180; hierna: de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek. Bij uitspraak van 3 mei 2016 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Voormeld besluit staat in rechte vast.

Op 30 juni 2016 zijn de vreemdelingen staande gehouden en in bewaring gesteld. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding van 30 juni 2016 is vermeld:

"Op 30 juni 2016 […] bevonden wij, verbalisanten, ons […] op de (gezins)locatie van het AZC Heerlen […]. Hier hebben wij op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, betrokkene staande gehouden in het kader van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000.

De staandehouding was gebaseerd op informatie uit het vertrekdossier van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Hieruit bleek dat betrokkene in Nederland verblijft en geen of onvoldoende medewerking had verleend aan haar overdracht naar Italië. Het betreft een overdracht in het kader van het Dublinverdrag. Het vertrekdossier bevatte een foto van betrokkene. […]. Alle staande te houden personen werden door mij (…) herkend aan de foto's uit het vertrekdossier. Omstreeks 07.30 uur hield ik (…) betrokkene staande ingevolge artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000."

Om 11.06 uur zijn de vreemdelingen in bewaring gesteld op de Gesloten Gezinsvoorziening te Zeist. Op 1 juli 2016 hebben de vreemdelingen beroepen ingesteld tegen de maatregelen van bewaring. Op 6 juli 2016 heeft de staatssecretaris deze maatregelen opgeheven wegens "uitzetting/verwijdering".

2. De rechtbank heeft overwogen dat de staandehouding van de vreemdelingen krachtens artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) onrechtmatig is omdat geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en dat de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uitvalt, omdat alle gevolgen van de onrechtmatige staandehouding ook onrechtmatig zijn. De bewaring is van aanvang af onrechtmatig, aldus de rechtbank.

3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris primair dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staandehouding en de daaropvolgende ophouding niet onrechtmatig zijn. Hij betoogt daartoe dat hij, gelet op het bepaalde in artikel 6.1f van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), alle handelingen mag verrichten die noodzakelijk zijn om de vreemdeling tegen wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd en die Nederland niet heeft verlaten over te dragen. Een staandehouding is volgens de staatssecretaris een noodzakelijke handeling om de vreemdeling gedwongen te kunnen overdragen. Daarnaast wijst hij erop dat hij krachtens artikel 59a van de Vw 2000 Dublinclaimanten in bewaring kan stellen en dat dit niet mogelijk is zonder dat iemand feitelijk in zijn macht komt. In zijn visie is het zo dat als het meerdere mag, de oplegging van de maatregel van bewaring, ook het mindere mag, de staandehouding en de ophouding. Subsidiair heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat, voor zover een wettelijke basis ontbreekt, er ruimte is voor een belangenafweging.

3.1. De Afdeling merkt op dat in een situatie als in deze zaak waarin de vreemdelingen rechtmatig verblijf hebben ingevolge artikel 8, onder m, van de Vw 2000, artikel 50 van de Vw 2000 bij gebreke van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf niet kan worden toegepast. Voor de staandehouding, overbrenging en ophouding kan evenmin een grondslag worden gevonden in artikel 6.1f van het Vb 2000, nu het hier geen handelingen betreft met het oog op overdracht, maar handelingen met het oog op inbewaringstelling. Met betrekking tot het betoog van de staatssecretaris dat een maatregel van bewaring niet mogelijk is zonder dat iemand feitelijk in zijn macht komt en dat wie het meerdere mag ook het mindere mag, overweegt de Afdeling dat in een maatregel van bewaring de bevoegdheid besloten ligt die maatregel te effectueren door betrokkene over te brengen naar de plaats waar de maatregel feitelijk ten uitvoer wordt gelegd. De maatregel van bewaring vormt aldus de grondslag van de overbrenging. Daarvoor is geen aparte wettelijke grondslag vereist. Voor de overbrenging van de vreemdelingen van Heerlen naar Zeist waren dan ook aan die overbrenging voorafgaande maatregelen van bewaring vereist. De staatssecretaris had de vreemdelingen derhalve in Heerlen moeten horen en aldaar de maatregelen moeten opleggen. Nu voorafgaande aan de overbrenging van de vreemdelingen naar Zeist de maatregelen van bewaring nog niet waren opgelegd, faalt de grief in zoverre.

3.2. Het vorenstaande neemt, in lijn met onder meer de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3709, niet weg dat het ontbreken van een maatregel van bewaring voorafgaande aan de overbrenging de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

3.3. Vreemdeling 1 heeft voorafgaand aan de inbewaringstelling meermalen uitdrukkelijk verklaard dat zij vreemdeling 2, haar kind, in Nederland zal achterlaten indien zij wordt overgedragen aan Italië. Daarnaast volgt uit de toelichting bij de maatregelen dat de vreemdelingen op korte termijn kunnen worden overgedragen en dat reeds een vlucht is geboekt naar Italië. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen, waaronder in het bijzonder het belang dat de vreemdelingen zo snel mogelijk worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat, niet opwegen tegen de door het vastgestelde gebrek geschonden belang van de vreemdelingen.

In zoverre slaagt de grief.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 30 juni 2016 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

5. De vreemdelingen hebben in beroep aangevoerd dat geen sprake is van een significant risico op onttrekking. Daartoe voeren zij aan dat de staatssecretaris de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, onder a, c, i, k en l en de gronden als bedoeld in het vierde lid, onder a, c en d, ten onrechte aan de maatregelen ten grondslag heeft gelegd.

5.1. Ingevolge artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb 2000 kan aan de vreemdeling op grond van artikel 6a van de Vw 2000 een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd of kan de vreemdeling op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld, indien:

a. een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening; en

b. een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, wordt aan deze voorwaarden slechts voldaan indien zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid, voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.

5.2. Aan beide maatregelen van bewaring is ten grondslag gelegd dat deze worden gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een significant risico bestaat op onderduiken. Volgens de staatssecretaris geldt voor de vreemdelingen onder meer dat zij:

(zware grond)

(3k) een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek.

(lichte grond)

(4d) niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.

5.3. Uit de toelichting bij de maatregel voor vreemdeling 1 blijkt dat zij meermalen stellig heeft aangegeven dat zij niet samen met vreemdeling 2, haar kind, naar Italië wil vertrekken en dat zij vreemdeling 2 in Nederland zal achterlaten indien zij wordt overgedragen. Hieruit blijkt volgens de staatssecretaris dat zij niet zal meewerken aan de overdracht aan Italië, zodat een significant risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Dat dit, zoals de vreemdeling aanvoert, komt omdat ze bang is dat ze met haar kind in Italië geen opvang krijgt en op straat moet leven, maakt niet dat de staatssecretaris de zware grond onder 3k niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Voorts volgt uit de toelichting bij de maatregel voor vreemdeling 1 dat zij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt en dat zij voor de kosten van haar levensonderhoud afhankelijk is van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Dat dit, zoals de vreemdeling aanvoert, voor heel veel asielzoekers geldt, maakt niet dat dit niet aan haar kan worden tegengeworpen.

5.4. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris voornoemde gronden terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd, zodat reeds hierom aan het in artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste is voldaan. Gelet daarop bestond ten tijde van het opleggen van de maatregel voldoende grond om aan te nemen dat er een significant risico was dat de vreemdelingen zich aan het toezicht zouden onttrekken.

De beroepsgrond faalt.

6. De beroepen zijn ongegrond. De verzoeken om schadevergoeding dienen reeds hierom te worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 juli 2016 in zaken nrs. 16/14512 en 16/14514;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond;

IV. wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2016

347-759.